“Toen Jezus dan de voeten van Zijn leerlingen had gewassen,
en Zijn bovenkleren had aangetrokken,
ging Hij weer aan tafel en sprak tot hen:
Begrijpt gij wat Ik u gedaan heb?
Gij spreekt Mij aan als uw Leraar en Heer,
en dat doet gij terecht, want dat ben Ik.
Als Ik, uw Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen,
dan behoort ook gij elkaar de voeten te wassen.
Ik heb u het voorbeeld gegeven.
Doe voor elkaar zoals Ik voor u heb gedaan."
Er zijn vele manieren om elkaar onze liefde te tonen.
Wij zijn heel vindingrijk
in de tekens van onze tederheid en solidariteit.
Willen wij ‘christelijk’ liefhebben,
dan zullen onze tekens toch vooral gedragen worden
door Jezus’ teken van dienstbaarheid van vanavond.
Wat leert ons Zijn gebaar?
Hebben wij het goed begrepen?
Het leert ons iets
over de fundamentele, innerlijke houding bij onze dienstbaarheid.
Jezus begon de voeten van Zijn leerlingen te wassen
“in het bewustzijn dat Zijn Vader
Hem alles in handen had gegeven”,
dus vanuit een houding van diepe dankbaarheid tegenover Zijn Vader
voor alles wat Hem gegeven was.
Wie dienstbaar wil zijn in Jezus’ naam
zal leven vanuit een dankbaar hart.
Concrete hulp en daadwerkelijke solidariteit moeten zeker
tot reële resultaten leiden.
En toch is Jezus’ gebaar niet op de eerste plaats praktisch nuttig
om één of andere onmiddellijke, sociale nood te lenigen.
Willen wij mensen helpen zoals Jezus\
- en dat proberen wij op zo vele domeinen -
dan kan dat nooit vanuit de wil om iets te presteren,
maar dan kan dat alleen
vanuit een gevoel van fundamentele dankbaarheid
voor de zo vele mogelijkheden
die wijzelf reeds van God hebben gekregen.
Wie dienstbaar wil zijn in Jezus’ Naam
zal eerst en vooral als een dankbare mens in het leven staan.
Vervolgens zegt Jezus’ gebaar ons iets
over de manier waarop wij andere helpen.
Jezus knielt voor Zijn leerlingen.
Hij keek nooit op anderen neer. Alwie Hij ontmoette,
liet Hij integendeel steeds voelen dat zij de meerdere waren,
hoe klein, gehandicapt, gekwetst of zwak ook.
Jezus leeft, ook vandaag, onder ons, in de dienstbaarheid van zo velen
die voor anderen knielen om hen groter te maken.
Dienstbaar zijn in Jezus’ naam
is zich bescheiden durven opstellen
en geloven in kleine gebaren van verfrissing en opbeuring.
Tenslotte vraagt Jezus dat wij in onze dienstbaarheid
volledig deelgenoot zouden worden van Hem,
deelgenoot van Zijn doortocht, doorheen het lijden naar het volle leven.
Het vraagt veel moed
om ons elke dag te laten wassen door Zijn liefde,
om ons elk dag opnieuw te laten onderdompelen in Zijn mentaliteit
van zichzelf belangeloos wegschenken en anderen laten voorgaan.
Het vraagt veel moed te durven geloven
dat alleen deze belangeloze dienstbaarheid
ons de weg biedt naar het volle leven.
Er zijn vele manieren om elkaar onze liefde te tonen.
Wij zijn heel vindingrijk
in de tekens van onze tederheid en solidariteit.
Willen wij ‘christelijk’ liefhebben,
dan zullen de uitingen van onze liefde toch vooral gedragen worden
door Jezus’ teken van dienstbaarheid van vanavond,
dankbaar, bescheiden en belangeloos.
Totaal in diezelfde lijn liggen de andere tekenen
waarmee de Heer onder ons aanwezig wil blijven:
gebroken Brood en geschonken wijn.
Niet alleen maar brood en wijn.
Het teken ligt hem in het ‘breken en delen’ van het brood,
in het ‘schenken en rondreiken’ van de beker wijn.
Daarin heeft de Heer Zijn zelfgave getoond.
En dat kost moeite, en dat doet pijn..
Wie brood breekt, kan van te voren nooit precies weten
waar de breuklijn in het stuk brood juist komt.
Wie Jezus’ brood breekt met anderen
kan van te voren nooit precies weten
wat de Heer daarbij van hem vraagt.
Laten wij rond die tekens op Zijn tafel verder vieren.