Een doopsel van bekering (2008)

B-cyclus · Advent · 2e zondag van de Advent · paars

* Deze tweede adventszondag brengt ons de aanhef van het Marcusevangelie. Tijdens dit nieuwe kerkelijk jaar zullen we vooral Marcus beluisteren, die na een tocht met Paulus leerling van Petrus werd, en in zekere zin het Petrusevangelie heeft geschreven. Dit is het oudst bewaarde evangelie.

* Bewust opent hij zijn evangelie met een echo van het eerste bijbelwoord: “In den beginne” (Gen 1,1): “Begin van de goede boodschap van Jezus Christus, de Zoon van God” (Mc 1,1). Ook het Johannesevangelie begint met die verwijzing. Hiermee laat Marcus verstaan dat het plan van God, de mensengeschiedenis, met Jezus een nieuwe aanvang kent. Ook de advent is een nieuw begin.

1. De goede tijding, het goede nieuws is Jezus zelf.

  • Met die eerste zin heeft Marcus al de toon van heel zijn evangelie gezet. Het was zeker ook voor heidenen bestemd: “Jezus Christus”. “Jezus” (Jeshua) betekent “God redt”. Die voornaam draagt een voorspelling. “Christus” is het Griekse woord voor Messias (Masjach) en betekent “Gezalfde”, dit is “Koning”. Met dit woord maakt Marcus duidelijk dat Jezus wel degene is die het Godsvolk als zoon van David verwachtte. En hij voegt er aan toe: “Zoon van God”. Wanneer hij schreef was de verrijzenis al achter de rug. De Kerk erkende Jezus reeds als Zoon van God in de diepe betekenis van dat woord. Het groot geheim van wie Jezus was staat zo voorop en is er van meet af onthuld.

  • Onverwijld verwijst Marcus meteen naar de profeet Jesaja; “Zoals er geschreven staat…” Jezus is niet een onverwachte luchtsteen die komt van een vreemde planeet. Neen. Jezus staat in de lijn van de geschiedenis van een volk, en van de hele mensheid. Daarom blijft sinds Vaticanum II de eerste lezing uit het Oude Testament elke zondag voor ons heel belangrijk. Het Nieuwe Testament is één verwijzing naar het Oude. Pas in Jezus’ persoon komt de lange Joodse verwachting klaar,

  • Velen vroegen zich toen af of Johannes de Doper zelf niet de Messias zou zijn (Lc 3,15). Maar hij beweerde met grote stelligheid: “Ik ben de Messias niet” (Joh 1,20). En dan komt zijn boodschap: “Na mij komt Hij die sterker is dan ik, en ik ben niet waardig mij te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken. Ik heb u gedoopt met water, maar Hij zal u dopen met de heilige Geest”. Johannes de Doper was er om een Andere in te leiden, de bode die de weg moest bereiden. Hij werd “de Voorloper” genoemd. Hij was er niet voor zichzelf. Die Andere zal u onderdompelen in de heilige Geest, in zijn eigen Geest. Jezus Christus zal de vernieuwing van de mensheid zijn.

2. In dit vooruitzicht preekte Johannes een doopsel van bekering.

  • Lucas vermeldt dat mensen in groten getale uittrokken naar hem (Lc 3,7). We lezen met enige verbazing bij Marcus dat heel de landstreek Judea en alle inwoners van Jeruzalem hem opzochten om zich door hem te laten dopen, terwijl ze hun zonden beleden. Matteûs noteert dat zelfs vele Farizeeën en Sadduceeën kwamen om gedoopt te worden, maar Johannes de Doper schold ze uit als adderengebroed (Mt 3,7). Lucas vertelt verder dat Farizeeën en wetgeleerden zich dan maar niet hebben laten dopen. Ze bekeken hem als van de duivel bezeten (Lc 7,30.33). Judea en speciaal Jeruzalem zal juist de harde kern van het verzet tegen Jezus zijn. Vanuit Galilea kwam zelfs Herodes naar hem luisteren en kreeg telkens wroeging (Mc 6,20); hij had hem zijn zondig leven verweten (Mc 6,18; Mt 14,4). De massa zag in de Doper een groot profeet (Mt 14,5; 21,26).

  • Die menigte kwam Johannes opzoeken in de woestijn. Ze verlieten hun comfortabele wereld om in een oord van verlatenheid de stem te gaan horen van iemand, die gekleed liep in het harde kameelharen hemd van een woestijnbewoner en zijn woorden niet spaarde om iedereen ook in zijn hemd te zetten: “Bekeer je. Verander van leven ! Maak een ommezwaai. Doe het omgekeerde van wat je nu doet.” - Voor de Hebreeën begon alles in de woestijn. In den beginne was de aarde een woestenij (Gen 1,2). In de Sinaïwoestijn werd het Godsvolk geboren. Die woestijn behoorde toen aan geen enkel volk, was open voor alle volkeren. Op de natievrije Sinaï sprak God tot Mozes voor het Godsvolk en tegelijk voor alle volkeren omwille van hun heil. Berg en woestijn zijn plaatsen van Godontmoeting. God is een sprekende God. En zoals God in den beginne, in de kosmische woestenij van de schepping sprak: “Het worde licht (Gen 1,7)”, en zoals Hij in de woestijn van de Sinaï Mozes de lichtzuil schonk voor de lange bevrijdingstocht, zo kwam de Doper in de woestijn van Juda “om dat Licht aan te wijzen opdat allen door hem tot geloof zouden komen.” (Joh 1,7).

* Het gaat om ons heil, onze uiteindelijke redding. De advent maakt ons hiervoor wakker en wenkt ons. Ook wij moeten in deze dagen de woestijn in. In het Russisch heet woestijn “Poustinia”, met deze bijbetekenis: de plaats waar we tot rust komen, onszelf ontdekken en de nodige innerlijke harmonie terugvinden. Het gaat om de woestijn van de soberheid die ons hart onthecht en bevrijdt; de woestijn van de stilte waarin we voor onszelf komen te staan, naakt onder Gods oog. De advent nodigt ons uit om, zoals de Joden in dichte drommen naar de woestijn trokken en in de golven van de Jordaan neerdaalden om hun zonden te belijden, op onze beurt onze eigen zondigheid te ontmaskeren, te erkennen, ze uit te spreken en zo het sacrament van de boete te ontvangen.

Zoeken in Preken Online