15e zondag door het jaar B

B-cyclus · Tijd door het jaar · 15e zondag · groen

Vijftiende zondag door het jaar - B

gedachten voor de homilie

er wordt gelezen uit Marcus 6, 7-13.

En toch gaan ze

Daar gaan ze, twee aan twee,

uitgezonden naar onbekende bestemmingen, ver van huis, overgeleverd aan de welwillendheid van mensen, uitgerust met alleen vertrouwen in zichzelf.

Daar gaan ze, twee aan twee,

geroepen voor hun zending in de wereld, aangemoedigd door het uithoudingsvermogen van de ander, beschermd door de blijvende zorg voor elkaar.

Daar gaan ze, twee aan twee,

geplaatst in de geloofstraditie van Jezus, vervuld van onwankelbare trouw aan God, wetend wat hen te wachten staat.

En toch gaan ze. Daar is moed voor nodig!

Marianne van der Sommen

Ga naar de mensen. Leef met hen samen. Leer van hen, hou van hen. Begin met wat zij weten, bouw verder op wat zij hebben. Doe zoals hun beste leiders: als hun taak voltooid is en hun werk beëindigd, dan zeggen de mensen: ‘We hebben het zelf gedaan…’

Gedragscode voor de vormingswerkers van SETIK in Sri Lanka

Evangeliseren is…

Wij zijn niet aangesteld als reizigers in religieuze artikelen, die geloof aan de man brengen zoals anderen stofzuigers. We mogen niet zomaar ergens onze voet tussen de deur zetten. Wij moeten onze medemensen de gelegenheid geven om de deur in vrijheid voor ons open te doen. Wij mogen niemand het geloof opdringen. Evangeliseren is niet: vanuit de hoogte een drenkeling toespreken. Het is: de ene bedelaar die aan de andere vertelt waar brood te krijgen is. Okke Jager

**ALS JE OP WEG GAAT…**

Toen Jezus met hen de warmte van zijn vriendschap en de diepte van zijn levensbron had gedeeld, stuurde Hij zijn leerlingen de weg op… Hij zei:

‘Als je op weg gaat, heb dan vooral oog en oor voor wie klein is, verloren en gebroken. Loop op het ritme van de traagste, draag wie moe is, troost wie droef is, groet wie eenzaam is, deel jezelf uit zonder er iets voor te vragen.

Als je dan op weg gaat, neem dan geen geld mee en ook geen andere betalingsmiddelen, neem niets mee om indruk te maken of om macht te hebben over anderen. Aan mijn aanwezigheid heb je genoeg.

Als je op weg gaat, wens ieder die je ontmoet vrede toe en maak die vrede waar in je eigen hart, zodat je vanuit die vrede kan delen met je tochtgenoten.

Als je op weg gaat, zal niets je gespaard blijven. Als je doet wat Ik zeg, zullen ze je uitlachen, je naïef vinden, ze zullen je aan de kant zetten, je aanklagen. Dat hebben ze ook met Mij gedaan. Als je op weg gaat met Mij, zullen ze jou ook vinden.

Als je op weg gaat, wees maar niet bang. Elk haar op je hoofd is geteld. Ik zal bij jou zijn onderweg. Zoals Mijn Vader Mij de hele weg heeft gedragen, dwars door de dood heen, zo zal Ik jou dragen, vandaag en altijd.’

(uit ‘Adem halen de wereld rond’)

*“Jezus stuurde hen twee aan twee op weg, naar alle plaatsen waar hijzelf ook heen wilde gaan…”


Jezus zendt zijn leerlingen twee aan twee uit, omdat ze dat grote, wondere verhaal van God die werkzaam is in hun leven, op straat, onder de mensen, niet in hun eentje kunnen dragen… Twee zijn minder kwetsbaar dan een. Twee weten meer dan een. Twee kunnen meer vermoeden, meer geloven, meer overtuigen dan een… Op het woord van twee staat volgens het recht een getuigenis vast. Daarom zendt Jezus zijn leerlingen twee aan twee. Opdat wanneer God het dreigt te begeven in één van hen, de ander er nog is om genoeg moed en kracht te verzamelen om voort te doen.

