De uitdrukking “iemand een hart onder de riem steken” is al heel oud en
betekent zoveel als “iemand moed geven, iemand bemoedigen”. Het hart
heeft hier de betekenis van de zetel van moed. Diezelfde betekenis
vinden we terug in uitdrukkingen als: hij heeft het hart niet zoiets te
doen, hij heeft een groot hart, en: het hart zonk hem in de schoenen.
Een
hart onder de riem steken is vermoedelijk als beeldspraak ontleend bij
het leger, bij de soldaten. Een soldaat droeg indertijd zijn riem of
gordel schuin over het lichaam, de riem liep van de schouder over de
borst. Recht over het hart dus. Bij het begin van een veldslag stak men
de soldaat een hart onder de riem, men gaf hem dus de nodige moed mee.
Iemand
een hart onder de riem steken is tegelijkertijd heel gemakkelijk en
heel moeilijk. We kunnen er ons simpel van afmaken door iemand gewoon,
vrijblijvend moed toe te wensen: “Het beste, hou je goed, hou de moed
erin, het komt allemaal wel in orde.” Een uitspraak die ons niet veel
moeite kost, maar die ook weinig oplevert.
Minder eenvoudig is
het als we mensen in nood écht willen bemoedigen, écht weer moed en
hoop willen bieden. Dan moeten we niet alleen een paar mooie woorden
uit onze mouw schudden, maar ook bereid zijn echt iets te doen. En dat
wordt goed geïllustreerd door de eerste lezing van vandaag, uit Jesaja.
Jesaja
was de profeet uit de tijd van de ballingschap, een heel zware tijd
voor het volk van Jahweh. En hij kondigt het einde van de ballingschap
aan, hij brengt het goede nieuws dat zij weldra naar hun land zullen
kunnen terugkeren. Hij steekt zijn volk in nood, een hart onder de
riem. Hij brengt goed nieuws, hij brengt een blijde boodschap.
Maar
hij geeft ook meteen een opdracht mee. Baan een weg door de woestijn,
effen een pad door de steppe. Ieder dal moet worden verhoogd, iedere
heuvel geslecht. Een tocht door de woestijn is immers niet eenvoudig.
Daar lopen geen wegen, daar moeten wegen worden gemaakt. Jesaja zegt
niet alleen: het komt allemaal wel goed. Hij zegt er ook bij: doe iets
om dat doel te bereiken. En zo steekt hij een hart onder de riem, zo
brengt hij goed nieuws, zo brengt hij zijn volk een blijde boodschap.
Dat
is ook wat het woord “evangelie” letterlijk betekent: blijde boodschap.
En Marcus brengt ons vandaag het begin van zijn evangelie, het begin
van die blijde boodschap. En Marcus begint zijn evangelie bij Johannes
de Doper, ook een profeet, of toch minstens een bode. Iemand die de weg
moet banen of klaarmaken. En ook Johannes bevindt zich in de woestijn.
De woestijn staat in de Bijbel voor het dorre land, waar geen echt
leven is. Het land van zondigheid en kwetsbaarheid. Het land waar
mensen doorheen moeten om tot het volle leven te komen.
En in die
woestijn brengt Johannes een blijde boodschap, brengt hij goed nieuws,
steekt hij mensen een hart onder de riem. En ook hij geeft de mensen
een opdracht mee. Hij roept hen op zich te laten dopen en tot inkeer te
komen. Hij roept hen op zich te bekeren. Hun leven en hun levenswijze
te herzien en een nieuwe start te nemen.
Is het ook niet de taak van
wie zich vandaag christen noemt, mensen een hart onder de riem te
steken? De blijde boodschap te verkondigen, niet alleen met woorden,
maar ook met daden? En eigenlijk zelf die blijde boodschap te zijn? Wij
hebben in onze tijd die boodschap trouwens hard nodig.
Onze tijd
wordt getekend door de angst. Hoe meer de techniek vooruitgaat, hoe
groter de angst schijnt te worden. Angst voor een kernoorlog, angst
voor milieuvervuiling, angst voor werkloosheid. En mensen gaan dan op
zoek naar troost. Bij dokters en psychiaters, in alcohol en drugs, in
het opgaan in zijn werk, in moedeloosheid en cynisme.
Is het niet
onze taak hier een ander soort troost te bieden? Door echt een hart
onder de riem te steken, door echt een blijde boodschap te brengen of
te zijn? Neem nu even de campagne van Welzijnszorg. Armoede schaadt de
gezondheid. Arm maakt ziek en ziek maakt arm. We kunnen meewarig
knikken en denken: dat is juist, maar wat doe ik eraan? Is dat
misschien mijn schuld? En een cynicus zou zeggen: ik wil wel een
bijdrage storten, maar dat is eigenlijk niet meer dan een druppel op
een hete plaat. En de ultieme dooddoener is dan: de politici moeten dat
maar oplossen, het is de taak van de staat daar iets aan te doen.
Natuurlijk:
de campagne van Welzijnszorg zal de armoede in de wereld of zelfs in
onze eigen stad niet oplossen. En het zal nog wel een tijdje zo blijven
dat armoede de gezondheid schaadt. Maar dat geeft ons niet het recht
helemaal niets te doen. We kunnen tenminste proberen mensen een hart
onder de riem te steken. Niet alleen omdat onze financiële bijdrage een
directe nood kan lenigen, maar ook – en vooral – omdat wij op die
manier mensen kunnen doen ervaren dat zij volwaardig meetellen. Want
misschien is dat nog wel veel erger dan arm te zijn of ziek: het gevoel
te hebben er niet bij te horen, niet als volwaardig beschouwd te
worden, niet meer mee te tellen in onze maatschappij.
En dan is een
hart onder de riem steken misschien vooral: de nood van de ander
erkennen en ernstig nemen. Niet wegwuiven als onbelangrijk. Maar
proberen uitzicht te bieden en hoop. En hopen wil zeggen dat wij ons
niet tevreden stellen met de gang van zaken in onze wereld, dat wij ons
ook daadwerkelijk willen inzetten om een wereld op te bouwen zoals God
die droomt.
Dat wil zeggen dat wij in deze wereld wegen willen banen
van gerechtigheid en solidariteit. Dàt is de bekering die van ons wordt
gevraagd, veel meer dan alleen maar een geldelijke bijdrage volgende
week. Alleen op die manier kunnen wij mensen een blijde boodschap
brengen, een blijde boodschap voor hen zijn. Alleen op die manier
steken wij hen een hart onder de riem…
Een hart onder de riem (2008)
B-cyclus · Advent · 2e zondag van de Advent · paars