* Opnieuw staat Johannes de Doper voor ons. In de stoet van penitenten die optrekken naar hem om het boetedoopsel te ontvangen schuift ook Jezus aan. Hij was zonder zonde. En toch gaat Hij onder in een stroom van zondaars als hun deelgenoot. Hij zal ook alle zonde op zich nemen opdat deze ten diepste zou worden uitgewist. Hij is er als gesluierd aanwezig, nederig zoals God zelf in zijn scheppingsdynamiek onopvallend aanwezig is. In bescheidenheid dient zich de Waarheid aan.
1. Johannes zegt vandaag: “Onder u staat Hij die gij niet kent”.
-
Feitelijk is Jezus zijn leven lang een onbekende geweest. We weten weinig over Hem voor zijn publiek optreden. Het evangelie is bondig: “Hij groeide op in wijsheid en welgevalligheid bij God en de mensen” (Lc 2,52). Men kan vermoeden dat Johannes de Doper voor zijn optreden contacten had met een ascetische monnikenbeweging in de woestijn, “Essenen”. Die spirituele stroming leefde ook in heel wat gezinnen. Wellicht heeft Jezus deze beweging van nabij ervaren in Nazaret.
-
Het kennen van Jezus zal een traag proces worden. Zelfs voor de Doper, die tot tweemaal toe bekende: “Ook ik kende Hem niet” (Joh 1,31.33). Hij kende Jezus wel als zijn bloedverwant, doch niet in de diepte. De doop van Jezus werd voor hem een voorlopig openbaringsmoment, waardoor hij meer begon te zien en Hem als Messias erkende, zonder de inhoud ervan helemaal door te hebben. Hij wees Hem aan als ‘Dienaar van God’, zonder eerst te beseffen dat dit woord (Aram. ‘Talja’) precies hetzelfde was als ‘Lam Gods’, en dit ook ging betekenen. Als profeet zei hij meer dan wat hij zelf eerst verstond. Daarom zal hij, eenmaal gevangen, over Jezus echt gaan twijfelen.
-
De ogen van velen bleven te gesloten om Hem te snappen. Ze stonden vreemd tegenover Hem. met verblinding geslagen. Tegenover Jezus smeulde onderhuids de continue vraag: “Waar komt Gij toch vandaan ? Wie zijt Gij dan toch ?” (Joh 8), vraag die in crescendo openbarstte tot in zijn proces voor Pilatus (Joh 18,33; 19,9). Er is geen persoon over wie in twintig eeuwen meer inkt vloeide dan over Jezus. Men heeft Hem voorgesteld als een sociaal voorvechter, als een religieus genie… Prof. Etienne Vermeersch noemde Hem onlangs een heel klein profeetje. Niet louter langs wetenschappelijk historisch onderzoek of langs psychologische analyse zullen we weten wie Hij is.
2. Hem kennen we niet als we niet eerst één worden met Hem
-
Echt kennen is altijd een proces van eenwording, van assimilatie. In het Johannesevangelie komt dit zeer duidelijk uit de verf. God kennen is liefdegemeenschap hebben met Hem. Alleen Christus kent ten volle de Vader: “Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon die in de schoot van de Vader is, Hij heeft Hem doen kennen” (Joh 1,18). Hetzelfde geldt voor onze kennis van Christus, die ons de Vader doorvertelt. We kunnen Hem niet kennen zonder eerst zoals de apostel Johannes aan zijn boezemzijde te tafelen en in diepe verbondenheid met Hem te leven. Het werd het thema van Jezus’ hoogpriesterlijk gebed: “Vader,.. dit is het eeuwig leven dat de mensen U kennen… en Hem die Gij hebt gezonden, Jezus Christus” (Joh 17,3). Het is de kennis van de Herder met zijn schapen: “Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij, zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken” (Joh 10,14.15). Die kennis is experimenteel. Ze wordt geboren uit liefde-ervaring. Hij die diep met Christus verbonden leeft in gebed en actie, zal Christus waarachtig leren kennen.
-
Paulus heeft Jezus gekend, hoewel niets erop wijst dat hij Hem ooit tijdens zijn aardse leven zou hebben gezien. Zijn Christuservaring op de weg naar Damascus heeft hem nooit meer losgelaten. Die wilde hij overdragen aan wie zijn woord beluisterden. Bewogen schreef hij: “Mocht gij in staat zijn met alle heiligen te vatten, wat de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus die alle kennis te boven gaat…” (Ef 3,18.10). Hierbij aansluitend kon hij geen andere wetenschap verkondigen dan de kennis van de verrezen gekruisigde (1 Kor 2,2). Hij wist immers dat niet hijzelf nog leefde, maar Christus in hem (Gal 2,20). De uitdrukkingen “Christus in ons” en vooral “wij in Christus” komen nagenoeg 200 maal voor in zijn brieven. Ze dragen de betekenis van een omvormende dynamiek, die één maakt en doet kennen. Hij was overtuigd: “In Hem zijn we verlost en zijn onze zonden uitgewist” (Kol 1,13), in eenklank met Johannes: “Zie het Lam Gods dat wegneemt de zonden van de wereld” (Joh 1,29). Het Lam Gods (Apok 5,6) dat in het veelluik van Van Eyck staande ons zijn bloed geeft, lijkt wel de synthese van het Jezusmysterie
* Ons katholiek onderwijs werd doorheen de eeuwen opgericht om die Christus te verkondigen. Vandaag maakt het pluralisme dat ook in onze scholen doorgedrongen is, deze verkondiging niet zo evident. Daarnaast dienen de media graag andere ideologieën. Een jaar geleden publiceerde “Humo” een schandalige karikatuur van Christus. Er is veel reactie gekomen, maar “Humo” werd niet uit de rekken gehaald. Waarom valt men precies Christus aan ? Het is nodig dat onze jeugd Christus leert kennen en beleven. Wij ervaren een eucharistieloze gemeenschap. Christus dient zich aan, Hij is onder ons, maar als degene die men niet kent. Men loopt aan Hem voorbij alsof Hij er niet was. Om ons allen werd Gods Zoon mens. Hij houdt van ons. Hij wacht op ons. Hij ziet naar ons uit. Zal de erkenning van wie Hij is straks alle glans en glitter van Kerstmis doorbreken?