Hij stuurt ze uit, twee aan twee. Om mekaar te steunen en aan te vullen. Hij zendt hen om vrede te brengen en om begrip te tonen, om barmhartig te zijn, om ruimte te scheppen voor verzoening, om mensen gelukkig te maken en toekomst aan te bieden. Ze mogen niets meenemen: geen geld, geen reistas en geen schoenen. Geen strategische middelen of trucs om de mensen te overhalen. Ze mogen geen goedkope sympathie afdwingen, niet nutteloos ergens zomaar blijven rondhangen, maar rustig voortdoen. Het goede woord blijven zaaien en zien waar zich goede grond aandient.

Ze zijn maar met twaalf, en dat lijkt toch wat weinig om zomaar de wijde wereld in te trekken. Maar ze gaan wel twee aan twee, niet alleen. En Hij gaat mee, verborgen aanwezig met Zijn kracht en Zijn inspiratie. Dat moet genoeg zijn. Toen der tijd voor de leerlingen, en ook voor ons vandaag. En ja, ze zijn zeer talrijk en machtig, de duivels en demonen die ze moeten uitdrijven. Maar ze zijn niet onoverwinnelijk. Zeker niet als je ze tegemoet treedt in onbevangenheid, zonder wapens, zonder stoere taal, met alleen een Woord dat je op je hart hebt gebonden én een rotsvaste overtuiging die als een stok niet meer van je zijde wijkt.

‘Ga nu maar’, zegt Jezus. ‘Wees niet bang, Ik ga met je mee. Verkondig gewoon de woorden die Ik in je hart heb gelegd, datgene waardoor je zelf bent veranderd en genezen. En je zult het onvermoede voor je ogen zien gebeuren. Er zal genezing en heling zijn. Opstanding en begin van nieuw leven. Tekens van Mijn Rijk dat hoe dan ook gevestigd wordt. Nu en hier, vandaag al, en alle dagen dat wij leven…’

Hij gaf hun gezag over de boze, de onreine geesten. Wat dat voor geesten zijn? De tijd van Jezus kende ook al veel taboes: hoed je voor de doden, voor melaatsen, voor bloedvloeiende vrouwen, zij zijn onrein. Zovelen, ook nu leven verkrampt en bang voor wat niet zuiver is in de wereld. Alles wat angst en verdeling zaait. Alles wat buitensluit. Mensen met verwarring in hun hoofd, die weten hoe het kan gaan spoken in hun binnenste. Want die boze geesten, kunnen ook daar huishouden. En ieder wordt daar wel eens door geplaagd. Jaloezie, onzekerheid, doemgedachten, noem het maar…. Gedachten die niet heel maken, maar je naar beneden trekken… Er spookt bij tijden van alles in ons binnenste. Laten die discipelen in godsnaam toch die boze geesten verdrijven! Ze worden gezonden, en mogen niets meenemen voor onderweg, geen brood, geen reistas, geen geld… Een mens die alleen maar leeft van ‘hebben is hebben, en krijgen is de kunst…’, die kan een ander niet vrij maken, die kan een ander niet tot dienst, tot hulp zijn. Oefeningen in Godsvertrouwen zijn het. Jezelf uit handen geven. Je zelf opgebouwde zekerheden een beetje laten varen. Kwetsbaar durven zijn, beseffen dàt je dat bent, en toch onbekommerd op weg gaan. Met die opdracht zendt Jezus hen uit: ‘Ga maar, en doe zoals Ik.’ En zij dreven boze geesten uit. Zij zalfden vele zieken met olie en in hun nabijheid werden mensen weer heel. En zo kan dat gaan, kun je dat ervaren, wanneer iemand jou de handen oplegt, dat je met zalf die zacht is wordt aangeraakt, dat je je getroost voelt, dat is helend, wanneer je aangeraakt en niet vermeden wordt, juist daar waar je gebroken bent, waar je kwetsbaar bent…Zo heeft Jezus zichzelf gegeven. Uitgedeeld. Gebroken. Gegeven als brood, om anderen, om ons te voeden. Levenskracht te schenken.

