11e zondag door het jaar B

B-cyclus · Tijd door het jaar · 11e zondag · groen

GELOVEN IN TIJDEN VAN CORONA EN LOCKDOWN (EN ANDERS OOK…) - 1

Vrijdag j.l. kwam god op bezoek in de kleuterklas van zuster rudolfien

ze had de oude baas nog nooit op z’n doordeweeks gezien zodat ze wel even schrok

maar de kinderen zongen spontaan lang zal hij leven

Jacques Janssen uit ‘Het raam staat open’

** Arcabas – Drievuldigheid**

Soms, wanneer mij in een gezelschap van mensen die me niet zo goed kennen, ineens gevraagd wordt wie ik ben en wat ik doe in het leven, waarom ik priester geworden ben en of ik écht geloof dat God bestaat… overvalt het me ineens. Daar gaan we dus nog maar een keer, denk ik dan. Ik mag het weer eens een keer proberen uit te leggen. Dat wat niet uit te leggen is. Dat wat door mijn vingers vloeit als stromend water. Dat wat zo genesteld en verweven zit in mezelf. Dat wat samen met mij langzaam ouder wordt, verandert, rimpels krijgt, verschrompelt soms, bedachtzamer wordt, meer verinnerlijkt. Dat wat toch ook altijd nog of steeds meer verwarrend blijft en mysterieus, en steeds meer schuchter en bedeesd is om naar buiten te komen. Dat alles waarvan ik niet weet wat het is, en of het wel écht bestaat, en hoe het uit te leggen is. En of ik dat eigenlijk wel kan, die uitleg geven. En of dat er zoveel toe doet… Neem nu God. Ooit las ik in het seminarie vanzelfsprekend en hardop de gebeden mee met Zijn Naam: *God, onze Heer; God, Almachtige Vader; God, Schepper van hemel en aarde… *Maar met de tijd is alles een stuk verschoven. De Grote God is kleiner geworden, en de kleine God wat groter. De Hoge God is dichterbij gekomen. God zelf is beeld-lozer geworden, terwijl ik soms in het dagelijks bezig zijn van mensen juist zoveel meer goddelijke beelden zie. De God-van-de-hoge-hemel is niets-zeggender geworden, terwijl ik bij momenten zoveel goddelijke woorden opvang van de mensen om me heen. Hij is leger geworden, terwijl de volheid van het Leven me soms overrompelt. Hij is machtelozer geworden, terwijl er soms in doodgewone mensen zoveel kracht te ervaren is. Hij is zoveel minder hemels, terwijl er zoveel goddelijks op aarde is. Misschien is *God *niet meer de juiste naam. En Hij al zeker niet. Het goddelijke past beter, het onzegbare, het Leven zelf. God is gaan-de-weg ook veel meer een werkwoord geworden in plaats van een zelfstandig naamwoord. God brengt in beweging, God verbindt, God brengt stilte of onrust, God lacht, God ruist en bruist, God raakt je aan, God schreeuwt je toe vanuit een ander mens, God vloekt om zoveel onrecht. Uiteindelijk is God het Leven zelf dat telkens weer onstuitbaar doorbreekt. Het Leven dat onder mijn vel zit. Het volle Leven ook waar iedereen recht op heeft – het meest en eerst nog de rechteloze. Ja, ik weet dat het vaag is. Ik weet dat het verwarrend en mysterieus klinkt. Ik weet dat het alles en niets omvat. Ik weet dat het vol tegenstrijdigheden zit. Ik weet dat je me direct volledig klem kunt zetten in een discussie over zin en onzin van het geloven. Ik weet dat je dit evengoed niet-geloven kunt noemen. Of twijfelen alleszins…

Dus loop ik maar wat rond, en adem meestal onbewust het Leven in. Soms doe ik het ook heel bewust, langzaam en intens. En heel soms ademt het in mij. Het onzegbare.

