12e zondag door het jaar B

B-cyclus · Tijd door het jaar · 12e zondag · groen

Dag iedereen,

bij deze stuur een toespraak door die ik maakte voor de Kerkasielwake morgenavond in Christus Koning Brugge, ter gelegenheid van Wereldvluchtelingendag. Ze vragen mij daar jaar na jaar om dat te doen, en eigenlijk doe ik dat ook heel graag. Omdat ik het graag ’eens zeg’ natuurlijk - en vooral: omdat ik de mensen van de werkgroep SOCK vzw en hun ‘gasten-zonder-papieren’ enorm apprecieer en hoog acht.

Je krijgt de toespraak in twee versies. Een zeer uitgebreide tekst, met alles er op en er aan wat bij mij opkomt wanneer ik het mag hebben over dat wondere verhaal van de jongeman van Naïn. Ik heb daar al zeker honderd keer in allerlei omstandigheden en voor vele soorten publiek mee gewerkt, maar ik had de hele commentaar nog nooit op papier gezet. Nu wel dus.

En voor wie dat van het goeie (?) veel te veel lijkt: een sterk ingekorte tekst voor de eigenlijke toespraak van morgenavond. Ik zal daar ook nog wel één en ander in schrappen. Ik mag de toehoorders aanmoedigen ‘om te blijven voortdoen’ – en er is geen mooiere en meer dankbare opdracht denkbaar dan deze natuurlijk.

Misschien heeft iemand daar iets aan – al was het maar als bezinning bij Wereldvluchtelingen-dag (morgen - 20 juni). Zeker als die op een zondag valt, wordt daar in onze kerken en vieringen weinig aandacht aan geschonken, vrees ik…

Met hartelijke groet - goeie zondag straks. En hou het droog als het kan!

‘We blijven - zeker in het ‘Rijk der Vrijheid’ en in het ’nieuwe normaal’ - meer dan ooit investeren in verbondenheid!’


Omdat de rechten van vrouwen, mannen en kinderen

geschonden worden, blijven wij voortdoen

KERKASIELWAKE

Internationale Dag van de Vluchteling

20 juni 2021 - 20 u

Kerk Christus Koning Brugge

TOESPRAAK

geert dedecker

Om te beginnen:

Een bericht van Els Schelfhout op Facebook – 13 juni 2021

Deze middag waren Leo De Bock en ik in de Begijnhofkerk. De verhalen van de mensen in hongerstaking sneden door ons hart.

Leo maakte een aangrijpende fotoreportage, en ik deel ook zijn woorden:

“(…) Een mens kan niet illegaal zijn.

Wat ik heb gezien en gehoord, heeft mij sterk aangegrepen. De vraag van sommigen om een algemene regularisatie is misschien niet haalbaar. Het plan van staatssecretaris Mahdi is dat evenmin. Vooraleer je stoere taal spreekt, is het aangewezen dat uitwijzing op een rationeel verdedigbare, niet-discriminerende manier en vooral humane manier kan verlopen. Dat is werkelijk absoluut niét het geval.

Het is goed dat de voorzitter van de christendemocraten Joachim Coens bakzeil heeft gehaald en dat artikel 1 van de partijstatuten - “Ieder mens telt” - overeind is gebleven en niet is moeten sneuvelen voor een halfslachtig meritocratisch alternatief. Het is schrijnend en naar mijn mening wraakroepend dat sommige christendemocraten hun wortels verraden. Uit louter electoraal opportunisme? In plaats van pal te staan voor een overtuiging geschraagd door medemenselijkheid. Wie zijn overtuiging gestand doet, zal daarvoor uiteindelijk gewaardeerd worden. Windhanen vallen van torens af.

In De Afspraak op Vrijdag moest Walter Zinzen voormelde voorzitter wijzen op wat het evangelie voorhoudt. En of dat van geen tel meer is dan? Uiterst triest.

OP WEG NAAR PASEN: STAPPEN VAN DOOD NAAR LEVEN…

In die tijd begaf Jezus zich naar een stad die Naïn heette; zijn leerlingen en een grote groep mensen gingen met Hem mee. Hij was juist in de nabijheid van de stadspoort gekomen, toen daar een dode werd uitgedragen, de enige zoon van zijn moeder, en die was weduwe. Een groot aantal mensen uit de stad vergezelde haar. Toen de Heer haar zag voelde Hij medelijden met haar en sprak: “Schrei maar niet.” Daarop trad Hij op de lijkbaar toe en raakte die aan. De dragers bleven staan en Hij sprak: “Jongeman, Ik zeg je: sta op!” De dode kwam overeind zitten en begon te spreken. En Jezus gaf hem aan zijn moeder terug. Allen werden door ontzag bevangen en zij verheerlijkten God en zeiden: “Een groot profeet is onder ons opgestaan”, en: “God heeft genadig neergezien op zijn volk.” En dit verhaal over Hem deed de ronde door heel het Joodse land en de wijde omtrek.

Lucas 7,11-17

Wie in het spoor probeert te lopen van Jezus van Nazareth, moet voortdurend stappen leren zetten van dood naar leven. ‘Je moet opnieuw geboren worden…’ zegt Jezus tot Nicodemus. Geloven is een levenslang geboorteproces, een ware processie van Echternach.

Het verhaal van de jongeman van Naïn (Lukas 7,11-17) wijst ons acht stappen aan om die weg van dood naar leven stap voor stap te gaan. In ons concrete werk van elke dag krijgen we de tijd om elk van die stappen in te oefenen, persoonlijk en in de gemeenschap van de parochie/federatie, beweging of organisatie. Iedere keer wanneer het een beetje lukt, zal zienderogen blijken hoe het straks zienderogen Pasen worden in ons leven…

Er lopen in dit verhaal twee stoeten van mensen rond: een stoet van de dood, en een stoet van het leven…

De stoet van de dood komt uit Naïn – ‘lustoord’, stadje van plezier.

