Johannes moet een rare vogel geweest zijn. Een asceet, die ergens aan de rand van de woestijn bij de Jordaan optrad, en blijkbaar grote aantrekkingskracht had. De mensen liepen immers uit om hem te horen en te zien. De gewone mensen tenminste. Niet de leiders van toen. Die vonden hem een gevaarlijke gek, van wie ze wel eens wilden weten wie hij nou eigenlijk was, en waar hij het recht vandaan haalde om te dopen. Zijn antwoord op de vraag wie hij was, is heel duidelijk. Ik ben helemaal niks - zegt hij. Ik ben niet belangrijk. Ik wijs alleen maar iemand aan die dat wel is, die na mij komt, er trouwens al is, maar die jullie nog niet als belangrijk zien. Let maar niet op mij, maar houd je oren en ogen open voor Hem die na mij komt: niet ik maar Hij is Gods licht.
Het evangeliefragment vertelt ons dus: het gaat niet om Johannes, maar om Hem die hij aankondigt, om Jezus.
Er trad een mens op, geen zoon van God. Een gewoon mens dus, die niet zelf het licht was, maar die de mensen de ogen wilde openen voor het ware licht, dat schijnen zou in Jezus. Johannes was dus de messias niet. Ik stel eigenlijk niets voor - zegt hij. Zijn schoenen mag ik nog niet strikken. Ik doop met water, maar Hij met het vuur van zijn Geest.
Johannes is dus maar een mens, niet het licht, niet Elia, geen groot profeet, geen messias. Hij is maar een wegbereider, die bereid is weg te zijn en plaats te maken voor Jezus, zoon van God, licht van zijn licht, messias.
De paus bezoekt verre landen, brengt - net als Johannes indertijd - veel mensen op de been, en oogst alom applaus. Maar de evangelist zegt: Er trad een méns op. De bisschop schrijft bisschoppelijke brieven, en de pastoor preekt, maar de evangelist zegt: Niet hij was het licht. Aan beleidsmakers in kerk en parochie, aan katholieke omroepen en media die nog katholieker willen zijn, aan religieuze schrijvers en dichters vraagt de evangelist: Wie bent u? En het antwoord moet zijn: Wij zelf zijn de messias niet. Wij roepen in de woestijn: Bereid een weg voor de Heer. Wij zijn maar richtingwijzers, meer niet.
Het is goed dat in de kerk hoog en laag hun plaats kennen: nooit is iemand zelf het licht, en wie praat alsof hij Jezus zelf is, zit fout. Wie al te graag zichzelf horen en zichzelf belangrijk vinden, zijn bijna altijd valse profeten. Om te weten in wie de ware Jezus oplicht, moet je luisteren naar wat Jesaja al over hem zei: God heeft hem gezalfd, gesterkt, om aan armen goed nieuws te brengen, om gebroken mensen te genezen, om mensen te bevrijden die vastzitten en klem geraakt zijn, om betere tijden aan te kondigen als een genade van God.
Als de blijde boodschap niet doorgegeven wordt aan de armen, maar wel aan de rijken, wordt er niet getuigd van het licht. Als mensen die met zichzelf in de knoei zitten, en wier hart gebroken is, niet worden geholpen, en ook nog eens op hun hart worden getrapt, wordt er niet getuigd van het licht. Als in de klem geraakte mensen niet worden bevrijd, of als mensen geen genade wordt geschonken uit naam van de Heer, reken maar dat er dan niet wordt getuigd van het licht.
Mensen die - net anders dan Johannes - denken dat ze zelf belangrijk zijn, die zichzelf een licht vinden, hebben al een hoop duisternis gebracht.