Het onzegbare. Dat belt niet. Dat blijft niet. Het is er ineens – zomaar onverwacht. Ga zitten dringen wij aan, drink iets, maak het je gemakkelijk. Maar daar is het nog maar pas, en het gaat al terug weg. God die even bij ons binnenkomt: flitsen zijn het, hooguit momenten van ontroering en verwondering. En dààr moeten wij het mee doen. (ooit onderdeel van de visietekst op de flap van TGL)

Marc Chagall – Mozes en de

brandende braamstruik

Dat simpele tekstje waarmee ik indertijd – heel lang geleden – mijn eerste godsdienstles van het jaar altijd begon. Als een schuchtere maar eerlijke geloofsbelijdenis: Soms voel ik diep van binnen iets van God ik wou dat ik die dingen op kon schrijven maar als ´t naar buiten komt is het kapot die dingen kunnen beter binnen blijven.

Uit Toon Hermans: ‘Fluiten naar de overkant’

Eigenlijk geloven de meeste mensen niet dat God zo dichtbij en midden in het leven is. De meesten denken dat Hij, àls Hij al bestaat, zeker ver weg en buitenaards moet zijn. Dat Hij misschien nog wel eens een zeldzame keer een boodschapper van een engel naar de wereld stuurt of vanuit de verte opbelt om te vragen hoe het met ons gaat… Maar dat Hij hier onder ons voortdurend aan het werk is, op zijn eigen bescheiden ‘incognito-manier’, dat Hij iedere keer voor mosterdzaadje speelt en voor gist-en-spiritus in het deeg, dat Hij mooie parels in onze akkers verbergt of bij momenten rondloopt als een milde zaaier - dat vinden de meeste mensen vreemd en onwaarschijnlijk. En daarom moest Jezus steeds weer gelijkenisjes vertellen, om te laten horen en zien hoe het er in het Rijk Gods aan toegaat. En ook een beetje, denk ik, omdat hij als predikant geregeld verlegen zat met het nog maar eens moeten uitleggen van al die moeilijke dingen… En dat moeten we zelf ook leren. Als we ergens in een flits iets van een geheim zien opdoemen, moeten we er verhalen over vertellen die daarnaar verwijzen, die onszelf en anderen helpen om de geheimen van het Rijk der hemelen in onze eigen omgeving te zien. Dit hier bijvoorbeeld, gezien tijdens de huwelijksviering van Carl en Evy – Wingene/Wildenburg 13 juni 2014, en achteraf snel opgeschreven… Carl en Evy hebben beslist om zelf communie te delen in hun trouwmis. Dat betekent uiteraard dat ik als voorganger wat terzijde sta, en zo een goeie ‘uitkijkpost’ heb op de lange rij aanwezigen die aanschuiven om de communie te ontvangen uit handen van de trouwers. Ik heb het hele gebaar en de symboliek die achter dit gebaar steekt van te voren voor de aanwezigen geduid: Evy en Carl willen zo goed en zo kwaad als het gaat hun geluk van vandaag en van altijd delen met al wie er nood aan heeft – kom dus maar, hou je hand open, en ze zullen er een gewijde hostie, een stukje communie in leggen. Als teken en tastbaar bewijs van hun engagement in Naam van God die Liefde is en van Jezus van Nazareth, de Zaligmaker…
Carl deelt de communie uit – Evy houdt het schaaltje vast waarin de hosties liggen. Je moet weten: Evy werkt in een tehuis voor volwassen mentaal en fysisch gehandicapte mensen. Op een bepaald moment schuift in de rij één van haar ‘gasten’ uit het tehuis mee aan, om te communie te komen. Wanneer hij aan de beurt is, wil Carl hem een hostie in de open hand leggen – maar hij weigert die ostentatief, schuift even op en gaat zo vlak voor Evy staan. Dan vliegt hij haar om de hals en klemt haar dicht tegen zich aan, als om te zeggen: jij hebt je al zo vaak aan mij gegeven, Evy, met jouw ‘vlees en bloed’, jouw hebben en zijn – dit is voor mij het échte tastbare ‘teken van een nieuw en altijddurend verbond’ – méér dan die hostie daar, waar ik niets van begrijp en bijzonder weinig tastbaars aan heb… (allé, dat denk ik er allemaal bij natuurlijk…) Wees gerust: na die innige en warme omhelzing heeft die gehandicapte man ook nog de communie gekregen – maar dit was duidelijk niet meer dan een simpele ‘bezegeling’ van het eerdere gebaar dat veel levens- échter was: de ontmoeting en de communie tussen Evy en haar ‘gast’… Zelden heb ik een méér overtuigde en meer ‘heilige’ communie gezien als die keer, daar in die trouwmis! Een écht sacrament, een wondermooi ‘gelijkenisje van ‘Het Rijk Gods…’ (ik putte voor deze gedachten en mijmeringen nogal wat uit een column van ANN VERSCUREN in TGL jg. 66 nr. 4 – juli/augustus 2010)

