Het jaar 2002 loopt ten einde en dus worden er weer eretitels toegekend bijvoorbeeld aan mensen die dat bij een andere gelegenheid dit jaar nog zijn misgelopen. We kennen nu de voetbaltrainer van het jaar en de voetballer van het jaar. De paus heeft de eretitel gekregen van de meest bereisde paus aller tijden en wie weet wat de buurman of iemand anders voor titel voor u heeft aangevraagd om die nog voor nieuwjaarsdag te komen opspelden. Zo’n titel krijgt iemand niet voor niets; er moet wel degelijk een eigenschap of prestatie zijn aan te wijzen waardoor iemand zich van de gemiddelde burger heeft onderscheiden, niet al te bescheiden maar graag een beetje opvallend.
Een beproefde manier om voor een eretitel in aanmerking te komen is het laten neerzetten van een groot gebouw dat de eeuwen kan doorstaan. Het is indrukwekkend wat paus Sixtus V niet allemaal heeft laten metselen in Rome en Victor Emmanuel en een Franse president Pompidou, Sadam Hoessein en vele grote namen van mensen met verdiensten of juist om hun missers te doen vergeten.
Koning David, waarover de eerste lezing van vandaag, had ook grote plannen voor een groot gebouw en nog wel voor een tempel ter ere van Jahweh, de God van Israël, de God die mensen nabij blijft. David vond dat hijzelf in een mooi paleis woonde en dat die verbondstent, een tent dus, voor Jahweh in geen verhouding stond. Er moest iets monumentaals komen en men mocht dan weten dat hij dat laten neerzetten.
Zo zijn er eeuwenlang ook kerken gebouwd, de ene nog groter en fraaier dan de andere en toch nooit tegen de eeuwen bestand. In Engeland zijn er de laatste jaren 1600 gesloten en in ons land wat minder maar met drie kerken in Best zijn we al ruim bedeeld. Als de profeet Natan nog had geleefd zou hij net als indertijd tegen David of tegen ons gezegd hebben dat het helemaal niet zo’n goed idee is om hier of elders de eretitel kerkbouwer van de eeuw in de wacht te slepen. Jezus van Nazareth was ook al geen bouwer. Hij haalde zich de onmin van de gevestigde orde op de hals toen Hij voorstelde om de tempel af te breken, want Hij vond dat er in drie dagen best een nieuwe tempel kon gebouwd worden. Net zo min als de profeet Natan dacht Hij een stenen metselen, aan de eretitel bouwer van het jaar. Er zijn andere titels die deze bouwtitel overbodig maken.
Koning David was niet zo’n brave, maar hij had gerechtigheid en vrede over zijn volk gebracht. Daar kleefde een eretitel aan die alle andere in de schaduw zou stellen, niet alleen voor hem maar voor al zijn nakomelingen: “Kinderen Gods “ zouden ze mogen heten. Dat mag omdat zij God zelf tegenwoordig stellen zo bekommerd om de zwakke, rechtvaardig en liefdevol als Hij is. Dat kun je niet met een gebouw. God huist in de rechtvaardige mens, met het blote oog niet waarneembaar, maar die komt wel in aanmerking voor zo’n eretitel.
De eretitel “Zoon of Dochter Gods” wordt niet bij de geboorte toegekend, maar altijd postuum en het is alleen God zelf die deze titel kan toekennen. Zo is het bij Jezus van Nazareth gegaan. Als wij met Kerstmis zingen dat daar Gods Zoon in een kribbe ligt dan is dat na terugzien op zijn woorden en daden, zijn leven.
Met Kerstmis en meer nog met Pasen vieren we dat die titel ook voor ons gereed ligt, maar dan moet er wel nog eerst heel wat gerechtigheid en vrede gedaan worden.
“ Zo’n titel krijgt iemand niet voor niets; er moet wel degelijk een eigenschap of prestatie zijn aan te wijzen waardoor iemand zich van de gemiddelde burger heeft onderscheiden, niet al te bescheiden maar graag een beetje opvallend.”