De stoet van het leven komt uit Kafarnaüm – ‘dorp van troost’.

Even actualiseren: die twee stoeten lopen ook op vandaag nog volop rond in onze wereld.

Op het kruispunt waar die twee stoeten op elkaar botsen, moet het gebeuren: mensenvisser spelen – werken aan bevrijding en opstanding uit de dood…

Die hele weg, die overgang, dat ‘pascha van dood naar leven’ wordt in dit verhaal vertolkt in acht stappen – afgeleid van de acht werkwoorden in deze evangelietekst waar Jezus onderwerp van is:

Een kwestie van leven en dood

Het verhaal van de jongeman uit Naïn is het verhaal van twee stoeten die elkaar tegenkomen. Er is de stoet van de dood: een vrouw, een weduwe en haar gestorven zoon op kop. Dat wil zeggen: de dood op zijn scherpst, de dood in-het-drievoud als het ware. Een vrouw, een weduwe dan nog, dat is in de joodse maatschappij van die tijd iemand die helemaal aan de rand staat, hulpeloos is en rechteloos. En haar enige zoon is dood. Dat wil zeggen dat alle perspectief voorgoed verdwenen lijkt. Die vrouw is alle legitimiteit en alle uitzicht op de toekomst kwijt. En achter haar aan: een hele stoet van mensen, een begrafenisstoet.

En daartegenover de stoet van het leven, met Jezus van Nazareth op kop. Hij is de koploper, de voorganger in deze stoet. Hij is hier weer écht op zijn paasbest. Dé levende bij uitstek, de Verrijzenismens. Want in Hem was leven, en Hij was gekomen om leven te geven aan ieder die er om vroeg– en wel in overvloed… (Joh. 10,10). En achter Hem aan komen al die anderen – aarzelend, strompelend, maar onweerstaanbaar aangetrokken door dat leven in die Paasmens Jezus.

Het is een grote verandering als mensen die dood zijn terug levend worden. Het is dé verandering waarover het in de Bijbelse verhalen telkens weer gaat. Overgaan van dood naar leven is een groot wonder. Heel de Bijbel is een les, een leerschool, een soort permanente vorming in strategieën en technieken om die verandering, die overgang, dat wonder te (helpen) realiseren.

De Bijbel is een levens-school in de vorm van vele verhalen. Die vertellen elk op hun manier van een weg, een uit-weg, een exodus. En hoe je op die weg stappen kunt zetten van dood naar leven. Van leven-dat-geen-leven is, naar volheid van leven, leven-in-overvloed, ‘eeuwig leven’… Al die verhalen brengen de paas-gang in kaart, de exodus-route. Eerst dwars door de Rode Zee, doorheen de woestijn, (dat is in moderne termen: de jungle, van Calais en van de Griekse eilanden en Lampedusa, de woestenij, de mensonterende chaos van niemandsland) - naar het Beloofde land, het fameuze ‘Rijk der vrijheid’, het ‘nieuwe normaal’. Die weg passeert in het evangelie langs het verraad van Judas, de slaap van de leerlingen, de verloochening van Petrus en het kruis op Golgotha – maar hij eindigt onbetwijfelbaar zeker in de tuin van Pasen, waar niets anders te zien is dan een weggerolde steen en een leeg graf…

Dood is in de Bijbel een woord voor een manier van bestaan die de naam ‘leven’ niet waard is. Je kunt als mens levend dood zijn. Je kunt op plekken in je lichaam, in je geheugen en geweten, in je hart ‘dood’ zijn. Je kunt in je verleden doodgegaan zijn, en je kunt soms nu al weten dat je in de toekomst dood zult blijven. Wie weet dat niet uit eigen ervaring? ‘Dood’ is dat je verstopt bent, verdoofd, doelloos, eenzaam., zonder hoop. Dat je ziende blind bent, dat je geen vrienden hebt en geen gemeenschap om je heen, dat je niemand bent, Mister Nobody en Rosalie Niemand. Dat je niets te bieden hebt wat interessant is, dat het allemaal geen zin meer heeft, dat je geen kansen krijgt, of omgekeerd: dat je zelf-genoeg-zaam en zelf-voldaan bent, een eiland, een rots…

Leven daarentegen is: open zijn, aanspreekbaar, willen horen en zien. Verantwoordelijk willen zijn, hopen en dromen. Reikhalzen naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Niet berusten in rijk en arm, in onrecht, in het noodlot of in het cynisme en de onverschilligheid. Je leven breken en delen: brood en vriendschap, verdriet en vreugde, tijd en geld en macht. Ja zelfs huis en kluis, je bed en je bad. Leven is: dat de dood geen macht meer over je heeft, je niet meer bang maakt.

‘Leven’ is in het verhaal van de Bijbel óók een woord voor een manier van bestaan. Bereid zijn om te sterven als een graankorrel om vruchtbaar te worden. Leven is vrucht willen dragen, bron van leven voor anderen willen worden. Leven tot bevrijding van anderen. Dan heeft de dood in al zijn vele vormen geen macht meer over jou, en kan je niet meer terroriseren.

Het stadje waar de stoet van de dood vandaan komt, heet ‘Naïn’, en dat betekent “lustoord”, ’de liefelijke plek’, het stadje van plezier. Zo is het ook met onze Westerse maatschappij vandaag. het is allemaal genot, welvaart, luxe, comfort … wat de reclame schreeuwt en wat de buitenkant laat zien. Het ziet er aan de buitenkant erg lief uit. Maar vanbinnen zit het vol met dood. Er is veel verborgen nood en ellende in de huizen van Naïn, ook vandaag in onze maatschappij. ‘Naïn’ produceert tot op vandaag voortdurend stoeten van de dood…

En wie even naar de context kijkt van dit verhaal in het evangelie van Lukas, die zal meteen opmerken dat de evangelist ook duidelijk aangeeft waar de stoet van leven vandaan komt. Dat is met name uit ‘Kafarnaüm’. Jezus woonde daar tijdens zijn zogenaamd openbaar leven ergens in een huis, en in het verhaal dat aan het onze voorafgaat, heeft Hij daar zonet de knecht van een Romeinse honderdman genezen (Lk. 7,1-10). En vanuit Kafarnaüm begaf Hij zich nu naar een stad die ‘Naîn’ heette… (Lk. 7,11).