Wees mobiel en reisvaardig, zonder veel zekerheden, zonder extra beveiliging tegen mogelijke mislukkingen. Geef op wat ballast kan worden en de verkondiging in de weg kan staan of wat jou ongeloofwaardig kan maken. Bij de verkondiging van deze boodschap gaat het niet om gunstige arbeidsvoorwaarden, om loononderhandelingen of gunstige promotieperspectieven. Je moet gaan in al je kwetsbaarheid. Wat je onderweg wel nodig hebt, zijn stok en sandalen. Want pelgrims zijn en blijven wij. Gedenk met die stok en sandalen de eerste paasnacht en de uittocht van het godsvolk. Er is immers een nieuwe toekomst op til, er is een nieuw land in zicht.

Zo ben je toegerust om de weg te gaan, *zijn *weg. Je hebt geen behoefte aan dubbele kleren. Gewoonlijk maken de kleren de man of de vrouw. Maar voor jou valt er niets te maken. De outfit van de boodschapper van het goede nieuws kan sober zijn. Anders dan die van de vrome gelovigen in Jezus’ dagen. Die wilden vooral opvallen juist door hun kleren. De twaalf behoeven zichzelf niet te profileren. Het gaat om wat ze te bieden hebben van Godswege.

Ze moeten ook niet voor rondreizende bedelaar spelen. Zo een die van huis naar huis trekt, steeds kieskeurig op zoek naar meer en beter. De plaats waar je al of niet toevallig aangekomen bent die dag – daar zal het moeten gebeuren. Dat lijkt op wat ooit ‘de pastoraal van de uitnodiging’ genoemd is. Van harte aanbieden, eerlijke verkondiging, met volledig openstaan voor ieders eigen vrijheid en verantwoordelijkheid. Je kunt jezelf met je boodschap niet opdringen met de voet tussen de deur.

Alleen waar je echt niet welkom bent, stamp daar het stof van je voeten. Wie niet welkom is, zal de gebruikelijke welkomstriten zoals een voetwassing node gemist hebben. Dat stof op je voeten zal dan tegen hen getuigen. Een profetisch teken, dat veelzeggend wordt wanneer woorden geen ingang meer vinden. Een sprekend teken dat de kans die geboden werd, nu verkeken is. Trek je handen van hen af, schud zelfs het stof van het land waarop zij gelopen hebben van je voeten. Ga daar weg en laat hen alleen met hun eigen verantwoordelijkheid.

(naar een tekst uit Kerugma, jg. 52 nr. 3 – 2008/2009)

** predikt tot zijn discipelen**

(meester van de Reichenauer school, ca. 1010)

