OPENINGSWOORD
Broeders en zusters, welkom op deze derde zondag van de advent. Vandaag in het evangelie een onooglijk mannetje in de woestijn: Johannes de Doper. Maar na 2000 jaar kennen wij zijn naam nog steeds. In positieve zin. Hij was de wegbereider van de Heer. Hij heeft het volk direct voorbereid op de komst van de Messias, de Gezalfde.
Johannes was wie hij was door de werking van de heilige Geest. Laten wij om diezelfde Geest vragen. Niet opdat men ook onze naam nog over 2000 jaar noemt, maar opdat wij veel goeds kunnen doen en veel mensen de weg naar God kunnen wijzen, opdat ook zij het goede gaan doen en wij uiteindelijk allemaal als één grote familie samen zullen zijn bij God in het eeuwig leven.
Johannes was heel bescheiden, werkte op de achtergrond, in de woestijn. Voor de keren dat wij onszelf eens teveel hebben opgedrongen, onbescheiden zijn geweest, willen wij nu samen om vergeving vragen.\
OPENINGSGEBED
Laat ons bidden. God, Gij weet hoe uw volk met geloof uitziet naar het feest van Christus’ geboorte. Wij bidden U: laat ons de vreugde van dit heilsmysterie beleven en dit feest steeds weer met blijdschap vieren. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon … . Amen.
Ofwel
Laat ons bidden. Heer onze God, altijd zijt Gij bezorgd om ons geluk. Geduldig en getrouw bereidt Gij uw volk voor op de komst van de Heiland. Doorbreek onze onmacht, ontsluit ons hart; dat wij onbevangen Hem erkennen, die midden onder ons zal komen: Jezus Christus, uw Zoon, onze Heer. Die leeft en heerst … . Amen.\
PREEK
Johannes de Doper komt om te getuigen van het licht. Geen licht dat ‘s morgens opkomt en ‘s avonds weer ondergaat, nee, als je dit geestelijke licht eenmaal hebt ontvangen, en je blijft het voeden, dan houdt het nooit op te schijnen.
Het duister is natuurlijk een symbool voor alles wat ons bang en verdrietig maakt, voor wat ons zorgen baart. Mensen zijn weleens bang voor ziekte, voor de gebreken van de oude dag: zal ik strakjes nog wel kunnen lopen, zal ik veel pijn hebben, hoe zal ik dood gaan? Mensen zijn bang hun baan te verliezen.
Als je Jezus’ licht hebt ontvangen en de kans geeft om in je leven te schijnen, dan kun je misschien nog wel ergens tegen op zien, maar je weet, dat God, je hemelse Vader als het ware over je schouder meekijkt, je draagt, en dat Hij je de kracht zal geven om er goed mee om te gaan en misschien opent Hij zelfs je ogen voor nieuwe mogelijkheden in je leven. Hij kan je helpen om ondanks dat ontslag, ondanks die ziekte, toch gelukkig te zijn. Je weet, dat Hij van je houdt, dat jij en je kinderen eens bij Hem zullen zijn, voor altijd.
De grote apostel zegt in de tweede lezing, dat wij altijd blij moeten zijn, dat wij moeten bidden zonder ophouden, dat wij God voor alles moeten danken. Oók dus als er iets ergs in ons leven gebeurt, want Hij kan er altijd iets goeds uit laten voortkomen. En … door vol te houden in moeilijkheden kunnen wij geestelijk sterker worden.
Tussen haakjes, “altijd blijven bidden” wil natuurlijk niet zeggen dat wij de hele dag door met een gebedenboek of met een rozenkrans in de hand door het leven moeten gaan, maar wel dat wij alles moeten proberen te doen in de Geest van Jezus Christus en wij zouden tussendoor heel gemakkelijk een schietgebedje kunnen doen: God, zegen die arme mensen, of: God, help die ruziemakers om vrede te vinden.
Wij kunnen wat leren van Johannes de Doper. Wij kunnen hem volgen in zijn bescheidenheid.
Toen de priesters en de levieten hem vroegen wie hij was, gaf hij toen een antwoord, zoals wij dat zouden doen? Zei hij: Ik ben Johannes, geboren uit de priester Zacharias en mijn moeder heet Elisabeth. Ik kom uit een stad in Judea? Niets van dat alles. Hij zei alleen maar wie hij niet was: Ik ben de Messias niet. En als zijn ondervragers volhouden, wijst hij alleen maar op zijn taak: Ik ben de stem van iemand, die roept in de woestijn: Maakt de weg recht voor de Heer. Het enige wat hij doet is naar Jezus Christus wijzen.