‘Kafarnaüm’ – ‘letterlijk: ‘Kaper-nahum’ betekent zoiets als: ‘Dorp van troost’. Een dorp/stadje gelegen aan het meer van Gennesareth. Jezus had daar zijn vaste verblijfplaats, van waaruit Hij overal rondtrok om van zijn leven uit te delen aan de mensen.

Uit Naïn komt een stoet van de dood – maar uit Kafarnaüm komt een stoet van leven, uitgaande van het dorp van de troost, met op kop een mensenvisser die gekomen is ‘om te zoeken wie en wat verloren is’…

Jezus kiest er voor om te gaan naar Naïn, naar de stad en naar de stadspoort. Hij gaat naar de plaatsen waar mensen hun harde strijd moeten leveren voor het dagelijks bestaan, voor het leven en overleven. Hij kon er ook voorbij gegaan zijn maar dat deed Hij niet. Daar zullen de christenen en kerkmensen niet afwezig zijn.

Hoe belangrijk is het voor de stad ‘Naïn’ als daar ergens in de buurt een geëngageerde groep christenen woont, en als ze bereid zijn om dag na dag met hun stoet van leven naar de stad en naar de stadspoort te gaan, om daar zorgvuldig te gaan zoeken wie verloren is. Als onze Kerk nu eens zó zou zijn, en onze christelijke gemeenschappen. Dan zou je het al snel gaan horen: ‘Ze stonden in de gunst bij het gehele volk…’ (Hand. 2,47) En als die christenen zich dan ook nog een duidelijke plaats willen zoeken in de stadspoort. Op de plaatsen in onze maatschappij waar de beslissingen vallen, waar recht moet geschieden, waar ‘weduwen en wezen’ moeten gerespecteerd worden en in ere hersteld, waar doden moeten opgewekt worden, lammen in beweging gezet, blinden ziende moeten worden, doven moeten kunnen horen en stom gemaakte mensen een stem moeten krijgen… Kerk en evangelie nadrukkelijk aanwezig in de media en journalistiek, in de politiek en economie, in sociale voorzieningen en in opvangtehuizen, in asielcentra en op de Dienst Vreemdelingenzaken…

Met hoevelen zijn wij als ‘gelovigen’ (nog) in deze wereld? Niemand weet het. Maar zoveel is zeker: we vormen een lange stoet, de eeuwen door, de toekomst in. Jezus van Nazareth werd in de kring van zijn eerste volgelingen de ‘koploper’ van deze stoet genoemd, de eerstgeborene, de eerste nieuwgeborene van zeer velen. Allen die meestappen in die stoet van leven zijn Paasmensen, opstandige mensen, Verrijzenismensen, die er op uit zijn ‘leven in overvloed te geven aan zovelen’ (Joh. 10,10).

De aanwezigheid is de eerste stap op de -weg van dood naar leven. We moeten als Kerk nog veel duidelijker en consequenter naar de stad gaan en naar de stadspoort. Onze roeping ligt bij de armen, de treurenden, de uitgeslotenen, de weduwen en wezen – zo noemt de Bijbel dat – zij die geen rechten hebben en geen papieren, zij die niet meetellen, geen kansen krijgen en niet mee mogen doen.

Wij mogen in onze Kerk niet blijven steken in allerlei kleine groepjes en ‘clubjes’; wij mogen ons niet installeren in onze bezinning- of gebedsgroep. Het is goed dat dit allemaal bestaat; het is zelfs wezenlijk belangrijk en onontbeerlijk voor het blijven voortbestaan van elk ‘Kafarnaüm’. Waar zouden wij anders onze ‘troost’ en onze kracht en energie blijven halen om te doen wat we doen? Zonder ergens een huis en een plek in Kafarnaüm hou je het niet uit. Maar vanuit dat Kafarnaüm moeten we telkens weer optrekken naar Naïn, naar de stad en naar de stadspoort, waar de stoet van de dood dag na dag naar buiten komt. Christen zijn is: élke stoet van de dood blijven trotseren…

(We moeten nu al, op het einde (?) van de corona-pandemie, en straks in het ‘nieuwe normaal’ en in het weer onbeperkte ‘rijk van de vrijheid’, niet heel erg oppassen dat we niet in de valstrik lopen van een kerk die zich op zichzelf terugplooit en zich op haar binnenkerkelijke problemen concentreert. De strijd voor recht en gerechtigheid moet op de eerste plaats gevoerd worden in de burgerlijke samenleving. De strijd die binnen de kerk gevoerd wordt om te overleven, is altijd van ondergeschikt belang. Meestal gaat het trouwens om achterhoedegevechten. We mogen de prioriteiten niet omkeren. Niet het leven en overleven van de kerk als kerk is belangrijk – maar het groeien van het Rijk Gods waar plaats is en menswaardig leven voor iedereen. ‘Als de kerk niet dient, dient ze tot niets…’ heeft Jacques Gaillot, de uitgesloten bisschop van Partenia ons geleerd.)

Kruispunten en rotondes

Op het kruispunt in het verhaal, waar die twee stoeten op elkaar botsen, moet het gebeuren: mensenvisser spelen – werken aan bevrijding en opstanding uit de dood…

Hoor Israël!

Heden stel Ik u voor ogen: dood en leven, zegen en vloek.

Kies voor het leven.

Als gij gaat op de weg van Mijn Woord, zult gij leven,

gij en uw kinderen, van geslacht op geslacht.

Heb liefde tot uw naaste, die is als gij.

Want de Heer die uw God is, Hij doet recht aan weduwe en wees.