Chagall – Rabbijn met Torah

GEBED VAN A TOT Z - bidden bij gebrek aan ‘inspiratie’…

Dit verhaal gaat over een jongetje dat opgroeit in een armenhuis in Engeland. Als je ooit de film Oliver* *hebt gezien, die gebaseerd is op het boek *Oliver Twist van Charles Dickens, *dan weet je hoe het er in die armenhuizen aan toeging. Deze jongen had nooit leren lezen of schrijven. Hij kende alleen de letters van het alfabet. Op een dag bracht een rondreizende prediker een bezoek aan deze kinderen en vertelde hun dat ze konden bidden als ze ooit in moeilijkheden verkeerden, en dat God hen dan zou verhoren en hulp zou sturen. De jongen vond uiteindelijk een baan en werd helpknecht op een boerderij. Zijn eerste taak was het hoeden van een kudde schapen. Maar hoe hard hij het ook probeerde, het lukte hem niet om ze allemaal bij elkaar te houden. Denkend aan de woorden van de prediker besloot hij te bidden en God te vragen of Hij hem wilde helpen de schapen bij elkaar te houden. Dus knielde hij neer in het gras om te bidden. Een voorbijganger hoorde een stemmetje achter de heg en toen hij keek zag hij een geknielde jongen die het alfabet opzegde: ‘A,B,C,D…’ Hij vroeg de jongen wat hij aan het doen was, en de jongen antwoordde dat hij aan het bidden was. De man zei: ‘Dat is niet bidden jongen. Je zegt alleen maar het alfabet op…’ De jongen vertelde de man dat hij niet wist hoe je moest bidden, maar dat als hij God alles zou geven wat hij wist, hij dan maar hoopte dat God de letters kon omvormen tot een gebed en hem zou geven wat hij nodig had. God begrijpt me wel, zei hij. Hij is meer dan een goeie verstaander die aan een half woord of zelfs aan enkele letters al meer dan genoeg heeft… (vrij naar Sheila Walsh: ‘Open je ogen en bid’)

Emmanuel Mane-Katz, Rabbijn

DE PLEK, HET VUUR EN HET VERHAAL… Een verhaal verteld door Elie Wiesel Telkens wanneer er een ramp  dreigde over zijn dorp en zijn gemeenschap, ging Rabbi Baal Shem Tov naar een geheime plaats in het bos. Hij ontstak daar een vuur, sprak een gebed uit, en het onheil was afgewend! De Rabbi stierf. Weer dreigde rampspoed.  Een van de leerlingen  ging naar dezelfde plek in het bos, en zei: ‘Onnoembare God, ik weet niet hoe ik het vuur moet aansteken, maar ik kon gelukkig nog de goede plek vinden en de oude woorden bidden. Dat moet maar genoeg zijn.’ En de ramp werd afgewend. Een generatie later dreigde grote hongersnood. Een van de opvolgers ging  naar de plek in het bos en zei: ‘Eeuwige God, ik weet niet hoe ik het vuur moet aanmaken. Ik kan me ook het gebed niet meer herinneren. Maar ik ken nog de geheime plek in het bos. Dat moet genoeg zijn!’ En de ramp was afgewend. Vele jaren daarna kwam er opnieuw grote ellende op het volk af. De toenmalige rabbi zat achter zijn bureau. Hij bad: ‘Allerhoogste, ik heb geen idee hoe ik het vuur moet aan maken. Ik ken het gebed niet meer. En ik kan me niet eens de geheime plek herinneren waar ik naartoe moest in het bos. Alles wat ik kan doen is het oude verhaal nog een keer vertellen. Laat dat genoeg zijn.’ En de ramp trof het volk niet…

