We moeten ze eens goed naast elkaar zetten: David en Maria. Dat doet de liturgie ook. In de eerste lezing: David. David is binnen. Hij heeft zijn schaapjes op het droge. Al zijn vijanden in de wijde omtrek laten hem met rust. Er is vrede. Hij wordt door niets en niemand bedreigd. Zijn paleis is klaar. Helemaal naar zijn zin. Prachtig cederhout is erin verwerkt. Het moet er zalig geroken hebben. Nu moet er toch ook voor Jahwe gezorgd worden. Hij laat de profeet komen. Hij zegt: Ik wil voor Jahwe een prachtige tempel bouwen, want ik zit in een schitterend paleis, maar Jahwe woont nog in een tent. Dat kan niet langer. Daar moet wat aan gedaan worden. En dat ben ik van plan te doen.
‘Prachtig’, zegt de profeet. ‘Dat moet je doen’. Dat was zijn spontane reactie. Maar bij nader inzien door-ziet de profeet de kouwe drukte van David. Mijn God, moet hij gedacht hebben, wat heeft die man een pretenties. Hij is nota bene van achter de schapen weggehaald. Hij was niets, hoegenaamd niets. Hij is door Jahwe geworden wat hij nu is. Jahwe heeft alles voor hem gedaan. Hij is over de rug van Jahwe naar boven geklommen. Jahwe heeft hem uit de steppe gehaald. Jahwe heeft hem op al zijn tochten bijgestaan. Jahwe heeft al zijn vijanden vernietigd. Jahwe heeft zijn naam groot gemaakt. Jahwe heeft gezorgd voor rust.
David was eigenlijk niets meer dan een herdersjongen, een melkmuil. David was uit zichzelf niets. Maar als niet komt tot iet, kent iet zichzelve niet. Want nu zegt die David: Ik heb alles klaar. Ik zit nu in een paleis dat nog mooier is dan het huis van Jahwe. Of erger nog: Jahwe woont nog in een tent. Dat kan niet langer. Ik zal zorgen dat het voor Jahwe ook in orde komt. En dan kan ik mijn hoofd rustig neerleggen.
Wij kennen dit soort van mensen. Ze zijn nog niet uitgestorven. Ze zijn met behulp van God-weet-wie iets geworden, en nu zien ze je niet meer staan. Ze hebben het; ze zijn het. Op een dankjewel hoef je nooit meer te rekenen. Heel minzaam maken ze vijf minuten van hun druk bezette tijd voor je vrij. Bah. Ik ben blij dat ik niet de enige ben die een gruwelijke hekel aan die mensen heeft. Jahwe heeft het ook. Hij zegt tegen David: Ik hoef van jou niets. Ik hoef van jou geen tempel. Ik zal zelf wel een huis bouwen, niet voor mij, maar voor jou. Dan weet ik tenminste dat het een goed huis wordt.
En in de tweede lezing: Maria. Zij woont in Nazaret, provincie Galilea. Galilea is al niets. Uit Nazaret kan dus al helemaal niets goeds komen. Tot haar komt een engel van Jahwe. ‘De Heer is met u’, zegt hij. ‘U zult een zoon ter wereld brengen; een redder; de Zoon van God’. En het antwoord van Maria: ‘Ik? Hoe kan dat? Wie ben ik?’ ‘De kracht van de allerhoogste zal het doen’, zegt de engel. Zie de dienstmaagd des Heren, zegt Maria. Als ik iets doen mag, heel graag. Zegt u het maar. Lijnrecht tegenover David. Bescheiden, dankbaar, dienstbaar.
Heerlijke mensen zijn dat. Geen pretenties. Geen kouwe drukte. Alles wat je voor ze doet is zo goed besteed. Ze zijn blij met alles. Het is een feest iets voor hen te doen. En ze doen er wat mee. Wat een dankbare mensen. Het is heerlijk als je bij zulke mensen komt. Dan is niets je teveel. Daar doe je alles voor. Zulke mensen hoeven geen Mariabeeld te hebben. Ze zijn het zelf. En God houdt ook van zulke mensen. Hij doet er alles voor. Ze geven redding aan de wereld.
Wie zijn wij? Een David? Of een Maria? Zouden wij het aan elkaar durven vragen: wie vind je dat ik ben?
Het wordt een fijne Kerstmis voor mensen als Maria. Met die pretentieloze verwachting: het heil moet toch van God komen. Laat Hij het maar doen. En als wij iets mogen doen: graag. God, zegt U het maar. Zie de dienstmaagd des Heren.