Hij heeft de vreemdeling lief, Hij geeft hem brood en kleding.

Dit zijn een paar fragmenten uit het aloude Joodse Sjema-gebed. Zij vormen de kortste samenvatting en de meest concrete toespitsing van de bijbelse levensleer. Om te weten wat liefde is, godsdienst èn mensendienst, moet je je wagen aan de moeilijkste liefde: de liefde tot de zwaksten, zegt de Schrift. Wanneer je in contact komt met de armsten, wordt het ineens duidelijk hoe concreet de oproep van de Bijbel tot liefde is, en wat dat behelst, ‘recht doen’ aan mensen.

Deze woorden moet je horen en blijven horen; zegt de schrijver van Deuteronomium. Je moet ze ter harte en ter ziele nemen, je moet ze laten doordringen tot alle vezels van je hart en je geweten. Die woorden, en geen andere, moet je aan je kinderen leren en ze altijd en overal herhalen: thuis, onderweg, ’s morgens en ’s avonds. Je moet ze als een snoer op je voorhoofd binden, een richtsnoer voor je denken. Plaats ze vlak bij je ogen als een bril, een contact-lens, waardoor je de werkelijkheid onder ogen ziet; een denkraam, een verrekijker, een wereldvisie.

En je moet ze griffen in de stijlen van je huisdeur, de toegangspoort tot je eigen binnenwereld. Ook die moet er door getekend zijn. Net als de handpalmen waarmee je alles doet: brood kneden, je kinderen instoppen, geld ontvangen en geld weer weggeven.

Als je dat allemaal doet, dan zullen je levensdagen zich vermeerderen, en die van je kinderen. Je zult bloeien als bomen aan de bron, je zult de dood niet meer kennen, je ontvangt het eeuwige leven, nu al, in deze tijd… Dat beloven deze woorden uit het oude Joodse boek Deuteronomium. ‘Sjema Israël, Hoor Israël!’

Dit woord over de liefde tot de minsten is geen bevel, maar een voorbede van Godswege aan ons gericht. Het smeekt ons, het schreeuwt en bidt in ons en probeert ons te overhalen om mee te doen en voor het leven te kiezen. Dit woord zegt wel nadrukkelijk dat je kùnt kiezen: voor de dood, of voor het leven. Kiezen voor de dood, is berusten in de gewone gang van zaken – het bestaan zoals het gaat; je schikken, niet terugvechten, niet hopen en geloven. Denken vanuit de dood en naar de dood toe. Kiezen voor het leven is: denken vanuit de hoop, de toekomst die vandaag begint. ’Kies dan het leven, opdat je leven zult, jij en je kinderen’, zegt het grote Bijbelse verhaal…

Monseigneur Romero heeft gezegd dat dit precies de fundamentele optie is voor elke christen: ons engagement ten voordele van het leven telkens weer te hernieuwen. ‘Ofwel staan we aan de kant van het leven en aan de kant van het Salvadoraanse volk’, zei hij, ‘ofwel zijn we medeplichtig aan zijn dood.’ En hij voegde er aan toe dat er in dit geval geen neutraliteit bestaat… (uit het dagboek van Piet Declercq in Centraal Amerika Info 40° jg. nr. 4 - okt./nov./dec. 2011)

‘We moeten weer burgers worden, die onze stemmen verheffen en verbolgen zijn over het feit dat met onszelf en met anderen wordt gesold: de miserabele behandeling van migranten, de excessen van het financiële kapitalisme, de graaizucht van de banken, de groeiende kloof tussen arm en rijk, het Israëlische beleid in Gaza, het lot van de Palestijnen, de vernietiging van het milieu, de uitstoting van zigeuners.

We mogen geen leven en maatschappij aanvaarden waarin geld en profijt alles dicteren.

Voor onverschilligheid is geen ruimte…’

(Stéphane Hessel – inspirator en bezieler van de ‘Indignados’ – enkele jaren geleden op 95-jarige leeftijd overleden)

De Bijbel is grotendeels geschreven vanuit vastgelopen situaties: Egyptische slavernij en Babylonische ballingschap. ‘Egypte’ en ‘Babylon’ moeten natuurlijk vertaald worden naar onze eigen situatie: naar alle soorten van verslaving en ontheemding, een vastgelopen relatie, een mislukte studie, een verloren jeugd, depressie, je asielaanvraag voor de tiende keer afgewezen.

Daarover gaat het dan, voor die situaties heeft de bijbel woorden, verhalen, aanwijzingen. En er wordt ook altijd naar een uitweg gezocht; niet van boven af, door een ingrijpende God, maar van binnen uit, op eigen menskracht. Mensen worden telkens opgeroepen om zichzelf en anderen te bevrijden uit slavernij, ballingschap, illegaliteit, uitzichtloosheid. Hoe? Door te gáán. Door er voor te gaan, zeggen we tegenwoordig. ‘Gáán’ is een bijbels kernwoord…

Gáán? Wie durft? Waarheen, hoe? Er wordt een weg gewezen, een veilige weg. ‘Tora’ heet die weg in het Hebreeuws, een weg die je gaandeweg kunt leren. Dan blijk je op zekere dag ineens een wachtwoord te hebben, een sleutel om de gesloten toekomst open te breken. En iemand anders heeft iets eetbaars voor onderweg, wat manna, een droom, een profetisch visioen, een veldfles hoop, een rantsoen vertrouwen. ‘Ik zie een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zonder dood en zonder tranen.’ Een ander herinnert zich bijbelse liederen uit de tempel, de psalmen: ‘Hij is mijn herder,’ of: ‘Uit diepten van ellende roep ik u…’

En langzaam maar zeker komt er een beweging op gang: tien, twintig gáán, of een of honderdduizend. Je hoeft dus in elk geval nooit alleen te gaan. ‘You never walk alone…’ Je maakt deel uit van een oeroude stoet, een optocht, een demonstratie tegen de dood, tegen de uitsluiting, tegen een wereld die niet gastvrij is en voor vele mensen onherbergzaam…

Het leven kiezen

en niet de dood, dat is instemmen met het grote ja

tegenover het leven… Wij zijn geneigd het leven te beamen

in bepaalde situaties, onder zekere voorwaarden,

bijvoorbeeld als het jong, gezond, mooi en energiek is. Het ja in de empatische bijbelse zin

is een onvoorwaardelijk ja. Het geldt ook bij ziekte en sterven, en het geldt met name voor hen

die zo lang geminacht en genegeerd werden

dat ze er zich bij neerlegden. Het leven kiezen is juist dat je je niet neerlegt

bij de vanzelfsprekende levensvernietiging om je heen en bij het vanzelfsprekend cynisme dat daarmee gepaard gaat. Het leven kiezen heet in de christelijke traditie: geloven.