**Scheppinkje ** Kon ik Jou, Heer, tezamensponzen tot een gebaartje op mijn hand en gaf Jou alle kralen, donzen, poesjesmiepsen en hommelgonzen en Jij weefde het verband …

ik zou mijn vingers rond Je sluiten en Jouw gekriebel zó beminnen terwijl Je scheppend was daarbinnen dat ik mijn vuist héél zacht van buiten

en als ik op een teken Jouw werk voorzichtig zou ontbloten nimmermeer zijn uitgekeken op mijn lege handpalm, grote God en nooit meer spreken.

Leo Vroman Uit: De gebeurtenis en andere gedichten.

zou kussen;

Sieger Köder - Elia op de Horeb


GELOVEN IN TIJDEN VAN CORONA EN LOCKDOWN (EN ANDERS OOK…) - 2

Eigenlijk ben ik het bij momenten moe van over God te denken, te spreken en te preken. Ik zei onlangs nog tegen mezelf: ik breek er mijn hoofd niet meer over. Over God, bedoel ik. Mijn hart misschien nog wel. Dat breekt en spreekt steeds meer van goddelijke verhaaltjes die zich afspelen in het leven van elke dag tussen doodgewone mensen.

Alleen kleine gelijkenisjes wil ik nog vertellen zoals Jezus deed. Wat momenten ophalen af en toe van ontroering en verwondering. Strohalmen hoop opgeraapt in de rand van de akker waaraan ik mij vast kan klampen. Lichtbeelden van het Rijk Gods, gevormd uit kleine schilfertjes leven en telkens weer in een handomdraai tevoorschijn getoverd als in een caleidoscoop. Fragmenten van een kostbaar en kwetsbaar bestaan.

Stiekem bespied en betrapt door een piepklein kijkgaatje en dan snel, snel, snel in wat schamele woorden neergepend.

Gelijkenisjes over het Rijk Gods zijn er in allerlei kleuren en soorten. De geboorte van een kind, gemeld op een fleurig kaartje. Een bericht op Facebook, over een puber terug van weggelopen thuis. De melding ‘teveel betaald’ op je belastingbrief. Een spelewei vol lentebloemen. Een volk dat weer vrijuit mag spreken. Een extra stuk chocolade en een briefje ‘ik zie je graag’ in je boterhammendoos. Een Man die lammen laat lopen en blinden doet zien.

Ik zag ooit eens een klein gelijkenisje als een aapje uit een mouw komen: een hand op een schouder gelegd en iemand die fluisterde: ‘Kom, we maken die rekenoefening samen tot je het helemaal beet hebt…’

DE HEILIGHEID VAN HET ALLEDAAGSE

Veel kleine gelukservaringen zijn bevochten op het grote verdriet. Van mijn zusje, langzaam stervend aan kanker, heb ik geleerd wat een intense vreugde het opbloeien van een onverwacht bloemetje kan geven, dat door anderen misschien onachtzaam zou zijn weggewied. Geluk, bevochten op het verdriet. Misschien is het ook andersom: het grote verdriet wordt bevochten met die kleine geluksmomenten: door dat kleine niet te negeren, het aandacht te geven, het groot te maken k heb het idee dat ook Jezus zo naar de werkelijkheid keek, niet alleen naar de natuur, maar ook naar de sociale werkelijkheid om zich heen. De beelden die hij uitkiest voor zijn gelijkenissen zijn ontleend aan het dagelijks leven. Voor het Koninkrijk van God neemt hij bijvoorbeeld de volgende beelden: ‘Het is gelijk aan een mosterdzaadje, dat iemand nam en in zijn tuin zaaide, en het groeide, en werd een boom, en de vogelen des hemels nestelden in zijn takken. (Of ook:) Het is gelijk aan een zuurdesem dat een vrouw nam en in drie maten meel deed, totdat het geheel doorzuurd was.’(Lucas 13:19-21).

