\
4e advent
2011 II Samuel 7,1-5. 8b-12. 14a.
16 Lk 1,26-38
\
In het kerstverhaal
volgens Lucas verneemt Maria dat haar nicht Elisabeth zwanger is en reeds in
haar zesde maand is, alhoewel ze onvruchtbaar lijkt.
Laat me toe even naar die passage over Elisabeth en haar man Zacharias
terug te gaan, de passage die aan de lezing van vandaag juist vooraf gaat, om
het evangelie van vandaag misschien beter te begrijpen. Elisabeth en Zacharias zijn kinderloos en Elisabeth is al op een
leeftijd dat ze geen kinderen meer kan krijgen. Als Zacharias als priester helemaal
alleen het ‘heilige’ in de tempel binnen gaat, verschijnt hem een engel die zegt dat zijn vrouw
zwanger zal worden. Zacharias kan dat niet geloven, hij vraagt aan de engel
ZEKERHEID daarrond : menselijke,wereldse zekerheid. Hij heeft eigenlijk geen vertrouwen in Gods Woord dat tot hem gericht wordt, hij gelooft, vertrouwt het – hier en
nu nog niet direct zichtbare- handelen van God in de werkelijkheid niet. Daarom wordt hij het zwijgen opgelegd. Hij (en dan nog als priester) kan en mag niet meer over God spreken, want hij vertrouwt die God niet voldoende. Zacharias blijft bij het oude, bij de traditie, bij de vastgeroeste joodse geloofsopvattingen, bij wat hij WEET en
wat hij kan ZIEN. Hij gelooft niet dat God telkens weer nieuwe wegen aanbiedt opdat het de mensheid goed zou gaan, opdat
Zijn heil over de mensheid mag neerkomen. Zacharias mag het kind ook niet zijn naam\
- dus de naam van de vader- geven, zoals dat een vaste traditie was. Een duidelijk teken al dat hun kind het godsgeloof
en gods-vertrouwen van Zacharias niet verder mag en ook niet verder zal
doorgeven. Hun kind, Johannes de Doper, gaat een nieuwe weg, de weg waar God de
mens meer nabij komt, de weg die Jezus zal verder zetten, verrijken en God nog
dichter bij de mensen brengen.
Hoe heel ànders dan bij Zacharias is de reactie van Maria op het Woord van God dat tot haar gericht
wordt, zoals we in de lezing van vandaag horen. Ze schrikt wel even van die stem - wie zou dat
niet doen? – maar bij haar geen ongeloof, geen weerstand, geen vraag naar geruststelling
en zekerheid in de zin van: hoe kan dat, wat haal ik me daarmee op de hals, en
mijn verloofde Jozef dan? Alleen: ik heb wel geen gemeenschap met mijn verloofde, want
we zijn nog niet ‘officiëel’ getrouwd. Maar ook dan vertrouwt ze op God en op
Zijn handelen met haar. Vooral in dié zin, in de theologische zin, is Maria
maagd, d.w.z. rein, zuiver, onbevooroordeeld, geheel
ontvankelijk voor wat God van en met haar wil. Zij staat open en ontvankelijk
voor de weg die God met haar en met mensen wil gaan, ook al zijn het nieuwe en
nog onbekende wegen. Maria heeft, en wellicht zelfs als weduwe al, Jezus trouwens
nooit gehinderd op de weg die Hij van God uit is gegaan. Al heeft ze die weg
van Jezus heel dikwijls met pijn in het
hart niet begrepen, ze heeft de weg die Jezus van God uit is gegaan aanvaard,
in geloof en vertrouwen op God.
\
Zo begint met Maria het nieuwe: de weg van zelfopoffering en
van de weg die Jezus zal gaan. Maria: een jong meisje in een onooglijk klein dorpje, onopvallend, die –zoals
bijna eigenlijk alle vrouwen in die tijd - alleen maar huishoudwerk mocht doen en geen publieke rechten had. ……God handelt in gewone mensen. God zoekt geen aanzien, geen macht. Hij wil alleen mensen nabij zijn. dicht bij mensen zijn. Vandaar ook de eerste lezing: koning
David woont in een prachtig paleis en hij vind dat God hier bij ons dan ook in
iets prachtigs moet wonen: een prachtige tempel bijvoorbeeld. Maar bij monde
van de profeet Natan laat God David weten dat Hij geen tempel wil, dat Hij
onder de mensen wil wonen. God handelt in en door mensen, en wellicht nog het meest in gewone mensen, mensen
die zich onbevooroordeeld voor Hem willen open stellen. Vandaar dat Lucas niet verteld over Wijzen uit het Oosten die Jezus komen zoeken, zoals Mattheus doet,
maar over herders. Nu hebben wij van herders een romantisch beeld, maar is
Jezus’ tijd waren herders de laagste trap op de sociale ladder. Eigenlijk
hadden ze zelfs géén trap op die sociale ladder: herders werden toen gezien als
van zo’n allooi dat ze bij rechtszaken niet eens mochten getuigen. Zo wijst
Lukas er ons op dat mensen die als minderwaardig worden beschouwd als het ware
de eerste waren die Jezus ‘herkenden’ en ‘erkenden’. Een duidelijke vingerwijzing voor ons.
\