3

B-cyclus · Advent · 3e zondag van de Advent · roze

Lach of ik schiet! Afgelopen zomer, geachte aanwezigen, was ik betrokken bij een huwelijksviering. Eén van de beide partners die zich met elkaar verbonden is lid van de zogenaamde Lachclub Amsterdam. Die bestaat dus. Ik had er nog nooit van gehoord. Georganiseerd lachen. Onder het motto “lachen is goed voor een mens” en: “lachen kun je leren” en je kunt er béter in worden. De bron van het lachen in jezelf, die dichtgeslibd kan zijn, ópdiepen en vanuit die bron gaan leven. De Lachclub Amsterdam. Er is ook een kinderafdeling. En er zijn internationale contacten, want: lachen is universeel, het is een “taal” die alle mensen verstaan. De persoon met wie ik te maken had, Maartje, zat echt in wat ze noemde “de lachwereld”. En ze sprak ook over “lach-collega’s”. Ze maakt er bijna letterlijk wérk van.

Ik acht de kans gróót, dames en heren en kinderen, dat Ú intussen gedacht hebt: Wat een overdreven en geforceerd gedóe! En: lachen kan ik zó óók wel … Daar heb ík geen lachclub voor nodig. Zulke gedachten gingen natuurlijk ook door míjn hoofd toen ik er zo over hoorde. Bij de huwelijksviering in kwestie was het samen lachen door alle bruiloftsgasten, in de “welkomstlach” bijvoorbeeld, ook geprogrammeerd. Ik heb me er maar aan over gegeven, maar vond dat niet zo gemakkelijk. Misschien heb ik wel gelachen als de spreekwoordelijke boer met kiespijn. Lachen op commando, omdat het min of meer móet. Dan gaan meteen je haren overeind staan. Dat roept meteen verzet op.

Toch lijkt het er op, geachte toehoorders, dat ook de apostel Paulus, wiens woorden wij hoorden in de tweede lezing, uit zijn tweede brief aan de christenen van Thessalonika, één van de Griekse steden waar de studenten de afgelopen weken zo tekeer zijn gegaan; toch lijkt het er op dat ook Páulus zoiets van ons wil, waar hij schrijft: “Weest altijd blij”. Dames, heren en kinderen, kán dat? Amerikanen en speciaal ook Amerikaanse evangelische christenen zijn er goed in. Maar hoe écht ís die blijheid? Op ons komt het al gauw een beetje “gemaakt” over. Is die smile niet van plastic, zo vragen wij ons af. En toch bestaat er vanouds toch ook zoiets als “Roomse blijheid”. De zusters vroeger waren daar goed in. Maar hoe staat het ermee? Hoe zit het met de Roomse blijheid? Is die er nog wel? Is die niet zoek? Moeten we die hoognodig terugvinden als dat zo is? Vragen die er toe doen, zo dunkt mij, op deze zondag Gaudete, de zondag van de Vreugde. Hoe word je een blij mens?

“Weest altijd blij” schrijft Paulus. En onmiddelijk daaropvolgend: “Bidt zonder ophouden. Dankt God voor alles. Dit is het wat God van U verlangt in Christus Jezus” Dus dat zal er dan wel mee te maken hebben, met die blijheid. Dan moet je dus voortdurend “met God bezig zijn” in je hoofd en in je hart. Hem voor alles danken. Een dankbaar hart hebben. Dat is natuurlijk niet zo gemakkelijk. Want er gebeuren veel rotdingen. En een mens heeft wel eens slechte zin, toch? Ja, beste mensen, maar wat doe je daar mee? Hoe ga je daarmee om, met die rotdingen en met die slechte zin? Laat je allerlei golven van negativiteit waar je eventueel mee te maken krijgt, laat je die maar gewoon over je komen? En laat je jezelf er maar gewoon door meevoeren? En dóe je er misschien ook aan mee, aan negatief, afbrekend, diskwalificerend praten en denken over mensen en omstandigheden? Gemakkelijk komen we dan met elkaar in een hele naargeestige draaikolk terecht en wordt het steeds erger. En dat lijkt me dus niet de bedoeling. Nee, zorg dat je daar buiten blijft! Doe daar niet aan mee. “Blust de Geest niet uit!” schrijft Paulus, “keurt alles, behoudt het goede. Houdt U verre van alle soorten kwaad.” “De God van de vrede, Hij moge U heiligen, geheel en al. Heel uw wezen: geest, ziel en lichaam moge ongerept bewaard zijn bij de komst van onze Heer Jezus Christus.” We worden met andere woorden opgeroepen, broeders en zusters, om kritisch naar onszelf te kijken, naar alles wat er in ons omgaat aan gedachten en naar wat er van ons uitgaat aan woorden en daden. En als we merken dat we daarin onzuiver zijn, dan mogen we ons inspannen om dat bij te sturen. Weest altijd blij. Bidt zonder ophouden. Dankt God voor alles. Ja, zelfs voor de moeilijke dingen en de moeilijke mensen. Juist daarin ligt voor jou een opdracht. Maak het jezelf niet te gemakkelijk. Schrijf mensen niet af. Breek het geknakte riet niet. Doof de kwijnende vlaspit niet uit. Hak de onvruchtbare vijgenboom niet om. Maar spit een beetje er rondom heen. Geef wat mest. Probeer ’t nog eens opnieuw. Schenk je vreugde, schenk je goedheid, doe je liefde uitgaan juist naar mensen die daar wellicht het minst aanleiding toe geven. “Benedicere”, zegenen, letterlijk “goed spreken” - het goede zeggen (en het goed dénken) over mensen. Als we dat doen gebeuren er wonderen mede-gelovigen.