Constant Permeke - De zaaier

Jezus gebruikte die beelden natuurlijk in de eerste plaats als een didactisch principe: hij sloot aan bij het bekende om iets nieuws en verrassends te kunnen overdragen. Maar het is ook meer dan dat. Hij gebruikte het dagelijks leven als een venster waardoor je het Koninkrijk van God kon zien. Zoals Jezus beschikbaar was voor prostituees, kinderen, gehandicapten, zo laat hij ook in zijn gelijkenissen zien dat hij oog heeft voor het kleine, het schijnbaar onbetekenende, en dat ook misschien wel juist dat onaanzienlijke beeld kan zijn voor God en zijn Koninkrijk. Hoe lachwekkend moet het niet geweest zijn in de ogen van de religieuze en maatschappelijke elite dat zoiets onnozels als het dagelijkse vrouwenklusje van het kneden en het laten gisten van het deeg als beeld voor zoiets verhevens als Gods Koninkrijk gebruikt wordt. Of dat een groep kwebbelende en lachende buurvrouwen beeld zijn voor God en zijn engelen, zoals in de gelijkenis van de verloren drachme. Jezus laat zien dat als je er maar voor open staat, ook het meest gewone een openbaring van God zelf kan zijn. Of is dit allemaal maar een vlucht? Is de waardering voor de gewone alledaagse werkelijkheid een vlucht voor de hardvochtige grote werkelijkheid, een soort cocooning, een terugtrekking in je eigen kleine wereld om het afschuwelijke van daarbuiten maar te kunnen negeren? Wat moet ik met die kleine gelukservaringen als de halve wereld in brand staat? Natuurlijk weegt ‘het gouden licht van september’ (of het zilveren van december) niet op tegen de eindeloze stroom doden bij zelfmoordaanslagen en bombardementen. Maar dat licht ís er wel. En die bloem bloeit wel, verscholen in de berm of stralend op je vensterbank. Een werkelijkheid die tegelijk aanwezig is met oorlog en kanker.
***Wie er geen acht op slaat vergeet de weelde *** ***van lage zon op het uitzicht, glanzend *** in het licht dat uit de hemel valt, nu en altijd.

(Marjoleine de Vos)

Zo luiden de laatste regels van het gedicht ‘Nu en altijd’. Wie er geen acht op slaat, ontzegt zichzelf geluk, wijst iets af wat ook als geschenk aanvaard kan worden, glanzend in het licht dat uit de hemel valt. Terwijl die weelde van het kleine geluk, die voorsmaak van Gods koninkrijk, je op de been kan houden, je moed kan geven om met je moeilijke verleden, met je ziekte of je grote verdriet, door te gaan, vol te houden. (uit een toespraak van Bettine Siertsema in de Amsterdamse Studentenekklesia, 9 december2001)

