12e zondag door het jaar Cyclus B 2012 2 Kor 5, 14-17
Mk 4, 35-41
-Waarom geloven jullie nog steeds niet?-
Beste vrienden,
Niet alle leerlingen die toen met Jezus in de boot zaten waren vissers, maar het waren wel allemaal kerels met voldoende ervaring. Ze hadden een vermoeiende dag achter zich, met heel wat ontmoetingen en belevenissen. Nu waren ze aan rust toe, en daarom voeren ze naar de overkant van het meer. Op het water zijn en met het water leven, daarmee waren ze vertrouwd. En van de vissers die mee in de boot zaten mocht men toch zeker veronderstellen dat ze met de plaatselijke omstandigheden en met de grillen van het meer van Genesareth vertrouwd zouden zijn. Het type van weer, met veel wind en storm, waarvan het evangelie bericht, komt daar dikwijls voor. Als de temperatuur tegen de avond daalt ontstaan er valwinden die zich van de omringende bergen neerstorten en er toe leiden dat het gladde oppervlak van het meer onrustig wordt en er hoge golven ontstaan. De centrale boodschap van het evangelie van vandaag is voor mij dan ook niet dat verhaal over de storm, maar wel de vraag van Jezus aan zijn leerlingen: “Waarom hebben jullie zo weinig moed? Waarom geloven jullie nog steeds niet?
„Waarom geloven jullie nog steeds niet?“ Die vraag stelt Hij aan iedereen, en vandaag vooral ook aan ons, die dit stukje evangelie nu van nabij bekijken. Jezus stelt die vraag natuurlijk eerst en vooral aan zijn leerlingen. Die zijn al geruime tijd met Hem op weg en hebben samen met Hem ook al veel beleefd en meegemaakt. Ze hebben met Jezus rondgetrokken, overal zijn bevrijdende boodschap gehoord, vele van zijn wonderen en genezingen gezien en veel positieve en vooral persoonlijke ontmoetingen meegemaakt. En toch stelt de simpele aanwezigheid van hun slapende Leraar hen helemaal niet gerust. Daarom kan ik verstaan waarom de leerlingen, nadat ze Hem gewekt hadden, Jezus helemaal niet begrepen wanneer Hij hen nogal nadrukkelijk aan hun ongeloof herinnert. „Waarom geloven jullie nog steeds niet?“
Ze hadden in staat moeten zijn om Jezus om hulp te vragen, zoals ook anderen dat bij hun ontmoeting met Jezus hadden gedaan. De blinde Bartimeus bv. die tegen Jezus duidelijk zegt wat hij van Hem wil. Ze hadden moeten weten dat Jezus, als Hij mensen ontmoet, steeds aan de andere vraagt:”wat wilt ge dat ik voor u doe? Maar Jezus in paniek wekken en Hem dan onmiddellijk confronteren met het verwijt: „Meester, kan het U dan niet schelen dat wij vergaan?“, dat wijst toch eerder op angst en paniek in plaats van vertrouwen in hun Leraar en vriend, die hen toch reeds meer dan één keer met verbazing had geslagen. Ze hadden Hem kunnen vragen: „help ons met hozen“, of „maak toch dat die storm ophoudt“. Door zoiets te vragen zouden ze hun vertrouwen in zijn machtvolle hulp hebben laten blijken. Maar door hun angstige houding tonen ze duidelijk dat “niet geloven” en “niet kunnen vertrouwen” helemaal bezit van hen had genomen. Maar dat is nu juist wat Jezus van al diegenen eist die beweren in Hem te geloven, dat ze Hem in het diepste van hun hart zouden vertrouwen – en dat geldt ook nog tot op de dag van vandaag.
„Waarom geloven jullie nog steeds niet?“ Niet pas de grote stilte die volgt op de gebiedende woorden „ Zwijg, wees stil“ van Jezus, maar gewoon reeds zijn aanwezigheid had hen van de angst moeten bevrijden, ook al lag Jezus er slapend en schijnbaar onbewogen bij.
„Waarom geloven jullie nog steeds niet?“ Hoe gaan wij met die vraag om? Is ons geloof even wankelmoedig als dat van de leerlingen in de boot? Is ons vertrouwen gewoon niet groot en sterk genoeg om onze angsten te kunnen vergeten en ons leven in Gods hand te kunnen leggen? Is ons eigen Ego dan toch zo sterk dat wij altijd weer denken dat we het alleen kunnen klaren, dat we dat varkentje op één of andere manier zelf wel zullen wassen? Dat verhaal van de storm op het meer en de met haar nauw verbonden uitspraak dat God niet alleen noodsituaties voor ons kan oplossen, maar doorgaans ook de omstandigheden eromheen kan veranderen, dat geloof was voor de evangelisten zo belangrijk, dat niet alleen Marcus ervan vertelde, maar dat ook Mattheus en Lucas. het uitgebreid in hun relaas opnamen.
Voor mij betekent dat, dat ik nooit moet opgeven, ook niet als het water me tot aan de lippen staat en maar weer eens denk dat God slaapt en zich niet aan mij of aan mijn leven interesseert. Ik kan en mag me steeds tot God wenden, want Hij zit met mij in hetzelfde bootje. Ik moet Hem alleen om hulp vragen. Als het moet zelfs in angst en kwaadheid. Maar ik geloof aan de zekerheid dat ik niet alleen moet vechten. God kan, en God zal die vastgelopen situatie in mijn leven veranderen als ik me daar zelf van ganser harte ook mee voor wil inzetten.
“Verdronken land” is de titel van een poëtische tekst die als volgt gaat:
„Geleid me naar huis,
eeuwige eindeloosheid,
je blijft zo lang weg.
Steek de vuren aan opdat ik je kan vinden.
Kom bij me aan boord
en neem de wacht over
Breng me veilig door de nacht
Red me in de storm
Hou me stevig vast dan kan ik staande blijven
Breng me tot het einde en laat me nooit meer los.
Ik hoop, en ik wens het ons allen - U en mij - van harte toe, dat we die steun en die houvast bij God kunnen vinden. Ook al voel ik Hem soms niet meer wanneer de chaos weer eens overheerst en ik het gevoel krijg dat ik in de golven wegzink. Maar juist in die situaties heb ik de zekerheid dat God mee in mijn levensboot zit en me niet in de steek laat. Vandaag niet, en op geen enkele dag van mijn leven. Amen.