De derde zondag van de Advent heet zondag Gaudete, verheugt u. Genoemd naar de oude introïtus ontleend aan Filippenzen 4 : " verheugt u in de Heer ten allen tijd. Wederom zal ik zeggen: verheugt u! Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend.
De Heer is nabij. Weest om niets bekommerd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij God".
Paulus geeft aan het einde van zijn brief een bemoediging aan de gemeente van Filippi. Verheugt u in de Heer ten allen tijd. De Heer is nabij. Dat betekent dat we blij mogen zijn dat de Heer dichtbij ons is. Eigenlijk helemaal geen Adventstekst.
Maar door de eeuwen heen is de kerk deze tekst gaan lezen als : verheug je op de Heer, want Hij is nabij, Hij komt.
“Je verheugen op” heeft alles te maken met wachten op, verwachten, uitzien naar. We kunnen ons op iets of iemand verheugen. We kunnen ons op zoveel dingen verheugen, op Kerst, een vakantie, een feest enz. We kunnen ons erop verheugen iemand na lange tijd weer terug te zien. En als het iemand is die ons dierbaar is, dan zien we met spanning naar hem of haar uit. Als het goed is moeten wij in deze Adventstijd, tijd van de komst, ook met spanning uitzien.
Maar wie verwachten wij ?
Dat is niet zo eenvoudig voor ons, maar ook niet voor de mensen in de bijbel.
Wie wordt er in de bijbel door het Joodse volk verwacht ? U zult zeggen: " de Messias". En daar begint het grote probleem. Het Jodendom gelooft niet dat in deze gebroken wereld van ongerechtigheid de Messias al komt in de gedaante van een mens. Voordat de Messias en het koninkrijk der hemelen komen, moet er wel het een en ander veranderen.
Daarom staat in de toekomstverwachting van het Jodendom de tekst van de profeet Maleachi centraal: " Zie ik zend de bode voor mijn aangezicht die de weg bereiden
zal… “. “Zie, ik zend de profeet Elia, voordat de grote geduchte dag des Heren komt.
Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart van de kinderen tot hun vaderen, opdat Ik niet kom en het land tref met de ban”.
Voor het eindgericht moet eerst Elia komen om de mensen op te roepen tot bekering.
Het Jodendom wachtte op de komst van Elia en de uitstorting van de Heilige Geest waarover de profeet Joël spreekt.
Sommigen verwachtten Elia of Mozes. Elia en Mozes zijn nooit echt gestorven, maar levend door God weggenomen. Zij houden als het ware een toekomst open en kunnen verwacht worden.
Tegen deze achtergrond kunnen we de evangelielezing van vandaag beter begrijpen.
In de tijd van Jezus leefde er bij de Joden een sterke verwachting van de spoedige komst van het koninkrijk der hemelen en daaraan voorafgaande de komst van Elia.
En dan is daar in de woestijn Johannes die er met zijn ruige profetenmantel, uitziet als Elia en de mensen oproept tot bekering.
De inwoners van Jeruzalem sturen priesters en Levieten naar Johannes om te vragen wie hij is. Johannes zegt uit zichzelf dat hij de Christus, dat is de Gezalfde, de Messias, niet is. Maar daar zouden ze natuurlijk ook nooit aan gedacht hebben. Maar aan wie dan wel ? En daarom vragen ze of Johannes Elia is of een profeet. En hij ontkent en zegt: ik ben de stem van een die roept in de woestijn: “maakt recht de weg van de Heer”.
Dat is de weg van waarheid, rechtvaardigheid. Een weg waar wij zovaak van afwijken en die wij krom maken. Johannes roept op ons te bekeren en weer Gods weg te gaan. Als een bode, een heraut, getuigt hij van het licht opdat wij onze eigen duisternis laten varen en ons openstellen voor het komende licht. Johannes wil slechts een wegbereider zijn die verwijst naar degene die komen gaat. Johannes doopt met water, die na hem komt met de Heilige Geest. We mogen hier denken aan de uitstorting van de Heilige Geest die voor het eindgericht verwacht werd.
