Het geeft een eigenaardig gevoelen als je plots beseft, dat je het eerste geschrift van het nieuwe testament aan het lezen bent. Het moet zowat het jaar 51 geweest zijn. Twintig jaar pas na de moord-dood van Jezus. Om die reden doet het me iets deze brief te lezen. Het is niet zomaar een brief. Het is de eerste in de rij. Paulus was er vroeg mee bezig. Gelukkig is dit voor ons bewaard gebleven.
En het is meteen een oproep tot vreugde. Je voelt Pasen en Pinksteren. Het is fris, vers, nieuw. Christenen behoren mensen te zijn van vreugde. Natuurlijk is dat een must: wie Pasen en Pinksteren gedenkt, leeft in vreugde. Het is ook sterk: de mens leeft niet meer als een ter dood veroordeelde, maar als een geroepene tot leven. De dood is er natuurlijk altijd, en het lijden dat eraan voorafgaat ook, maar het is niet langer meer het laatste. Voortaan kunnen mensen over zichzelf, over hun pijn en hun verdriet, over hun angst en hun twijfel met andere woorden spreken. En het mag wel een beetje archaïsch klinken, maar christenen hebben de Geest ontvangen. En dat verandert alles. Dat verandert heel ons levensgevoel. Dat verandert ons zicht op toekomst en verleden, op hoop en wanhoop, op leven en sterven.
Zo diep moet je denken als je deze eerste brief van Paulus leest. Hier is een mens aan het woord die gelooft, dat met die Jezus alles veranderd is. Zozeer veranderd, dat de mens nooit meer hopeloos verdrietig of hopeloos wanhopig kan zijn. Alleen, hij moet dan wel geloven! Hij mag nu geloven, dat het fundamenteel goed gaat met hem. Niets op aarde en niets in ons persoonlijk bestaan zal materieel veranderen: kiespijn, liefdesverdriet, de struggle for life, de stress om de dag van morgen, het zal allemaal blijven, maar het loopt ergens op uit: het loopt nu uit op een toekomst die dat alles overstijgt.
Voor Paulus mag een christen daar geen seconde meer aan twijfelen. Als hij daaraan toch zou twijfelen, ontbreekt er iets aan zijn geloof.
Ik denk, dat dit voor ons een dringende uitnodiging is om eindelijk eens te zeggen waar onze vreugde op steunt. Op onze prestaties? Op de bekroning van onze inzet? Op het succes van onze ondernemingen? Ook van onze pastorale initiatieven? Is het meetbare succes onze enige en laatste maatstaf? Of steunt onze vreugde op iets wat wij niet zelf hebben gemaakt? Met andere woorden, op iets wat wij hebben ontvangen? Op iets wat op ons te wachten ligt? Op iets wat ons ooit zal geworden?
En wat ons intussen staande en gaande houdt in het leven? Dat wordt ons voorgelezen in de kerk in de donkere koude maand december. Een belofte van vreugde in de winter.