En dat in de existentiële zin van vertrouwen

en niet in de rationele zin van als-waar-aannemen.

Dorothee Sölle in ‘Kies het leven’

Ieder van ons hier aanwezig zou willen bijdragen aan die tegenkracht, al doende wat hij of zij kan, daar waar hij is, waar zij moet zijn, mag zijn. Je hoopt dat het goede dat in jou is, zich voegt bij alle solidariteit en trouw die mensen elkaar betonen, overal in deze wereld, tot een tegenbeweging tegen de dood. Je wil een stoet van leven vormen die de confrontatie aangaat met de stoet van de dood. Het klinkt onmogelijk, maar misschien is het dat niet.

Sterven zal je ooit.

Maar vandaag

en god weet morgen

kun je leven, doen, zien.

Iemand voor iemand zijn

misschien.

En het verschil maken, toch,

tussen inwisselbaar uniek

en om het even

tussen dood en leven.

(Huub Oosterhuis)

Acht werkwoorden in dit verhaal – acht stappen van dood naar leven.

Het verhaal van de opwekking van de jongeman uit Naïn is een uitstekend voorbeeld, een soort pedagogie in beknopte, verdichte vorm van hoe zich dat wonder van de verandering van dood naar leven kan voltrekken. Het staat in het evangelie van Lucas, hoofdstuk 7, verzen 11 tot en met 17. In dit verhaal is Jezus de hoofdpersoon en van Hem worden acht stappen verteld - acht werkwoorden - die de hele weg beschrijven die leiden kan naar dat wonder: dat een ‘dode’ levend wordt; dat een mens eindelijk of op-nieuw ‘mens’ begint te worden.

Het zijn heel gewone werkwoorden – geloven speelt zich immers af in het doodgewone leven van alledag – en het zijn werkwoorden. Want geloven is een kwestie van praktijk, van handelen, veem méér dan van theorie en theologie en veel grote woorden. Maar als die heel gewone werkwoorden ingevuld worden met ‘dagelijks werk’ door mensen die er werk willen van maken, als ze ingevuld worden met profetische kracht, kunnen ze wonderen tot stand brengen. Dit was zo in de tijd van Jezus en dit is nu nog zo.

De eerste handeling van Jezus is dat Hij naar de stad gaat en zich een plaats zoekt in de nabijheid van de stadspoort. NAAR DE STAD GAAN, AANWEZIG ZIJN, ER ZIJN…

De stad is de plaats waar het leven van de mensen zich afspeelt. De mensen wonen daar samen, dicht opeen. Vele mensen komen naar de stad afgezakt om er een nieuw leven te beginnen. Maar zo gemakkelijk is het er niet, dikwijls komen zij van de regen in de drop.

En de stadspoort is, in de tijd van Jezus, het zenuwcentrum van het menselijk verkeer en van het komen gaan van de mensen. Daar, in de stadspoort, wordt handel gedreven en commerce gedaan; daar worden de gebeurtenissen van de dag besproken, daar wordt overlegd, gedebatteerd en geredetwist; daar worden de politieke keuzes gemaakt en vallen de beslissingen.(Deut. 10,18) Daar wordt de rechtspraak uitgeoefend (Deut. 17,8) – daar moest dus ook recht gedaan worden aan ‘weduwen en wezen’…Daar zijn vooral de ‘oudsten’ gezeten’, de zogenaamde ‘wijzen’, naar wie geluisterd wordt en wier stem doorslaggevend is. Daar wordt het mensen toegepast of met de voeten getreden; daar wordt geoordeeld over leven en dood…

De tweede handeling van Jezus is: zien. ZIEN WAAR DE DOOD TOESLAAT EN WIE IN NAÏN OP ÉÉN OF ANDERE MANIER DOODGAAT OF OP SOMMIGE PLEKKEN VAN ZIJN BESTAAN REEDS DOOD IS…

Jezus kijkt toe en hij ziet de ellende en het lijden van de weduwe, die haar enige zoon naar het graf brengt, omringd door een groot aantal mensen uit de stad. De weduwe en de groep rondom haar staan voor de lijdende mens, de uitgestotene, de gebroken mens. Het is de mens die sterft omdat hij niet ten volle mens kan zijn. Het valt op dat het zo stil is in deze begrafenisstoet. Niemand vraagt iets, niemand roept om hulp. Ze zijn zo verwond dat ze niet eens meer weten wat ze zouden vragen. Het lijden en het onrecht, het verdriet en de pijn heelt hen monddood gemaakt. Het zou mogelijk zijn het hoofd af te wenden om niets te moeten zien. Een kristen doet dat niet, hij ziet. Het is belangrijk dat we dit zien Ieren, Ieren kijken naar de noden in onze maatschappij. De analyse ervan is toch een heel belangrijk element in de pedagogie van de verandering.