Johannes zegt dat hij een stem is die roept in de woestijn. Als wij spreken over een roepende in de woestijn betekent dat: hij vindt geen gehoor, hij spreekt voor niets.
Geldt dat ook voor Johannes ?
Johannes zegt over hem die komen gaat: " midden onder u staat Hij die gij niet kent”.
Degene die Johannes aankondigt zal niet gekend, niet begrepen worden. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen.
In het evangelie van Johannes vragen de Joden wie Johannes de Doper is. In het evangelie van Mattheüs en Lucas laat Johannes de Doper zijn discipelen aan Jezus vragen: " Zijt Gij het die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten? En Jezus antwoordt: “gaat heen en antwoordt Johannes wat ge hoort en ziet: blinden worden ziende en lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het evangelie”.
Dit zijn de tekenen dat het koninkrijk van God dichtbij is. Als de discipelen van Johannes weg zijn, begint Jezus te vertellen wie Johannes is. En bij de evangelist Mattheüs zeg hij tot slot: " Hij is Elia, die komen zou. Wie oren heeft , die hore! “. Met andere woorden: als Elia, de bode er al is, de tekenen van het koninkrijk zichtbaar zijn, wie zou Jezus dan zijn ?
Dit moet voor de tijdgenoten van Jezus een groot raadsel geweest zijn, want de Mensenzoon zou als een bovenaardse figuur uit de hemel komen en niet onder ons leven als mens. Op dit punt zijn dan ook Jodendom en christendom uit elkaar gegaan. Het Jodendom verwacht de Messias nog helemaal. Voor het christendom is de Messias al gekomen en is de verwachting verschoven naar de wederkomst van Christus.
Ik kom terug op mijn vraag : wie verwachten wij ?
Ik denk dat de wederkomst van Christus ons niet zo bezig houdt. Maar wat dan wel ?
Is er bij ons nog verwachting; wordt er nog uitgezien naar iets.
We leven in een wereld waar verwachting tot berekening en prognose is geworden en uitgezien wordt naar de jaarcijfers van de grote concerns. Verwachting die afhankelijk is van economische wetten en de politieke situatie. Verwachting die de uitkomst is van systematische berekening en planning. Er wordt gewacht of de berekening, de prognose, uitkomt. Een wereld van oorzaak en gevolg, van wetmatigheden en cijfers. Een wereld die beheerst wordt door een politiek en economisch machtspel, waarin de mens de touwtjes stevig in handen heeft en er geen plaats is voor God.
Toch zullen we vroeg of laat in deze oppervlakkige wereld geen voldoening vinden en zullen we op zoek gaan naar dat wat een leven werkelijk waardevol en zinvol maakt.
Is er dan een mogelijkheid om die wereld, waar alles draait om mijzelf, om macht en berekening, te boven te komen ? Zeker. Als ik mij niet opsluit in mijzelf, maar mij openstel om een stem te horen die mij wegroept bij mijzelf vandaan, boven mij zelf uit, naar de ander toe, op zoek naar zingeving.
Zoeken naar zingeving, naar verwerkelijking van mezelf, is pas ten volle mogelijk als er wel plaats is voor God als ijkpunt en eindpunt van mijn handelen.
Dan zijn ook hoop en werkelijke verwachting mogelijk van een geheel onverwachte niet planbare toekomst.
In de Advent verwachten wij. Niet een passief afwachten, maar een actief open staan om te ontvangen. De Duitse theoloog Karl Rahner spreekt over de mens als “Hörer des Wortes”, " hoorder van het Woord”. Het wezen van de mens is dat hij openstaat naar de dingen, de wereld om hem heen. Tenslotte staat hij luisterend open naar het Woord, naar de stem van God, met de taak daar al handelend antwoord op te geven. Alleen zo kan de mens zich zinvol verwerkelijken en een echte toekomst hebben.
De stem van God heeft geklonken en zal klinken. Zal Hij gehoor vinden ?
Aan ons de taak als “hoorder van het Woord” in deze wereld ruimte voor Gods stem open te houden, voor de komst van zijn Woord, onze toekomst.
Zondag Gaudete (2005)
B-cyclus · Advent · 3e zondag van de Advent · roze