We kennen allemaal het sprookjesachtige, maar waar gebeurde verhaal van Susan Doyle, een nachtegaal uit één of ander boerengat die de harten van menige mensen kon beroeren met de kracht en schoonheid van haar stem toen ze deelnam aan een talenjacht. Sedert ze een hit is op het internet, is het plaatsje waar ze leeft en waar ze leid is van het kerkkoor, op de kaart gezet. En zo wordt dat plaatsje dan overrompeld door de media. Ik heb het allemaal niet echt opgevolgd maar van alles wat ik gehoord of gelezen heb, is er niet één slecht woord over haar gevallen. Altijd weer horen we hoe Susan ondanks haar succes toch altijd dezelfde gewone vrouw gebleven is. De inwoners van haar dorpje zijn fier op de prestaties van ‘hun’ Susan, al vinden sommige de media-aandacht in het anders zo rustige dorpje wel wat vervelend. Helaas heeft al die aandacht en stress haar tol geëist en zit Susan nu in een dipje, maar haar dorpsgenoten blijven achter haar staan. Het moet hartverwarmend zijn als je merkt dat je dorp je door dik en dun blijft steunen, als je het moeilijk hebt. Tom Boonen en Yves Leterme hebben hetzelfde mogen ervaren. Jezus niet, denken we waarschijnlijk als we het evangelie van vandaag horen. Waarom Susan wel en Jezus niet? De verklaring is misschien eenvoudig: Susan is gewoon zichzelf gebleven, men wist al van haar zangtalent. Bij Jezus ligt het anders; Hij is ook zichzelf gebleven maar door op zoek te gaan naar wie Hij ten diepste is en wil zijn, is Hij tot de conclusie gekomen dat God voor Hem een speciale taak heeft weggelegd. Jezus komt niet terug naar zijn vaderstad als een bekende timmerman, maar als iemand die spreekt namens God en dat pikken ze niet. Gaat die Jezus, toch eigenlijk van lage komaf, hen, vrome joden, komen vertellen wat geloven is? Wie denkt Hij wel dat Hij is? Wie denkt Daens wel dat hij is als hij de vrome maar rijke katholieken komt vertellen dat ze verkeerd bezig zijn? Waren die rijke katholieken zo ‘Woeste’ dat ze niet zagen hoe bevrijdend het christendom kan zijn voor alle mensen?
Aanvaarden dat iemand die altijd onder je heeft geleefd, waar je mee hebt gespeeld, geravot, waar je misschien samen nog dadels hebt mee gejat, … een speciale zending heeft gekregen van God, het is niet makkelijk, men is nooit sant in eigen land, zegt men wel eens. Dat heeft bij sommigen te maken met afgunst en jaloezie, maar bij de meesten is het gewoon te moeilijk om je in een nieuwe rol te zien. Het wordt nog moeilijker als je in die nieuwe rol jezelf ook het recht toeeigent nieuwe dingen te brengen, het gewone samenleven, de godsdienstbeleving in vraag te stellen. Godsdienstbeleving in vraag stellen, dat is iets voor de paus, niet voor iemand van ons. En zo komt het dat Jezus bij de zijnen niets kon verrichten, want bij gelijk welk wonder is er geloof nodig, al was het maar om het te kunnen zien.
Maar wat doe je nu met dit verhaal? ‘Geen sant in eigen land’: dat weten we toch al en wat is daar nu “goed nieuws” aan? Wel, misschien kan dit verhaal ons als christenen al eens doen stilstaan bij het wonderbaarlijke dat ook wij verkondigen: een mens, één van ons, was zo intens verbonden met God, dat wij die Zoon van God durven noemen. Van één mens zeggen we dat Hij eigenlijk ook God is. Dit mag voor ons dan heel normaal klinken omdat we weten dat een act van liefde van godswege is, voor andere mensen is dat niet zo: God is god en mensen zijn mensen. We hoeven ons er dus niet over te verwonderen als daar kritische vragen bij gesteld worden of als ons geloof onthaal wordt op scepticisme. Maar ik geloof dat er meer in zit, ja, zelfs dat er een Blijde Boodschap in zit. Want wat andere mensen als aanstootgevend ervaren in onze godsdienst, dat mogen wij gerust als onze sterkte zien. Zoals een verliefd koppel er van droomt ooit het leven met elkaar te kunnen delen, zo is die menslievende God zo gesteld op de mens dat Hij midden onder ons wou komen wonen. Wie wordt niet warm vanbinnen van zoveel liefde? Maar het verhaal daagt ons ook uit gelovig in het leven te staan. Enkel wie open staat voor en durft vertrouwen op andere dimensies in het leven dan diegenen die we kunnen, voelen, ruiken, aanraken, … krijgt oog voor het wonder. Bij de gelovige mens kan het wonder nog een plaats krijgen in het leven, net omdat wij anders, dieper kijken naar mensen en dingen. Vrienden zijn niet zomaar vrienden, het zijn ’engelen’ die God op onze weg laat meegaan. Liefde is niet zomaar iets dat kan herleid worden tot een spel van hormonen, het is het ongelooflijk gevoel te mogen hebben dat er iemand is die je bemint, een afspiegeling van Gods onvoorwaardelijke liefde. Een mens die rekent op onze warmhartigheid is niet zomaar een mens in nood, maar God zelf die ons tot naastenliefde roept, enz …. Bidden wij dat voldoende geloof blijven hebben om de wonderen in deze wereld te kunnen zien, laten we ons niet verblinden door de afkomst, de kledij, de huidskleur van iemand maar luisteren naar wat deze mens voor goeds in zich heeft …