De vier weken die aan Kerstmis voorafgaan, vormen de advent. We bereiden ons dan voor op het meest sfeervolle hoogfeest van het hele jaar. Je zou verwachten dat het evangelie van de eerste adventszondag al iets laat doorklinken van die blijde kerstverwachting. Maar dat is niet zo. We lezen de slotverzen van Marcus 13. Daar gaat het helemaal niet over de komst van een kind, maar over de verschrikkingen van de eindtijd. De heer des huizes, die totaal onverwacht kan opdagen, is geen lieflijke verschijning. Jezus waarschuwt met klem: ‘Kijk uit, wees waakzaam.'
Of we het nu graag hebben of niet, er staan nogal wat bladzijden van die aard in het evangelie. De Blijde Boodschap is lang niet altijd geruststellend. Het is best mogelijk dat het evangelie ons hier geen schrik wil aanjagen, maar ons bewust wil maken van de schrik die altijd al in ons sluimert. Heel wat mensen hebben geen enkele belangstelling voor de Kerk. Ze zijn daar, zoals dat heet, ‘steengerust’ over. Met God ligt dat, denk ik, grondig anders. Ik vermoed dat niet veel mensen ‘steengerust’ zijn over God. Zou het kunnen dat het evangelie ons daarvan bewustmaakt en onze latente schrik voor God aan het licht brengt? Zeker wanneer God ter sprake komt in de context van ‘het einde’, want daar zijn we uiteraard niet gerust op.
Bang voor God? Men zegt ons wel voortdurend dat dit niet hoeft, maar is de schrik daarmee ook weggenomen? Een van de middelen om onze ongerustheid omtrent God te verbergen, is: over Hem zwijgen. God doodzwijgen, zoals trouwens de dood zelf ook doodgezwegen wordt. Maar daarmee is de ongerustheid niet weg, ze gaat dan onderhuids leven. Een ander middel kan zijn: over God discussiëren. Of Hij wel bestaat, of we Hem kunnen kennen, of ons godsbeeld wel juist is. Dat soort dingen. Het lijkt er dan op dat we met Hem bezig zijn, maar zolang de discussie niet beslecht is, kunnen we de finale confrontatie met Hem nog wel even uitstellen. We hebben nog voldoende vragen over Hem om ons niet rechtstreeks tot Hem te moeten wenden. We kunnen ook proberen onszelf gerust te stellen door uit het evangelie alleen maar die passages over te houden die zeggen ‘wat wij moeten doen’. Ietwat te scherp gezegd: een aldoor moraliserende verkondiging kan een uitstekend alibi zijn om het niet over God te moeten hebben.
Neen, God is niet om gerust over te zijn. Hij is Herder en Redder, maar ook Heer en Rechter. Wanneer wij, aan het einde van onze levensweg, niets meer zelf kunnen doen, zal Hij er nog altijd zijn. En dan? Mag ik stellen dat het evangelie op zijn manier uiting geeft aan onze taaie ongerustheid tegenover God? Dat het onze valse zekerheden omtrent God eerst aan diggelen slaat om dan pas te laten zien op wie wij werkelijk mogen vertrouwen? Spontaan is de mens bang voor God. Daarom is Kerstmis zo’n groot feest: het openbaart de (onverwachte!) menslievendheid van God.