Als je mijn leerling wilt zijn, zegt Jezus, ga dan zoals je bent en op het juiste moment zal je de juiste woorden vinden. Wie bagage belangrijk vindt is niet echt vrij. Zo iemand spendeert de helft van zijn energie aan nutteloos sjouwwerk. Wie aan zekerheid het zwaarste tilt, zal overal risico’s zien. Wie met handen en voeten gebonden is aan huis en haard, zal terugschrikken vanwege het onbekende. Als mijn eigen comfort het zwaarste telt, dan sta ik mezelf in de weg. En wie zichzelf in de weg staat, komt geen stap vooruit. Daarom: geen beurs en geen reiszak: ga zoals je bent… Er is nog iets dat me opvalt. We worden nooit alleen op pad gestuurd. Volgeling-zijn is geen one-man-show. We worden altijd twee aan twee op pad gestuurd. Zo gingen ooit de twaalf op weg: Petrus en Johannes, Judas en Silas, Paulus en Barnabas. En daarna nog eens tweeënzeventig anderen. Ook zij worden opgesplitst in teams van twee. Belangrijk, want als je wordt uitgestuurd als een lam onder de wolven, wie kan het dan alleen redden? Hoe houd ik het vol, alléén, als ik vandaag word weggestuurd als irrelevant en als morgen de deur voor mij dichtvalt? Als mijn vragen en twijfels de kop opsteken: heeft het allemaal wel zin? We hebben elkaar nodig om in geloof te blijven groeien. En dan dit nog: groet niemand onderweg! Voor óns klinkt dat hautain, betweterig zelfs. Maar het gaat hier over de Oosterse manier van groeten, met beleefde plichtplegingen, met uitgebreide verhalen en oponthoud. Daar is het nu de tijd niet voort. Er is haast. De oogst staat op het veld. Nu geen tijd om er bij te gaan zitten, te vertellen wat je onderweg hebt meegemaakt.. uitwisselen van ervaringen – dat kan wachten. Dit is de tijd van de oogst. Die gaat vóór alles. Die oogst is: vrede onder mensen. Die moet je toewensen als je iemands huis binnenkomt. Maar vooral: láát het niet bij een wens, zorg dat die vrede gebeurt, werkelijkheid wordt. Marcus schrijft zijn evangelie een jaar of vijfendertig nadat Jezus deze of soortgelijke woorden sprak. De eerste christenen leven op dat moment te midden van tegenstellingen tussen arm en rijk, en dat brengt ook spanningen mee in de jonge Kerk. Toen al – en dat is zo tot op vandaag. Het kan zo aanlokkelijk zijn mezelf te koesteren in de hangmatten van alleen maar consumeren en genieten. Mezelf nestelen in de luwte van gelijkgezinden. Me laten verleiden door zorg voor enkel eigen ziel en zaligheid. Maar er is een oogst die er op wacht binnengehaald te worden: schoven van vrede en gerechtigheid, vrucht van solidariteit met mensen en volken, en met de schepping om ons heen. Ons wordt gevraagd te leven niet in vertrouwen op valse zekerheid: op bagage die ik mijzelf heb aangeschaft of die anderen mij hebben aangepraat. Ons wordt gevraagd op zoek te blijven naar wat dieper ligt dan dat: durven naar mezelf te luisteren, open staan voor wat anders is dan wat ik gewend ben en af te dalen totdat ik uiteindelijk sta op heilige grond, waar alle stemmen zwijgen, mijn eigen stem; en waar de bron ontspringt van waaruit ik ten diepste leef. Van daar moeten wij op weg gaan. En bagage is dan verder nutteloos… Gaat het in het christendom ergens anders om dan alles en iedereen – heel de schepping – een goed hart toe te dragen en zo voor anderen het hart van God te zijn in deze wereld?

(preek van Pastor Ben Verberne Omroeppastoraat Nederland – 8 juli 2001)

IK GA OP REIS EN IK NEEM MEE…

Lieve mensen,

we zitten midden in de zomervakantie. Voor velen het moment bij uitstek om er eens op uit te trekken. De eigen vertrouwde omgeving verlaten en met andere plaatsen, streken, landen is maken. Meestal als ontspanning. Zo nu en dan om wat inspiratie op te doen. We hoorden in het evangelie hoe de leerlingen van Jezus twee aan twee werden uitgezonden. Maar daarbij gaat het in elk geval niet om een vakantie-uitstap. Dat wegtrekken van thuis gebeurt niet op eigen initiatief, maar op vraag van en in opdracht van Jezus. Met de bedoeling om te prediken, duivels uit te drijven, zieken te zalven en te genezen.

De leerlingen mogen geen voedsel meenemen voor onderweg, geen reiszak, geen geld, geen dubbele kleding. Alleen een stok en sandalen. Geen zware bottines of legerlaarzen. Het wordt een pastorale stage op sandalen. Dat soort schoeisel heeft – ondanks alles - iets van lichtvoetigheid. Of van een woestijntocht, een bedevaart op zoek naar toekomst en bevrijding…

En ze moeten gaan twee per twee. Een vreemde manier van reizen, als je het mij vraagt. Als je bedenkt wat wij allemaal meenemen, zelfs al is het maar voor een daguitstap. Een frigobox vol voedsel en drank, een portefeuille voorzien van de nodige kredietkaarten en doorgangsbewijzen. Valiezen en reistassen volgepropt met kleding en schoenen. Voorzieningen tegen regen en zon, voor strand en bergen, wandelingen en fietstochten. En niet te vergeten: de zo nodige zonnecrème, sprays tegen insectenbeten en pilletjes tegen indigestie…