Hier geldt niet alleen een bekend gezegde: “Bescheidenheid siert de mens”. Ook is het zo dat als wij minder met onszelf en meer met anderen bezig zijn, dat God dan meer voor ons opkomt. En het effect daarvan is natuurlijk veel beter dan het opkomen voor jezelf.
Hoe kan iemand zo leven? In de woestijn, dat vieze voedsel, althans zo lijkt het. En dan toch zo veel mensen naar zich toetrekken. Geen reclame, maar wel heel veel klanten.
Het is, lieve mensen, de kracht van de Geest. Johannes leeft niet naar het vlees. Hij probeert niet allereerst allerlei aardse verlangens te vervullen. Hij richt zich op de Geest. En dan werkt die Geest ook in je. Hoe minder je je aardse verlangens najaagt, hoe sterker de Geest. Niet dat wij niet met het aardse mogen bezig zijn, in tegendeel, wij hebben het aardse van God ontvangen om er iets moois van te maken, maar er zou een gezond evenwicht moeten zijn tussen omgaan met het aardse en aandacht voor het geestelijke leven in onszelf en in de anderen.
Jesaja zegt het in de eerste lezing: De Geest van de Heer God rust op mij. De Geest heeft hem gezalfd. Zoals olie helemaal in je huid binnendringt, zo wil ook de heilige Geest om doordrenken met liefde, wijsheid, inzicht en sterkte tot in ieder hoekje van zijn mens-zijn. En waarom: om aan armen de blijde boodschap te brengen, zegt Jesaja zelf. Om alle mensen met een gebroken hart te genezen, om opgesloten mensen vrij te laten.
Jesaja doet dat niet uit zichzelf, maar in opdracht van de Heer. En hij moet het dus ook doen op de manier van zijn Heer. Als iemand komt in naam van de koningin, dan moet zijn manier van doen en laten, de inhoud van zijn boodschap wel zo zijn, dat die ons doet denken aan de koningin. Zo ook moeten wij als wij mensen helpen het op zo’n manier doen, dat de mensen het ervaren als worden zij door God zelf geholpen. Alleen dan brengt een goede daad hen dichter bij God.
Johannes was heel bescheiden. Misschien hebben wij reden om nog meer bescheiden te zijn. Zijn wij niet zo goed als hij. Toch houden de Vader en de Zoon en heilige Geest ook van ieder van ons voor de volle honderd procent. Jezus Christus gaf zijn leven voor ieder van ons. Tonen wij onze dankbaarheid door in hun Naam mensen te helpen. Door altijd weer bij hen terug te keren om ons door hen te laten inspireren en voeden. Want wat je niet hebt, kun je ook niet geven.
Beseffen wij, dat wij als christenen allemaal ‘gezalfden van de Heer’ zijn, geroepen en gezonden om de weg van de Heer te bereiden door gebeden en goede werken.\
SLOTWOORD
Broeders en zusters, er was ooit een abt van een klooster, die zich grote zorgen maakte over de onvrede onder zijn monniken. Hun ijver verflauwde, zowel tijdens het werk als in hun gebedsleven. Bovendien was de onderlinge liefde onder de broeders ver te zoeken.
Ten einde raad nam hij zijn toevlucht tot een rabbi, wiens wijsheid tot in de verre omtrek geroemd werd.
“Wat moet ik doen om de sfeer in mijn klooster te verbeteren?” vroeg hij aan de rabbi. Deze trok zich terug in gebed en de abt wachtte.
Geruime tijd later kwam de rabbi terug en gaf de abt het volgende antwoord: “Ga terug naar uw broeders en verheug u, want ik heb vernomen dat de Messias in uw klooster zijn intrek heeft genomen.”
De abt aanvaardde de terugreis, verwonderd over hetgeen de rabbi had gezegd. En in het klooster aangekomen riep hij de monniken bijeen en zei: “Ik heb vernomen dat de Messias onder ons is.”
Vanaf dat moment veranderde de instelling van de broeders. Hun werklust en gebedsleven bloeiden, en hun dienstvaardigheid en onderlinge liefde waren als nooit tevoren. Want sedertdien beschouwde ieder de ander als de Messias.
Beste medegelovigen, je medemens als een Godskind zien, als een broeder of zuster, maakt dat je heel anders met die ander omgaat. Laten wij af en toe maar eens rondkijken: die daar is een kind van God, mijn broeder, die daar is een kind van God, mijn zuster. En bedenken we dan dat alles wat wij voor een ander doen, dat doen wij ook voor God. Het kerstkind zal tot ons komen en ons helpen als wij gaan tot onze medemensen.\