Het derde werkwoord van Jezus is: medelijden voelen, het zich aantrekken. MEDE-LIJDEN VOELEN. BARMHARTIG ZIJN EN HET JE AANTREKKEN…

Jezus moet een hartstochtelijk en gevoelig man geweest zijn. . Hier en op zovele plaatsen in het evangelie wordt Hij tot in het diepste van zijn gemoed geraakt. Er is niets wat hem onverschillig laat. Er gebeurt dus iets in Jezus: Hij lijdt mee met mensen. Omwille van het lijden van de mensen, wordt Hij de Lijdende Dienaar bij uitstek. In dit medelijden zit de kern van de dynamiek waarmee Hij het lijden zal meedragen. Wanneer je je engageert in het leven, dan moet dat gebeuren vanuit een eerbiedig medelijden: je moet het je aantrekken; je moet proberen in de schoenen van die andere te gaan staan; het lijden van de andere moet door je heen gaan.

Karel Staes schrijft (in Wereldwijd – april 1983, p. 7):

‘Je moet aangesproken worden, huiveren, tot in je hart geraakt zijn, om deel te hebben aan het gebeuren van de wereld. Alleen wat je gevoeld hebt met heel je wezen hebt geproefd is blijvend en onuitwisbaar.

Wij hebben in onze maatschappij alles geabstraheerd, vertheoretiseerd, gereduceerd… wij spreken en denken nog zoveel over wat wij niet kennen. Over ‘de vluchtelingenproblematiek’ en ‘het migrantenvraagstuk’ bijvoorbeeld; over ‘de honger’ en ‘het onrecht’, over armoede, oorlog en geweld…

Alleen over datgene waarbij je gehuiverd hebt in zo’n ontroering en bewogenheid dat je hart het diepste van zin of onzin herkent, alleen over datgene waarbij je gekwetst wordt ten dode – alleen dààrover mag je spreken.

En wellicht zwijg je dan, of weeg je de woorden in huiverende eerbied. Want je woorden worden dan alleen maar echo’s van het on-eindige, het on-zegbare… telkens weer ontdek ik dat hèt woord van herkenning ‘huiveren’ is…’

Het vierde werkwoord van Jezus is: het spreken van een woord van troost. TROOSTEN, VERBONDENHEID SCHEPPEN, EEN RUSTPAUZE CREËREN, EEN HUIS EN EEN THUIS AANBIEDEN. BBB+ BIJVOORBEELD

Die eenvoudige woorden: “Schrei maar niet”. Iemand die zelf zo diep geraakt is dat hij mee geweend heeft, mag deze woorden uitspreken. Anders zouden ze heel goedkoop en zeer oppervlakkig klinken. en het tegendeel van troost zijn. Echte troost is noodzakelijk voor een mens die lijdt. Ze heft zijn diepe eenzaamheid op. Eenzaamheid is de plaats waar we niet meer getroost kunnen worden, dan vereenzamen we en kwijnen weg. Vanuit het milde samenzijn geeft troost kracht en moed. Het gekwetste riet wordt niet gebroken en de kwijnende vlaspit wordt aangewakkerd. Zo is de troost een onmisbaar element in de pedagogie van de verandering.

Dan komt de vijfde handeling van Jezus: Hij houdt de stoet van de dood tegen**. DE STOET VAN DE DOOD TEGENHOUDEN EN DE DRAGERS STAANDE HOUDEN.**

Het gaat steeds maar crescendo. Je ziet het zo gebeuren. Twee groepen staan tegenover elkaar. De weduwe en de vele mensen die haar vergezellen enerzijds en Jezus met zijn leerlingen en een grote groep mensen anderzijds. Wat doet Jezus nu? Hij verlaat zijn groep en gaat naar de andere groep. Hij maakt zich blijkbaar geen zorgen over de reacties in zijn eigen groep. Hij weet dat zijn plaats nu is bij de mensen die het moeilijk hebben. Hij blijft er niet aan de rand staan, maar vindt zijn weg tot bij de lijkbaar: teken van de harde realiteit waardoor deze mensen geslagen zijn. Je eigen vertrouwde omgeving, je vrienden, je sympathisanten moet je soms loslaten en achterlaten, wanneer je consequent wil kiezen tegen de dood, en voor het leven. Je roeping ligt elders, bij de armen en de treurenden, bij hen die uitgesloten en van hun mensenrechten beroofd zijn. Zonder deze concrete stappen naar hen toe, kan er nooit van verandering sprake zijn. Zonder dit ‘ver-staan’ – dat betekent: het op een andere plaats gaan staan; jouw eigen(gereide) standpunt verlaten en je aan hun kant plaatsen en hun stand-punt proberen in te nemen.

Er staat hier in de tekst ook letterlijk: Hij hield de dragers staande… En dat klinkt in onze taal alvast prachtig dubbelzinnig. Jezus hield de stoet tegen en deed hen stoppen – ja, maar vooral en tegelijk: Hij zorgde ervoor dat die dragers stàànde bleven, dat ze niet bij de pakken gingen zitten, dat ze zich niet neerlegden bij de dood…

Wie zijn die dragers die deze jongeman tot op het laatste zijn blijven ondersteunen, die het voor hem hebben ‘opgenomen’ en hem niet hebben laten vallen toen het slecht met hem ging? Wij moeten die dragers in de samenleving op het spoor proberen te komen; hen bedanken en bemoedigen, kracht en energie proberen te geven, blijven vormen, hen verbinden ook in een groot en stevig netwerk. We moeten er mee helpen voor zorgen dat ze rechtop blijven en niet door de knieëngaan onder het gewicht van de loden dodenlast die ze dragen.

En we moeten zelf zulke dragers worden. Buddy’s en omarmers, vrijwilligers én professionelen samen, die bestendig zoeken om zelf aan draagkracht en veerkracht te winnen en van daaruit betere materiële en psychische ondersteuning te bieden aan wie hen nodig heeft. Er zijn dragers van leven nodig – want niemand kan geboren worden zonder dat hij of zij eerst negen maanden lang (bijbels gesproken: zeven keren veertig) door een ander mens, zijn moeder, gedragen is.