Wil Marcus ons in deze vakantietijd opzadelen met schuldgevoelens? Of wil Hij zijn leerlingen als voorbeeld stellen voor onze moderne ‘survivals’ of overlevingstochten? Niets is minder waar. Marcus en zijn leeftijdsgenoten kennen hun Bijbel. De stok en de sandalen verwijzen naar de verhalen van Pasen en van Exodus. De eerste uittocht. Weg uit Egypte, weg uit de slavernij. Op zoek naar een nieuw en beter vaderland. En met zijn tweeën. Dat doet denken aan Mozes en Aäron, op naar het land van bevrijding. De stok als herinnering aan de stok van Mozes, waarmee hij de Rietzee deed splijten en later water uit de rots kon slaan. Dat het met zijn tweeën gebeurt, moet ieder beschermen tegen eigengereidheid. De leerlingen moeten niet zichzelf profileren. Ze opereren niet op eigen gezag. Er is een opdrachtgever. Er steekt visie achter. En dat ze met tweeën zijn, geeft hen ook bewijskracht. Zo getuigen ze dat ze leerlingen van Jezus zijn. En daartoe worden ook wij gezonden.

We moeten niet op de eerste plaats bekommerd zijn om geld en bezit. Onze eerste zorg moet gaan naar het geluk en de vrede van de kleine mens. Wie is daar op vandaag nog mee bezig? Voortdurend horen we die andere boodschap. Op het werk, op straat, in de huiskamer, bij vrienden… ‘koop dit, dat moet je toch hebben, zoiets kan je vandaag de dag toch niet meer missen, wees mee met je tijd…’ Het lijken wel duivels die je van alle kanten overvallen. En het zijn precies deze demonen die we moeten uitdrijven. De duivel van het egoïsme, de oneerlijkheid, de angst, de wanhoop, het pessimisme… Die duivels leven in onszelf, in onze omgeving, in onze maatschappij. We zien haast dag na dag hoe ze er in lukken het leven van een gezin, een buurt, een werkmidden te verlammen. Aan ons geeft Jezus de opdracht om die boze geesten uit te drijven. Het is aan ons om ons in te zetten, om te helpen, te doen inzien dat het verkeerd gaat, mee te werken aan stappen tot verandering.

Lieve mensen,

Als we zoveel duivelse plagen zien en ervaren, dan bekruipt ons misschien een verlammend gevoel van onmacht. Vergeten we dan vooral niet wat Jezus ook nog tot de leerlingen zegt: ‘is er een plaats waar men u niet ontvangt en niet naar u luistert, gaat daar dan weg en schudt het stof van uw voeten…’ Mag ik die woorden eens vrij met mijn eigen woorden herschrijven? ‘Als je alles geprobeerd hebt en ze luisteren niet, lies er dan verder uw tijd en energie niet aan. Veeg er dan maar feestelijk uw voeten aan. Je hebt het geprobeerd, je hebt jouw best gedaan. Meer kan een mens niet doen.

Maar verlies er vooral de moed niet bij om altijd verder te gaan…

(preek van Noël Bossuyt op de Godelievparochie-Roeselare – 14/15 juli 2018)

Marcus had het fragment uit zijn evangelie van verleden week, dat vertelde over de afwijzing van Jezus door zijn dorps- en stadsgenoten, afgerond met deze zin: *‘**Vanaf die dag **trok Hij rond in de steden en dorpen in de omtrek, en **Hij **onderrichtte **er **de mensen’. **(Mc. 6, 6).*Zo liep Hij daar dus rond – een beetje als de grote verliezer, ‘A lonesome (cow)boy’ in niemandsland…