En er is nog iets. Daarop wijst ons het evangelie van deze dag waarin we opnieuw Johannes de Voorloper oftwel de Doper tegenkomen. Wie ben je? vragen ze aan hem. En hij antwoordt: “Ik ben de Messias niet.” En ook niet Elia. En ook niet de profeet. “Ik ben een stem die roept in de woestijn: “Maak recht de weg van de Heer.” Dat recht maken van de weg van de Heer kunnen we gemakkelijk verstaan in het licht van wat we al hoorden. ’s Morgens vroeg bid ik altijd de zogenaamde “lezingendienst”, het oude zogenaamde nacht-officie. En daarin klonken vandaag de volgende woorden: “Voor de komst van de hoogste Koning moet het hart van de mensen gezuiverd worden, zodat wij Hem waardig tegemoet gaan; want zie, Hij komt en zal niet talmen.” Dat is een manier van te zeggen wat de weg van de Heer recht maken inhoudt. Dat is: je hart zuiveren. Gooi alles eruit wat je hart en je geest bezoedelt en vertroebelt dierbare gasten en parochianen! Ga biechten of wat dan ook, maar zorg ervoor dat er helderheid en ruimte ontstaat bij jou van binnen. Alleen dán kan er ook blijheid zijn, die hele lichte blíjheid, de blijheid van een kwinkelerend vogeltje in het voorjaar.

“Hij die na mij komt, ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken” zegt Johannes. Hij is een heel nederig mens. Een niet erg populaire deugd in onze dagen, “nederigheid”. Je hoort er weinig over. Het komt er meer op aan, dezer dagen, dat je jezelf groot maakt en je laat hóren en je doet gelden. Zo niet Johannes. Hij weet wie hij is. En hij weet waar hij voor dient of liever gezegd, hij weet wíe hij dient. Én hij weet wie hij niets is en wat niet aan hém is. Hij kent zijn plek. En ik denk, beminde gelovigen, als wij vandaag op zoek zijn naar vreugde, naar blijheid, dan denk ik dat ook dat daar bij hoort. In alle eenvoud je plek innemen en in beginsel niet de grenzen van je competentie overschrijden en de anderen hún en vooral De Ander (met hoodletters) Zijn ruimte daarmee latend, ook dat is, zo dunkt mij een belangrijk ingrediënt voor vreugde oftwel blijheid.

Johannes geeft alle ruimte aan de komende Heer, aan Jezus die zonder dat wij hem misschien herkennen al in ons midden aanwezig is. Want Hij veelgeliefden, Jezus de Heer, heeft een blijde boodschap voor de armoedige mensen die wij zijn. En hij kan je hart als het gebroken is genezen. En als je jezelf gevangen en opgesloten voelt in je leven, binnen de beperkingen van je lichaam, van je geest, van je persoonlijke achtergrond, dan kan Hij je vrijheid geven. Jesaja jubelde het uit in de eerste lezing vandaag. Zoals we in de antwoordpsalm Maria’s jubel hoorden. Er wacht ons iets geweldigs mensen. Jezus komt. Wij zijn hier geen afdeling van de Lachclub Amsterdam, maar we zijn wel de Kerk van de Vreugde, de Kerk van de Roomse blijheid. Moge het zo zijn. Amen.

Zoeken in Preken Online