“De God van het leven” 13e zondag d. h. jaar B
Eerste lezing: Wijsheid 1, 13-15;2, 23-24 Evangelie: Mc. 5, 21-43
Predicatie:
Het gebeurt hier wel eens. Een patiënt krijgt slecht nieuws. “We kunnen je niet meer helpen.” “De kanker is volledig uitgezaaid, je hebt slechts nog enkele weken.” “Je zal voortaan moeten leven met een stoma.” Hun vertrouwde leven wordt helemaal overhoop gehooid. Plannen en vooruitzichten worden plotseling nutteloos. Weinig uitzicht. Wat rest er dan nog? Waar komt het dan op aan? De omgeving wordt ook uitgedaagd. “Wat kunnen we nog doen?” “Is er echt geen behandeling meer mogelijk?” Dan komt plotseling de zin van het leven vooral op de voorgrond. “Hoe komt het dat juist mij dit moet overkomen?” Sommigen richten zich tot de hemel en krijgen slechts vragen en geen antwoorden. We staan soms machteloos.
Al deze gevoelens spelen vandaag ook een rol in het evangelie. Het dochtertje van een Schriftgeleerde is zwaar ziek, ligt op sterven. Juist op dat moment is er een zekere Jezus in de buurt. Er wordt van Hem verteld dat Hij zieken kan genezen, lammen kan doen lopen en doven weer kan doen horen. Welke ouder zou zich niet vastgeklampt hebben aan dat kleine stukje hoop dat die figuur van een Jezus misschien kan bieden? Het gebaar van de Schriftgeleerde raakt Jezus. Meestal gaat Hij tegen hen wild te keer, maar dit is een zaak van leven of dood. Dit is veel belangrijker….
Jezus bracht ook veel volk op de been. Heel wat mensen wilden die Jezus wel eens in het echt zien en misschien met een beetje geluk mogen ze een wonder van Hem bijwonen. Wanneer Jaïrus ten tonele komt volgt de massa Jezus naar de ‘sensatie’ van het moment. Misschien had voordien niemand van hen zich de moeite getroost om Jaïrus en zijn dochter hulp aan te bieden zoals bijvoorbeeld wat huishoudelijke taken. Soms laten mensen andere mensen aan hun lot over. Nee,nu valt er wat te gebeuren… dat is veel interessanter dan een naaste nabij zijn. En iedereen probeert een graantje mee te pikken van die wonderman. In de menigte probeert een zieke vrouw de mantel van Jezus aan te raken. Ze doet het in het geniep. Ze heeft schrik van de sensatie, maar misschien ook van Jezus. Misschien weigert Hij wel haar te genezen? En toch gebeurt het wonder en dat tweeledig. De vrouw geneest en tot haar verbazing is Jezus helemaal niet kwaad dat zij zich tot Hem richtte. “Uw geloof heeft U genezen,” zegt Hij, “Ga in vrede!” We hoeven niet bang te zijn om ons te richten tot God. Op één of andere manier wil Hij ons toch antwoord geven op onze noden, soms op onverwachte wijze.
Maar door het oponthoud is het stervende meisje reeds gestorven. Bij de één komt de Heer op tijd, bij de ander te laat. Of toch niet? Jezus daagt de rouwstoet uit. “Wees niet bang, maar blijf geloven! Het kind is niet gestorven, maar slaapt!” Jezus is een man gezonden van God en was reeds als kind heel vertrouwd met de Schrift. Misschien herinnerde Hij de woorden uit het boek Wijsheid wel: “God schept geen behagen in de ondergang van de levenden. God heeft immers de mens geschapen voor de onsterfelijkheid.” Jezus vertegenwoordigt een God van het leven. Zoals alle medewerkers hier in het ziekenhuis dagelijks werken voor het leven van zo vele mensen. En wetenschappers halen het beste uit zichzelf naar boven om nieuwe medicijnen te vinden om de ziekten van onze tijd met man en macht te bestrijden. Maar jammer genoeg komen we voor sommigen misschien te laat en voor anderen wel op tijd. Het mag misschien een schamele troost zijn of slechts een doekje op een zere wonde maar als christenen geloven wij ook in het eeuwig leven. Patiënten die de roep van de overkant reeds horen, nemen vaak heel bewust afscheid van hun dierbaren. Ze zeggen op dat moment vooral waarop het op aankomt: “Heb elkander lief en geniet van alle gezonde dagen!” Patiënten die reeds geliefden aan de overkant hebben, kijken uit naar het weerzien maar hebben verdriet van de geliefden aan deze zijde. Afscheid nemen doet voor iedereen pijn. Als pastor proberen we dan samen met de familie te bidden op een goede reis naar de overkant en geven onze laatste zegenwens mee. We spreken ons geloof uit dat Jezus aan de overkant zegt: “Talïta koemi”, “Meisje of jongen, sta op!” Durven geloven in de overkant is niet eenvoudig maar ik weet en ik voel door mijn werk hier, dat er een overkant is en dat het leven hier op aarde niet eindigt met de dood. En we willen het sterven hier zeker niet minimaliseren, we willen dat iedereen leeft en bij ons kan blijven, maar soms hoort sterven ook bij het leven.
Mijn beste mensen, maar ook wij kunnen aan deze zijde een Jezus zijn die zegt: “Meisje of jongen, sta op!” Vecht voor je leven en tegen je ziekte. We willen je met alle nodige zorgen omringen opdat je al je energie kunt gebruiken om beter te worden. Dat is onze taak hier op aarde, want God schept geen behagen in de ondergang van de levenden. En ja, soms kan er getwijfeld worden aan God. Diezelfde Jezus die vandaag tegen de vrouw zegt: “Uw geloof heeft u genezen,” zei zelf aan het kruis tegen God: “Mijn God, mijn God, waarom heb je mij verlaten?” Soms lijkt het alsof dat we niet bij de mantel van de Heer geraken, maar toch wil Hij op één of andere wijze ons nabij zijn. AMEN.
Paul Renders pastor AZ Turnhout 1/07/2012