Maar onmiddellijk daarop, verliezer of geen verliezer, roept hij zijn twaalf leerlingen bij zich, en hij begint hen uit te zenden, twee aan twee. Dat ‘twee’ is van grote betekenis. Het duidt aan dat niemand van hen opereert op eigen gezag. Zelfs Paulus zal dat later niet doen. Het beschermt ieder van de ‘zendelingen’ tegen eigengereidheid, of omgekeerd, tegen gebrek aan verbeeldingskracht en ondernemingslust. Maar het is ook voor de ontvangers van de boodschap een garantie als ze twee aan twee gaan. Want twee getuigen zijn vanouds rechtsgeldig en hebben juridische bewijskracht. En verder: is een opdrachtgever, en er zit een visie – ja een visioen! - en een concreet beleid achter deze missie. Dat schept vertrouwen.

Jezus legt de twaalf dan ook geen grotere last op dan zij kunnen dragen. Bovendien geeft hij hun een specifieke macht mee: zeggenschap over de onreine geesten. Die onreine geesten zijn we onderhand al zo dikwijls tegengekomen, dat we weten dat je daar van alles kunt onder verstaan: het zijn al die verborgen en openlijke weerstanden die een mens en een menigte van mensen zo onhebbelijk kunnen maken. Jezus gaf hun de kracht mee om die het zwijgen op te leggen.

Verder is Marcus nogal uitvoerig in de beschrijving van hun uitrusting als zendelingen: ‘*En hij verbood hun iets anders mee te nemen voor onderweg dan alleen een stok: geen voedsel, geen reiszak, geen kopergeld in hun gordel. Wel moogt ge sandalen dragen, maar trekt geen dubbele kleding aan.’ (Mc. 6, 8-9). * Veelal wordt dit uitgelegd als een gebod tot soberheid, en tot een blind vertrouwen dat er steeds in het hoognodige zou worden voorzien. Het bevestigt de onuitgesproken zekerheid dat ieder die zich in Israël op weg begaf ten allen tijde een beroep kon doen op de gastvrijheid, overal waar hij zou aankloppen. Maar dit is hier het punt niet. Waar het op aan komt dat met deze instructies de gedachte aan grote reizen wordt geëlimineerd. Ze moeten in eigen land blijven, en misschien zelfs in dat land binnen een bepaalde streek. De twaalf moeten niet naar de volken in de omtrek gaan, dat is niet hun zending. Dat is de zending van Israël zelf, van dat volk in zijn geheel. Maar hun specifieke zending is Israël daartoe op te roepen, zeggen dat de uiterste dingen gekomen waren. Hun zending was het om het volk op te richten uit hun ziekelijke interesse voor de apocalyptiek tot het eschatologische besef: de laatste dingen zijn nabij, staat op uit uw lethargie…

Jezus zond de twaalf uit naar de kinderen van Israël. Daarom hadden ze zo weinig bij zich en geen geld op zak, en liepen ze op sandalen en droegen ze geen dubbele kleren. Ze liepen door hun land voor telkens maar één dag.

Des te meer valt op dat ze wel een staf moesten dragen. Nu was een staf helemaal niet ongewoon in zo’n landt hobbelige wegen en stoffige grond. De staf hoorde erbij als je derde been. Maar juist daarom, als de staf zo vanzelfsprekend was, waarom wordt die dan apart vermeld? Omdat de staf in deze ook een herdersstaf is. Er worden schapen mee geweid. En als je twee mannen ziet rondgaan, ieder met een staf in de hand, wie in Israël denkt dan niet aan Mozes en Aäron die met hun staf Israël hebben doen uittrekken uit het land Egypte, uitleidend uit de slavernij en toeleidend naar de bevrijding? De staf van Mozes sloeg de wateren van de zee uiteen en sloeg water uit de rots ter verkwikking in de woestijn. Met zo’n staf moesten de twaalf twee aan twee door hun eigen land trekken, om de mensen te herinneren vanwaar ze kwamen en waar het met hun leven naartoe moest: een uittocht uit het slavenbestaan op zoek naar het ‘rijk der Vrijheid’ – altijd onderweg tussen de liefde en de leegte…