Het zesde wat Jezus doet is: het aanraken van de lijkbaar. AANRAKEN, JE HANDEN VUIL MAKEN AAN DE DOOD, SOLIDAIR ZIJN…

Aanraken wil zeggen: verbondenheid zoeken, solidair zijn. Jezus blijft niet afstandelijk, maar solidariseert zich. Zijn engagement is solidariteit en zijn solidariteit mondt uit in concreet engagement. Dit heeft zijn consequenties. Want volgens de heersende wetten en voorschriften in Israël wordt Jezus onrein, door het aanraken van een lijkbaar en een dode. Wie zich solidair verklaart, wie zich engageert maakt zijn handen vuil, verbrandt zijn vingers. Hij zal vaak door de goegemeente, door de weldenkende burger en misschien zelfs door de ‘goede katholiek’ in de marge worden geduwd, een beetje voor ‘gek’ of ‘fanatiek’ worden verklaard. Alleen wie zich niet engageert kan rustig van op een afstand toekijken, oordelen en veroordelen.

Wie zich engageert met de lijdende mens zal door sommigen als onrein, als niet meer behorend tot de ‘goegemeente’ worden bestempeld. Het aanraken van het lijden brengt mee dat je bepaalde wetten en wetmatigheden moet doorbreken. Maar Jezus is er niet voor de wetten, maar voor de mensen. Solidariteit wekt krachten op die de mensen uit hun isolement halen en hun angst doorbreken. Mensen die tot dan ieder voor zichzelf op zoek waren naar wat uitkomst, worden bondgenoten in een gemeenschappelijke strijd.

Het zevende werkwoord van Jezus is: oproepen tot leven, tot bevrijding en opstanding. MEE-WERKEN AAN BEVRIJDING, OPSTANDING. TOEKOMSTPERSPECTIEF. ELKAAR HET LEVEN AANDOEN IPV. DE DOOD…

Hij sprak: “Jongeman, Ik zeg je, sta op!” Ons doen en laten in de Kerk en in de maatschappij moet spreken van ons geloof in bevrijding en verrijzenis. Het moet aan elke mens gezegd worden dat hij mag en kan opstaan. Wat er in het leven ook is voorgevallen, nieuw leven is mogelijk. Je mag altijd herbeginnen.

Er is geen krachtiger woord dan het woord van de bevestiging. “Ik geloof in jou. Jij bent de moeite waard; ook jij bent mens en ‘kind van God’. Je verdient een plaats in deze wereld; je hebt een opdracht en een roeping. Je bent niet gemaakt om levende dood te zijn - – wij zien toekomst voor jou en samen met jou…

Geloven betekent: oproepen, aanspreken, uitnodigen en een uitnodiging schept altijd vrijheid. Ik geloof in een kerk die niet vastzet, maar vrij maakt. Die niet veroordeelt, maar vrij spreekt. Die niet dood maakt en dood zwijgt, maar leven geeft. Zonder geloof van de anderen is er voor de mens niets mogelijk, door het geloof van de anderen kan de mens in zichzelf gaan geloven.

Die overgang van dood naar leven, die doorbraak van een nieuwe manier van mens kunnen en mogen zijn, dat wordt in de Bijbel genoemd: ‘opstanding uit de doden’. Toon Hermans heeft zo’n versje dat je soms op een overlijdensbericht vindt: ‘Sterven doe je niet ineens, maar af en toe een beetje…’ dat klopt. Maar dan kan en moet je evengoed zeggen: ‘Verrijzen, opstaan, op-nieuw tot leven komen, dat doe je niet ineens maar af en toe een beetje…’

Je zou eens moeten onderstrepen in het evangelie hoe dikwijls er van Jezus wordt gezegd dat Hij opstond… en hoe dikwijls Hij mensen heeft geholpen om op te staan.

Ja waarlijk, Jezus van Nazareth was een opstandig man, en het evangelie is een opstandig boek…

Als achtste en laatste handeling geeft Jezus die zoon terug aan zijn moeder. MENSEN ALS OP-NIEUW GEBOREN AAN ZICHZELF, AAN HET LEVEN, AAN DE TOEKOMST… TERUGGEVEN. ‘MENSEN VAN JE WEG LEREN BEMINNEN’…

Dat betekent bijna letterlijk dat die jongen opnieuw geboren wordt, zoals een pasgeboren kind aan de moeder wordt gegeven. Jezus legt geen beslag op deze jongeman. Hij geeft hem zelfs geen goede raad of waarschuwing. Hij laat hem helemaal los, geeft hem uit handen, geeft hem aan het leven, aan zijn situatie terug

Niet alleen de jongeman, maar ook zijn moeder krijgt weer toekomst. Deze opwekking ten leven door Jezus is geen demonstratie van bovenmenselijke en bovenaardse krachten. Het gaat hier niet om een zogenaamd ‘mirakel’. Het belangrijkste is dat deze twee mensen elkaar terugvinden en weer ten volle kunnen leven, de toekomst tegemoet. De dood had het leven van deze beide mensen verwoest. Jezus schenkt hen nieuw leven, Hij herstelt hun relatie en geeft hen zo de kans opnieuw perspectief te zien.

Dat zal Jezus altijd weer blijven doen, tot onder het kruis: mensen aan mensen toevertrouwen; mensen van het leven is afgepakt het leven teruggeven; verbinden in plaats van te scheiden; bruggen slaan in plaats van muren op te trekken; toegang, vrijheid en levensruimte scheppen in plaats van grenzen te sluiten; waar men liever ‘mensenvisser’ speelt dan mensen in de Middellandse zee te laten verdrinken; waar men oases van leven probeert te creëren in plaats van kampen en getto’s in te richten; gemeenschap sticht in plaats van ieder voor zichzelf te leven; het recht van de zwakste laat gelden in plaats van de wet van de jungle waar per definitie altijd de sterkste regeert…

Want ‘Ik ben gekomen opdat ze leven zouden hebben – en wel: leven in overvloed… (Joh. 10, 10)

Aanwezig zijn, de noden zien, door medelijden tot in het diepst van je ziel geraakt worden, troosten, stappen zetten naar de lijdende mensen toe, zich solidariseren, het uitspreken van het geloof en elke vorm van beslag leggen vermijden, zijn de acht werkwoorden van een pedagogie die wonderen tot stand kan brengen. Iedereen herkent daarin profetische handelingen, waardoor de verandering van dood naar leven gerealiseerd wordt. In deze pedagogie van de verandering wordt het duidelijk dat God genadig neerziet op zijn volk.

