Inleiding.
Welkom. Kees zal de drie kaarsen voor ons aansteken.
Toen het latijn nog gebruikt werd, heette deze derde zondag in de advent “Zondag Gaudete”, naar de beginwoorden: “Verheugt u in de Heer te allen tijde. Nog eens: verheugt u! Uw vriendelijkheid moet bij alle mensen bekend zijn. De Heer is nabij. Weest onbezorgd”.
En de dichter Huub Oosterhuis heeft die woorden aldus weergegegeven: “Weest verheugd, van zorgen vrij: God die wij aanbidden is ons rakelings nabij, wonend in ons midden. Midden onder u staat Hij die gij niet kent.”
Homilie
Beste dorpsgenoten,
Toen ik de eerste lezing las, die u zojuist gehoord heeft, uit Jesaja, moest ik denken aan een hele grote tractor zoals die vaker door de straat donderen, van die enorme machines waar je naar omhoog kijkt en die tot alles in staat lijken. Na een ogenblik is alles weer rustig. Het lawaai, de grote woorden zijn weer ver weg!
Ik las over genezing, vrijlating van gevangenen, vreugde, gerechtigheid, de glorie van God voor het oog van alle volkeren. Straks gaan we weer naar huis, zieken blijven ziek, harten blijven gebroken, gevangenen worden als afgedankt vee opgeslagen in geheime gevangenissen, en van de mooie woorden blijft niets meer hangen.
Hebben we wel zo’n enorme tractor nodig? Kunnen alleen die heilige woorden uit de bijbel ons bemoedigen?
Gisteren stond op de voorpagina van Trouw een foto van een zwarte vrouw in een rommelige huiskamer, een mand vol met vuile was op de voorgrond, aan het plafond een rek waaraan was te drogen hing. Jammer dat ik nog geen beamer heb, zodat u het met eigen ogen zou kunnen zien! De foto stond er n.a.v. de nationale vrijwilligersdagen gisteren en eergisteren. De meeste leden van het koninklijk huis staken toen ook hun armen uit!
De vrouw heet Orphé Niekoop. Ze is vijftig jaar. We lezen verder over haar: " Sinds veertien jaar vangt zij dagelijks buurtkinderen op bij haar thuis. Na school zijn deze kinderen op de straat aangewezen. Ze krijgen van Orphé te eten, doen hun huiswerk en praten over hun problemen. Soms vangt ze vier kinderen op, een andere keer zijn het er vijftien. ‘Ik heb een grotere ruimte gekregen om vrijdags meer kinderen op te vangen en meer activiteiten met ze te kunnen doen. Mijn huis wordt te klein’, zegt Niekoop lachend. Als moeder van acht kinderen vindt ze het “heel erg als kinderen verwaarloosd worden.”
Dit stuk is een goede vertaling naar onze tijd van de eerste lezing uit Jesaja. Het klinkt niet zo overdonderend maar de strekking is dezelfde. Het slaat op oma’s die hun kleinkinderen opvangen, op opa’s die hun kleinkinderen iets meegeven dat na 80 jaar nog in hen zal vibreren, op familieleden die zorgen voor zieke huisgenoten, mantelzorgers zoals ze heten, op vrijwilligers die hier de stoelen klaar zetten, zingen in het koor, de kerk levend houden, de sportclub en het jeugdwerk gaande houden. En nog zoveel meer. Ik maak me sterk dat velen onder mijn gehoor zich in deze vertaling terugkennen: “Zo iets doe ik ook!”. Al die mensen mogen de profeet nazeggen: “De geest van de Heer God rust op mij; Hij heeft mij gezalfd om aan de armen de blijde boodschap te brengen.” Als we het zo bekijken dan tellen die woorden van Mennen Sjaak niet meer! Bekijk het zo, bekijk gerust zo uw eigen leven. We mogen allemaal die woorden nazeggen: “De Geest van de Heer God rust op mij, op ons, Hij heeft mij, hij heeft ons gezalfd om aan de armen de blijde boodschap te brengen.”
In het evangelie staat dat prachtig zinnetje: “Midden onder u staat Hij die gij niet kent.” Daar kunt u ook bij horen: “aller dingen hoeder, heeft een menselijk gezicht, aller mensen broeder.”
Daar kan ik u twee verhalen over vertellen:
Sommigen van u herinneren zich misschien Pa Pinkelman en Tante Pollewop, de onsterfelijke creatie van Godfried Bomans. Hij eindigt de avonturen van dit allermenselijkst echtpaar met de woorden: “Vraag mij niet waarheen Pa Pinkelman en Tante Pollewop gegaan zijn, noch in welke streek zij zich bevinden. Ik heb daar geen vermoeden van. Een ding slechts vermoed ik: dat zij vlak bij u leven! Geef acht op de eenvoudigen van deze aarde, de naamlozen en de onbelangrijken. Ga geen bolhoed achteloos voorbij en meen niet dat de dikke vrouw die aan zijn zijde loopt, uw opmerkzaamheid niet verdient. Want dan wellicht zijt gij hem juist gepasseerd.“De evangelist had het niet beter kunnen zeggen!
Het tweede: In een oude abdij met nog een paar oude monniken, maakten ze zich zorgen omdat er geen jonge mensen bij kwamen. Eens in de maand kwam de oude rabbi uit de stad een dag naar de abdij om er alleen zijn en te bidden. De monniken zeiden tegen vader abt dat hij de rabbi eens om raad moest vragen. Dat deed de abt toen de rabbi weer kwam. “Nee, zei de rabbi, ik kan u niet helpen. Ik maak hetzelfde mee: ik zie steeds minder mensen die op zaterdag naar de synagoge komen. Laten we maar wat bidden.” En ze lazen de teksten van Jesaja en van Johannes die u zo even gehoord heeft. Ze hielden elkaar vast en kregen de tranen in de ogen. Toen de abt terug moest voor het koorgebed, vroeg hij nog een keer voor alle zekerheid of de rabbi geen raad wist. De rabbi dacht even na en zei toen: “Weet je, wat je tegen de monniken zeggen kunt: de messias leeft tussen jullie, zonder te weten wie het is.” Thuisgekomen zei de abt dat tegen zijn monniken. Toen ze op hun cel waren, vroegen ze zich allemaal af wie dan wel de messias kon zijn. Sommigen vielen af, van anderen waren ze niet zeker, en enkelen, ja daar kon de messias wel tussen zitten. Maar je weet het nooit. Je kunt niemand uitsluiten. En van toen af gingen ze heel anders met elkaar om. Dat viel de mensen op als ze ooit in de kerk een kaars kwamen opsteken of buiten op het gras met de kinderen kwamen spelen. Er ging iets van die monniken uit en het duurde niet lang voordat er een paar jonge mensen aanklopten om zich bij hen aan te sluiten.
“Midden in wat mensen zijn heeft hij willen wonen, midden onder u staat hij die gij niet kent.”
Zou dat niet overal gelden waar mensen bij elkaar zijn? Zou dat ook niet hier gelden, in ons midden?
Dat het zo moge worden.