Des te erger wanneer dan die twaalf eens niet zouden worden geaccepteerd waar zij kwamen. *‘Hij zei verder: Als ge ergens een huis binnengaat, blijft daar tot ge weer afreist. En is er een plaats waar men u niet ontvangt en niet naar u luistert, gaat daar dan weg en schudt het stof van uw voeten als een getuigenis tegen hen.’ *(Mc. 6, 11) want erger kan het niet. U niet ontvangen en geen gehoor geven staat dan gelijk met Mozes verwerpen; naar Mozes niet horen, en daarmee de zonde van de vaderen herhalen. Het betekent: geen volk van bevrijding willen zijn. Het betekent zich niets van de vrijheid aantrekken die aan Gods Volk is beloofd. Het stof van uw wegen is dan zelfs niet waard onder de voeten te kleven van hen die namens God tot u zijn gezonden. Vermaledijd zijn dan uw wegen, vervloekt is de grond waarop gij gaat en staat…

*‘En zij vertrokken om te prediken dat men zich moest bekeren.’ (Mc. 6, 12). *Het is niets minder dan een bekéring, neer je, hoe godvruchtig je ook bent, geroepen wordt tot de láátste dingen, de zaken waar het uiteindelijk op aan komt. Dat wij, heidenen, tot het geloof gekomen zijn, hebben wij dan ook te danken aan een bekeerd Israël. Wij kunnen en mogen het nooit vergeten.

‘En zij dreven veel duivels uit, zalfden veel zieken met olie en genazen hen.( (Mc. 6, 13). Het is maar dat wij die zending van de twaalf, en hun oproep om te doen waar het uiteindelijk op aan komt, niet beschouwen als een soort drijfjacht, een soort oorlogsverklaring aan de vromen en goedgelovigen. Nee, bij de betrachting van de uiterste dingen behoort als vanzelf dat het gebroken leven hèèl wordt, dat er heil geschiedt, dat er olie en zalf, troost en bemoediging en zoveel andere versterkende middelen aangeboden worden voor de verzwakten en gekwetsten…

(uit Tom Naastepad: ‘Menswording’)

Die passage over de zending van de leerlingen bij Marcus – zij is net als Jezus zelf: ‘Hij is voorbijgegaan, een steekvlam in de nacht.’ Als nauwelijks of niet gestolde lava. Of: een woord, zo gevaarlijk dat je het eigenlijk alleen kunt zingen. Een zon die je ogen niet verdragen, tenzij door het roosvenster van glas-in-lood. Mij treffen in die passage over de zending van de twaalf vooral die enkele woorden: *‘Neemt geen voedsel mee voor onderweg, geen reiszak en geen kopergeld in uw gordel…’ (Mc. 6,8)**. Mijn God, wat dan wel? Tot nu toe leek het in onze visie op het ambt vooral te gaan over celibaat en huwelijk. In het evangelie gaat het veel feller over bezit en armoede. Vrij zijn van, ja zeker, maar dat deden de heidenen ook. Maar, vrij zijn vóór, *daar spreekt Jezus over. Over de vereenzelviging met de armen, de niet-hebbers die door het lot zijn getroffen. Geen macht hebben als zendeling en verkondiger, geen eer, geen evenwaardig loon. Dat is in de kerken van alle eeuwen een héél wat hachelijker en goddelijker vraagstuk dan het celibaat. In dit roepingsperspectief kan de herder niets anders dan leven voor en met de armen. Het blijft in dit ogenblik bij spreken in stippellijntjes. In schema’s. Wie zijn de armen? De armen, dat zijn zij die nooit of te nimmer in staat zijn jouw toewijding en jouw talent als pastor te belonen, zelfs niet met de charme van hun dankbaarheid. De armen, dat zijn zij die de hele wereld en ook jou als zogenaamde voorganger niet anders kunnen zien dan vanuit de onderkant, vanuit het souterrain, vanuit de kelder, vanuit de kerker wellicht, vanuit het lot dat hen onverbiddelijk heeft getroffen. En jou meestal niet. Tot hen, voor alle anderen, ben je gezonden. Of je bent überhaupt niet gezonden. Vele herders zijn natuurlijk niet echt gezonden ((sommigen hebben zichzelf ‘geroepen’…). En anders, zonder die armen, zonder vernederden, zonder die door het lot verstomde, wellicht ook religieus verstomde mensen, zijn je ambt en je eucharistie-vieren en je preek gewoon ijdel. De eucharistie is dan niet de Maaltijd Heren. En de preek is dan niet de Verkondiging totdat Hij komt. Ik denk hierbij aan dat fameuze woord van Vincentius à Paulo: ‘Les pauvres, nos maîtres… et… des maîtres si durs…’ – ‘De armen, onze meesters, en zulke harde meesters.’ Zodra jij hun harde eisen niet meer zou voelen als jouw eerste leermeesters vanuit de kelder, misschien van het lot, dan verkeert jouw ambtszegen in haar tegendeel. Dan blijkt ook hij gestolen… En allesbehalve het mooiste beroep ter wereld… Uit Jan van Kilsdonk: ‘Met het licht van jouw ogen… zegen mij’

