4e zondag van de advent B

B-cyclus · Advent · 4e zondag van de Advent · paars

De joden waren een volk van nomaden. Eeuwen lang waren het mensen zonder vaste woon- of verblijfplaats. Wanneer ze eindelijk hun vaste plek gevonden hebben, en na veel ontberingen in goede doen zijn geraakt, willen ze - net als andere volkeren om hen heen - een koning aan het hoofd van de natie. Die krijgen ze. Eerst Saul en daarna David.

En David wil, net als andere volken om hen heen, een tempel bouwen voor de God van het volk. Tot dan toe woonde God - net als dat trekkende godsvolk zelf - in een tent. De zogeheten heilige boeken werden erin bewaard, de boeken van het verbond. David wil voor God een echte tempel bouwen.

Maar Natan, kritisch als de meeste profeten, en iemand die David al eens eerder tot de orde heeft moeten roepen, Natan keurt dat plan uit naam van God af. Hij heeft immers al vaak genoeg gezien dat andere koningen in buurlanden tempels bouwden. Zogenaamd om God te eren, maar in feite om zichzelf te bewijzen. Om te kunnen laten zien: kijk eens dat heb ik allemaal voor elkaar gebracht. (Er zijn verhalen genoeg bekend over pastoors of burgemeesters die de kerktoren per se hoger en fraaier wilden dan die van het dorp ernaast.) Daarom, omdat zo’n tempel veeleer pronkstuk wordt van eigenwaan dan eerbetoon aan God, waarschuwt Natan zo’n tempel niet te bouwen. Laat God, die met ons meetrekt, maar wonen in een tent, en zet Hem niet vast in een tempel van steen.

Dat is de eerste reden, maar de tweede (en belangrijkste) reden om geen tempel te bouwen horen we wanneer Natan tegen David zegt: ‘Luister, want zo spreekt God, de Heer: Niet in een tempel wil Ik wonen, maar in jouw nageslacht’. God woont dus niet in tempels, moskeeën of in onze kathedralen. Hij wil wonen in mensen, in allerlei mensen. Niet op de eerste plaats in de grote en bewonderenswaardige koningen en kathedralenbouwers, maar in kleine wankele mensen die in tenten of onder een stuk golfplaat wonen; in mensen die in een stal of een schuurtje hun onderkomen vinden.

God woont in mensen, zei de profeet tegen de koning, en zegt de kerk ons vandaag. God woont in jou, zegt de engel tegen Maria, een onbekend en heel gewoon meisje uit Nazaret. En Jezus van Nazaret, degene die door Gods wil uit haar geboren wordt, slaat zijn tent op bij ontredderde mensen. Hij spot met zogenaamde heilige wetten en regels. Mensen zijn Hem heilig. Hij spot met de tempel van Jeruzalem, want heel zijn leven is een getuigenis: God woont in mensen, in allerlei mensen.

Rorate coeli is al eeuwen lang het lied van de Advent. Zingend bidden we daarin om het volgende: ‘Moge de dauw van de hemel over ons neerdalen; dat de wolken gerechtigheid doen regenen over het land; moge de aarde opengaan opdat ze geluk¬kig wordt, en het zaad van de gerechtigheid de kans krijgt om te ontkiemen'.

Onze aarde zou er, denk ik, vandaag jonger, hoopvoller en veel gelukkiger uitzien als wij God minder zouden zoeken op de verkeerde plaatsen. Als wij God toch eens wisten te vinden in elkaar. Als wij God eens zouden zoeken bij mensen in wie Hij zijn tent heeft opgeslagen.

Zoeken in Preken Online