Met inspiratie van lang geleden uit Johnny De Mot / Frans van Steenbergen

In ‘De Vijgeboom’, jg. 11, nr. 65 – oktober 1986

Om af te sluiten: De Optocht – Stef Bos

Ik zie de jaren van mijn leven als een optocht langs mij gaan

Ik zie het vallen van de muur, de eerste mannen op de maan

Ik hoor mezelf met overtuiging schreeuwen dat het stil moet zijn

Ik zie de toekomst In de verte, de oude man komt dichterbij

Ik zie de liefde van mijn leven, ik zie het vuur dat is gedoofd

Ik weet wat ik heb gegeven, maar ik weet ook wat ik heb beloofd

Ik zie de hel, ik zie de hemel. Ik zie de duivel, ik zie God Zie de verwarring van de man die heeft gevonden wat hij zocht

Ik zie de man die om zich heen kijkt en besluit om stil te staan

Want hij twijfelt aan de richting die de optocht in wil slaan

Want de wereld draait en draait maar door niemand weet waarheen, niemand weet waarvoor

Ik zie de lucht in lichterlaaie, ik zie de zon die ondergaat

Ik hoor de stilte die kon vallen in mijn dorp hier ver vandaan

Ik zie een lange rij van mensen tot ver in de verleden tijd

Ik hoor ze denken, hoor ze praten en ik hoor een deel van mij

Ik zie de onmacht en verwarring, achteraan daar In de rij

Waar de dood altijd zijn slag slaat, waar soms iemand achter blijft

Ik zie de vastberaden eenling die zich door de massa wringt

Hij wil niet mee met de vooruitgang dus hij gaat er tegenin

Zoals de man die maar blijft vechten met de molens in de wind

Die de hemel blijft bestormen, ook al wordt hij door de zon verblind

Ik zie mezelf als een van velen in de stoet ten onder gaan maar iemand neemt de fakkel over en begint van voor af aan

Als hij verder gaat en leeft zoals nog niemand heeft geleefd

Dan is alles niet voor niets geweest

Want de wereld draait en draait maar door

niemand weet waarheen, niemand weet waarvoor

En de optocht blijft maar doorgaan, want er is altijd land in zicht

Ik zie de denker in het donker, ik zie de spreker in het licht

Roger Ponseele, al meer dan vijftig jaar in

El Salvador als priester werkzaam tussen

de armen, zei in de Vredeswake in

Langemark rond het thema ‘Armoede, we

nemen er geen vrede mee!’:

Dit hebben de armen me geleerd:

Het is beter je hart te vullen met hoop,

dan met ontmoediging en wrok.

Het is beter dingen samen te doen, dan

elk voor zich.

Er is een negende zaligspreking: Zalig de koppigaards die altijd voortdoen!

**“Een student wilde weten of ik dan nooit de moed verloor. Ik zei van ja. Er bestaan onduldbare onrechtvaardige situaties waar niets beweegt. Maar in de verenigingen waarin ik actief ben stel ik gelukkig vast dat we nooit allemaal op hetzelfde moment de moed kwijt zijn. Als de ene er genoeg van heeft en ermee wil ophouden, is er een ander die zich opricht en verder gaat. Daarom is het belangrijk niet alléén te blijven. Hoop is iets wat men sàmen draagt.” **

(Mgr. Jacques Gaillot in Partenia – 6° jg. nr. 22 – juli 2001)

Bedankt aan allen die zich hier in SOCK met hart en ziel blijven inzetten voor de opvang en het begeleiden van al deze mensen zonder papieren. Dank u wel, en hopelijk gaat er niets verloren van alle energie en alle goede wil die jullie in deze mensen hebben geïnvesteerd. In elk geval, dank zij jullie heeft Vlaanderen, heeft België, heeft Europa voor al deze mensen ‘uit den vreemde’ een naam, een hart en een gezicht gekregen. Duizend keer bedankt, en voort doen asjeblief, niet opgeven, voort blijven doen!

En dan laatst maar zeker niet in het minst: een ongelofelijk dankjewel aan al die mensen zonder papieren zelf. Jullie hebben ons zoveel gegeven en geleerd in de voorbije jaren. Wij hebben dankzij jullie eindelijk weer een beetje het beste van onszelf en van ons volk ontdekt. Echt waar, wij zijn zò niet, zo onvriendelijk en zo ongastvrij als men het jullie officieel wil doen geloven. Wij zijn geen individualisten, wij zijn geen egoïsten, wij zijn geen racisten, wij zijn geen onverdraagzame mensen. In elk geval – toch lang niet allemaal. Maar dank zij jullie hebben wij dat op-nieuw ontdekt. Jullie hebben ons weer de oude vertrouwde waarden leren in praktijk brengen: dankbaarheid, eenvoud, vechtlust om te overleven, creativiteit en contentement, optimisme en levenslust, doorzettingsvermogen en hoop op nieuwe toekomst ondanks alles. En je moet weten voorgoed, wat er ook gebeurt: ‘You never walk alone…!’

Leg de toekomst niet

in de handen van de wanhopigen

Ondanks alle lijden

blijf hopen

Ondanks alle oorlogen

blijf hopen

Ondanks alle geweld

blijf hopen

En zeg altijd: ‘En toch!’

(naar David Grossman)

geert dedecker

Zoeken in Preken Online