Geen beurs meenemen, geen extra paar schoenen, geen reistas. Met die raad stuurt Jezus zijn leerlingen de wereld in. Dat staat haaks op het vakantieseizoen waarin de helft van het land rond zeult met koffers, tassen en rugzakken. Bepakt en beladen zwermen ze uit over de hele wereld op zoek naar een andere plek onder de zon. Maar voor de leerlingen van Jezus: geen portemonnee, geen valies, geen extra paar schoenen! Maar hier gaat het niet om een vakantieadvies. Het gaat om een houding die stand houdt ook los van vakantie. Wanneer je het evangelie doorgeeft, vertrouw dan niet op status, op kapitaal of macht, maar op de dingen die er werkelijk toe doen. Dan denk ik: ja, zo was het ook bedoeld. Gods zorg voor de mensen gaat als een bevrijdend woord van mond tot mond, als een lopend vuur tussen mensen. En tegelijkertijd denk ik: wás het maar zo! Want vandaag komt er zo veel meer bij kijken dan toen… We hebben boeken en kranten vol met gedachten over kerk-zijn vandaag, hoe dat moet en vooral hoe dat niet moet. Misschien wel als een excuus omdat de opdracht die in oorsprong zo eenvoudig was, toch te moeilijk bleek voor ons.

Op weg gezonden

Je gaat Hem achterna en ziet de mensen allerwegen. Soms is Hij één van hen, gewoon een man, een vrouw, een kind, alleen maar ergens onderweg. Of Hij staat kwetsbaar aan de kant, met in zijn blik een vraag, een oogopslag van hoop, misschien een toegestoken hand of een vermoeide schouder. Je gaat Hem achterna en zoekt zijn stem tussen de velen. Soms doet het pijn hoezeer de stilte zwijgen kan, terwijl de stenen moesten spreken. Maar toch is Hij nooit ver vandaan, soms achter je, soms naast je. Dan legt Hij over jou zijn kracht. Zijn woord dat zich weer laat verstaan. De warmte van zijn adem. Je gaat Hem achterna. En wordt de mens die Hij geroepen heeft, om onverdeeld voor anderen veelvoud te kunnen zijn, vijf broden en twee vissen. Jouw naam heeft Hij genoemd, om in de vloed te staan van lief en leed. En namens Hem te worden: altijd-iemand-anders-tochtgenoot. Je gaat Hem achterna. En vraagt de zegen van zijn handen om lief te hebben, los te laten, telkens weer te herbeginnen. Dat Hij je wegen toont, zijn schaduw bieden zal en je tot mantel is. Dat Hij je aan mag raken en ten diepste zal beminnen.          Kris Gelaude

JEZUS STUURT ZIJN LEERLINGEN OP WEG

voor een pastorale stage - op sandalen…

Geen zware bottines of legerlaarzen. Sandalen hebben –ondanks alles – iets van lichtvoetigheid. Of van een woestijntocht, een bedevaart op zoek naar toekomst en bevrijding…

samenstelling: geert dedecker

Zoeken in Preken Online