1e zondag van de Advent – jaar B

B-cyclus · Advent · 1e zondag van de Advent · paars

Homilie op de eerste zondag van de Advent (jaar B): “Wees waakzaam”

(Mc. 13, 33-37)

Tielt, 30 november 2014

Als je met vrienden op reis bent, is de eerste vraag die je ’s morgens bij het ontbijt hoort: “Heb je goed geslapen?” Daarbij zou je kunnen verwachten dat de laatste vraag van je vrienden voor je slapen gaat zal zijn: “Ben je fris wakker geweest vandaag?” Die vraag krijg je meestal niet.

Blijkbaar is het slapen ’s nachts belangrijker dan het wakker zijn overdag. Er worden ten andere nogal wat slaapmiddelen geslikt door jong en oud om ’s nachts rustig te kunnen slapen. Maar veel erger is dat vele mensen zomaar slikken al wat te slikken valt om overdag slapend door het leven te gaan.

Dat lijkt heel verwonderlijk. Want we leven in een uiterst waakzame tijd. Zoemers, piepers of andere alarmsystemen beveiligen wagens en huizen. Onzichtbare stralen tasten je af als je een warenhuis verlaat. Elektronische ogen melden reeds vooraf je komst. Onze tijd is nog nooit zo waakzaam geweest, tenminste als het over het beveiligen gaat van eigen belangen : geld, bezit, enz…

Voor de rest leven de meeste mensen onder bestendige verdoving. De media, o.a. de T.V., het moderne ontspanningsleven, het high-society-gedoe in sommige middens, het drug- en alcoholgebruik, enz… zijn de moderne middelen die de hedendaagse mens in slaap wiegen en afstompen voor wat God en de naaste van hem verwacht. Ze hebben ogen en zien het leed of het onrecht niet. Ze hebben oren, maar horen het klagen, het vragen en het zuchten van de lijdende mensen niet. Ze hebben voeten, maar verzetten voor niemand een voet. Ze hebben een hart, maar het klopt niet voor een ander. Ze leven alsof ze nooit zullen sterven en vergeten dat de dood de beste stemvork is om op de juiste toon te leven, om te zien wat in het leven belangrijk is.

Je vrienden zouden je best elke avond vragen: “Ben je vandaag wel echt wakker geweest of ben je slapend door het leven gegaan?”

De evangelielezing van deze eerste zondag van de advent is een sterke waarschuwing tegen dat soort narcose van onze tijd en roept ons op om wakker en waakzaam te blijven: gevoelig en attent voor de vele wijzen waarop God onder ons aanwezig wil komen en waarop zijn menslievendheid hier op aarde vorm en gestalte moet krijgen.

De adventsfiguur, die we, naast Jesaja en Maria, elk jaar in deze tijd ontmoeten en die ons daarvoor gevoelig maakt, is Johannes de Doper, van wie Jezus aan zijn leerlingen zei: “Wat ben je in de woestijn gaan zien? Een riet door de wind bewogen?”

De adventstijd wil ons bewust maken dat we slechts “een riet zijn door de wind bewogen”. Dat is rijke poëtische taal! Riet zijn wil zeggen: heel broos zijn. We zijn mensen met een broos gevoelsleven. De stoerdoenerij van zoveel jonge mensen op hun brommer, achter het stuur van hun wagen of op straat, is meestal een erg onhandige camouflage van hun broos en kwetsbaar gemoed. De psychische weerbaarheid van veel mensen is thans heel zwak. Waarom anders zouden de psychiatrische instellingen zo overbevolkt zijn zelfs door jonge mensen? Waarom zouden er anders zoveel zelfmoorden gepleegd worden en wanhoopsdaden gebeuren ook door jongeren?

Maar ook onze gezondheid is zo broos. Elke dag staan de kranten vol doodsberichten van de levenden van gisteren. En wie vandaag nog werkt als een paard of vecht als een leeuw ligt misschien morgen door ziekte geveld.

Ook ons geloof is zo wankel. Meer dan ooit is op vandaag het bijbelwoord van toepassing: “Wie staat lette erop dat hij niet valt!”

De adventstijd zegt ons: “Wees waakzaam, want je bent slechts een riet door de wind bewogen.” Wees dus nederig en bescheiden.

Riet vind je in de Bijbel ook in het verhaal van Mozes: in een biezen mandje tussen het riet werd hij gered. Ook wij moeten dat biezen mandje zijn tussen het riet. Daartoe roept Welzijnszorg ons op in deze Adventstijd: om ons eigenbelang te overschrijden en mild te zijn voor de kansarmen in ons midden.

Riet doet ons in het evangelie ook denken aan de rietstok, gedrenkt in zure wijn, waarmee ze Jezus te drinken gaven op het kruis. Riet verwijst naar het offer van Golgotha en herinnert ons aan die harde wet dat Jezus volgen offers vraagt.

Er is ook en rietfluit, die bij voorkeur door de vredige herders wordt gebruikt. Ze kan ons begeleiden bij het zingen, in het Latijn “cantare” genoemd, wat ook bidden betekent.

Op Aswoensdag zegt de priester bij het geven van het askruisje: “Gedenk, mens dat je stof bent en tot stof zult wederkeren.” Bij het begin van deze adventstijd zou ik willen zeggen: “Gedenk, mens dat je slechts een riet bent door de wind bewogen.” Riet dat broos is. Riet rond het biezen mandje om minder bedeelden in je midden te helpen. Riet dat je herinnert aan Jezus’ offer. Riet dat ons begeleidt bij het bidden. Was het daarom dat Gezelle zo mooi dichtte: “O ’t ruisen van het ranke riet. Verstond ik maar uw droevig lied!”

Dan zouden we ontwaken uit onze bedwelming of narcose. Dan zouden we niet meer slapend door het leven gaan, maar waakzaam en klaar wakker om Jezus met Kerstdag te verwelkomen.

Vergeet in deze dagen het riet niet!

Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt

Zoeken in Preken Online