Mag ik zelf een schuchtere poging doen om enkele van die gelijkenisjes weer te geven die ik zowat anderhalf jaar geleden in mijn logboek – het dagboek van een herdershond – heb opgeschreven? Het is voorbij. Ik rij op zondag tegen de middag van de gevangenis PCB in Brugge terug naar huis, nadat ik er mocht voorgaan in de vieringen voor de gedetineerden (op zaterdagavond voor de dames, en op zondagvoormiddag voor de kortgestrafte en langgestrafte mannen). En onderweg in de auto, aan mezelf overgeleverd, vraag ik mij af: Wat ben ik daar nu eigenlijk gaan doen? En heeft dat zin? Wat is nu dat goede nieuws, die blijde boodschap die ik daar wilde gaan verkondigen? En zou iemand er iets aan gehad hebben? Zouden ze me begrepen hebben zelfs? Hebben ze geluisterd? Heeft het hen ‘geboeid’..? (een wat onhandig woord natuurlijk, in deze context!) De vragen die een predikant en voorganger als ik zich altijd weer stelt na de gedane taak. En al nadenkende realiseer ik me: ik heb in die vieringen misschien toch hier en daar wat sporen van menselijkheid gezien middenin die kille, harde, haast onmenselijke sfeer van de gevangenis. Misschien heb ik zelfs bij momenten even God zien gebeuren. Een paar kleine gelijkenisjes waren het, niet meer.

Moet je horen: ‘Het Rijk Gods in de gevangenis PCB van Brugge gelijkt op…’ Dat kleine jongentje van nauwelijks anderhalf jaar dat vooraan op de eerste rij in de Maxi-Cosi bij zijn mama zit. De hele viering lang zwaait en kraait hij naar mij – hij lijkt zondermeer alles te begrijpen wat ik zeg. Zelden zo’n enthousiaste misganger gezien! En wanneer ik een liedje laat horen (‘C’est l’ espérance folle…’ van Guy Béart – een prettige walsmelodie en een meezinger mèt inhoud) wiegt hij waarempel lustig mee op de tonen van de muziek… Het kleine meisje hoop (een jongentje weliswaar in dit geval) van Charles Péguy waar ik zojuist over gepreekt heb… Een zestiger met een soort van grijze profetenkop op de derde rij, die de hele tijd met zijn rechterhand aan het hoofd bedachtzaam zit te luisteren; zich bij het horen van ‘Imagine’ van John Lennon ineens opricht en zachtjes begint mee te zingen van ‘You may say I’m a dreamer, but I’m not the only one…’ Zijn medegevangenen in de kapel kijken verbaasd even om en glimlachen even – maar hij stoort er zich niet aan… Dirk, de gedetineerde-muzikant die tijdens de communie ongevraagd en onvoorbereid zomaar op zijn keyboard rond datzelfde ‘Imagine’ begint te improviseren en bijna van geen ophouden weet (hij heeft er natuurlijk alle belang bij dat de viering zo lang mogelijk duurt – maar toch…) Die jonge kerel die mij bij het naar buiten gaan na de viering een hand komt geven en zegt: ‘Dankjewel, Meneer Pastoor. Het was goed.’ En met een knipoog voegt hij er aan toe: ‘Ge zijt ne goeien gij, ge moogt hier gerust voor altijd blijven als ge wilt…’ En dan het mooiste van allemaal. Op het moment dat ik wil beginnen met het uitdelen van de communie, springt één van de gedetineerden op de eerste rij ineens recht, komt naar me toe, en grijpt me bij mijn mouw. Ik schrik toch wel even – niet vergeten: we zijn in de gevangenis! Maar nee, ‘Vrees niet!’ - hij trekt me alleen maar resoluut mee naar zijn compagnon die al de hele tijd naast hem zit: een oude, bijna blinde man. En voorzichtig tilt hij de rechterhand van zijn makker op, maakt die wat open en brengt die tot bij mij, zodat ik er de communie in kan leggen. ‘Heer, ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt…’ heb ik zopas nog uit pure liturgische gewoonte gezegd in naam van alle aanwezigen en van mezelf… Ik had er geen benul van dat de Heer die ochtend zo incognito in de gestalte van een gedetineerde blinde oude man naar mij toe zou komen.

Groenten & fruit

Cornelis Crul zag in peren en noten de hand van God. Bewijzen die de mensheid op een fruitschaaltje worden aangereikt. Ik persoonlijk kwam laatst bij het ontbijt onder de indruk van radijzen.

Het rode jasje dat Hij ze schonk kan niet uitsluitend

gedacht zijn voor onder de grond. Net zoals ook je rode mond en de putjes in je wangen veeleer valkuilen zijn waaraan wat ouder wordende mannen zich toch nog laten vangen.

Het zijn de dingen waarop ik niet uitgekeken raak. De Schepper is onbetwistbaar een heer met smaak.

Marcel Van Nieuwenborgh

Met zijn mooie witte zakdoek snuit God mijn neus en wist daarna mijn tranen weg zoals alleen een man dat kan. Hij streelt de gaten in mijn longen dicht, zoent zacht de littekens. Mijn zoon, zegt Hij,

En ik die feministe ben, maar och. Hij is ook maar een mens. En bovendien, het mag wel voor een keertje want Hij is zo lief voor mij als alleen mijn God dat kan.

(Sabine Heyvaert) zoals alleen een man dat kan.


Sinds een aantal jaren mag ik af en toe voorgaan en preken in de gevangenis van Brugge. Er is een viering op zaterdagavond voor de vrouwen, en twee vieringen op zondagmorgen voor ‘Mannen 1’ en ‘Mannen 2’, de kortgestraften en de langgestraften. Veertien dagen gelden. Ik rij op zondag tegen de middag terug naar huis. En ik vraag mij onderweg af: Wat ben ik daar nu gaan doen? En heeft dat zin? Wat is nu dat goede nieuws, die blijde boodschap die ik daar ben gaan verkondigen? En zou iemand daar iets aan gehad hebben? Zouden ze me begrepen hebben zelfs? De vragen die een predikant zich altijd weer stelt na de gedane taak. En al nadenkende realiseer ik me: ik heb vandaag en gisteren toch hier en daar wat sporen van menselijkheid gehoord en gezien in die kille, harde, haast onmenselijke sfeer van de gevangenis. Misschien heb ik een paar momenten even God zien gebeuren. Een paar gelijkenisjes waren het, niet meer. Moet je horen: ‘Het Rijk Gods gelijkt op…’ Dat kleine jongentje van nauwelijks anderhalf jaar dat vooraan op de eerste rij in de maxi cosi bij zijn mama zit. De hele viering lang zwaait hij en kraait hij naar mij – hij lijkt zondermeer alles te begrijpen wat ik zeg. En wanneer ik een liedje laat horen (‘C’est l’ espérance folle…’ van Guy Béart – een prettige walsmelodie en een meezinger) wiegt hij warempel lustig mee op de tonen van de muziek… Het kleine meisje hoop (een jongentje in dit geval) van Charles Péguy waar ik zojuist over gepreekt heb… Een zestiger met een soort van grijze profetenkop op de derde rij, die de hele tijd met zijn rechterhand aan het hoofd zit te luisteren, en bij het horen van ‘Imagine’ van John Lennon ineens zachtjes begint mee te zingen van ‘You may say I’m a dreamer, but I’m not the only one…’ Dirk de gedetineerde-muzikant die tijdens de communie ongevraagd en onvoorbereid zomaar op zijn keyboard rond datzelfde ‘Imagine’ begint te improviseren. Die man die mij bij het naar buiten gaan na de viering een hand komt geven en zegt: ‘Dankjewel Meneer Pastoor. Het was goed.’ En met een knipoog voegt hij er aan toe: ‘Ge zijt ne goeien gij, ge moogt hier blijven als ge wilt…’ En dan het mooiste van allemaal. Op het moment dat ik wil beginnen met de communie uit te delen, springt één van de gedetineerden op de eerste rij ineens recht, komt naar me toe, grijpt me bij mijn mouw en leidt me voorzichtig naar zijn compagnon die naast hem zit: een oude, bijna blinde man. En voorzichtig tilt hij de hand op van zijn makker, maakt die wat open en brengt die tot bij mij, zodat ik er de communie kan in leggen. ‘Heer, ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt…’ heb ik zopas nog uit pure liturgische gewoonte gezegd in naam van alle aanwezigen en van mezelf… geert dedecker vrijwilliger-aalmoezenier in de gevangenis PCB Brugge

Zoeken in Preken Online