Dag iedereen,
wat een zee van tijd ineens, dankzij (!) de Corona-crisis. En als er dan ook nog wat inspiratie beschikbaar is (ik zit hier al de hele dag met twee dames op schoot die ik goed probeer te soigneren: dame Corona en de Muze - sst… aan niemand zeggen!) dan gaat het soms goed vooruit.
In bijlage het volgblaadje voor het vijfde deel van de Mozescyclus, over het ‘samen-scholen in de woestijn’… Wordt (een beetje ter vervanging van de vieringen die niet mogen doorgaan) aan de gedetineerden uitgedeeld in de gevangenis PCB Brugge. Vier bladzijden - plus een vijfde extra, omdat ik het niet kan laten. Ik heb hier trouwens thuis enkele van die woestijnrozen of ‘rozen van Jericho’ - mocht iemand geïnteresseerd zijn: ze werken écht nog als ze een tijd in het water liggen. Ze zijn ook wel te kopen of te bestellen via internet, veronderstel ik. N prachtig symbool, met heel sterke symboolkracht – zeker in deze dagen.
Voilà. We naderen met rasse schreden de Goede Week. Vreemde sfeer toch. De klokken kunnen/mogen niet naar Rome vertrekken, en de Paashaas is doodsbenauwd, naar het schijnt, van de vi-russen.
We maken er samen het beste van. Dank voor het dagdagelijks gepresteerde pastorale en diaconale werk in moeilijke ‘woestijn-tijden’.
Met hartelijke groet - ‘We blijven - zeker in Corona-tijden - meer dan ooit investeren in verbondenheid!’
geert dedecker
vrijwilliger-aalmoezenier in de gevangenis PCB Brugge
V.

Je moet ook nog leren samenleven met anderen, Mozes!
Veertig jaar verblijf in de woestijn zijn daar een goede leerschool voor.
Onderweg reikt God jou tien wegwijzers aan, tien woorden die vertellen
wat écht leven in vrijheid kan betekenen.
we lezen het vijfde deel uit de mozescyclus
Van de Rode Zee ging Israël in opdracht van Mozes weer verder, de woestijn van Sur in. Drie dagen trokken ze door de woestijn zonder water te vinden. Toen kwamen ze in Mara. Het water van Mara konden ze echter niet drinken, zo bitter was het; vandaar ook dat die plaats Mara heet. Het volk begon zich bij Mozes te beklagen. ‘Wat moeten we drinken?’ zeiden ze. Mozes riep de Heer aan, en de Heer wees hem op een stuk hout. Toen hij dat in het water gooide, werd het zoet.
Daar in de woestijn gaf de Heer hun wetten en regels, en daar stelde hij hen op de proef. Hij zei: ‘Als jullie de woorden van de Heer, jullie God, ter harte nemen, als jullie doen wat goed is in zijn ogen en al zijn geboden en wetten gehoorzamen, zal ik jullie met geen van de kwalen treffen waarmee ik Egypte heb gestraft. Ik, de Heer, ben het die jullie geneest.’ Hierna kwamen ze in Elim, een plaats met twaalf waterbronnen en zeventig dadelpalmen. Daar sloegen ze bij het water hun tenten op.
Vanuit Elim trok het hele volk van Israël weer verder. Op de vijftiende dag van de tweede maand na hun vertrek uit Egypte bereikten ze de woestijn van Sin, die tussen Elim en de Sinaï ligt. Daar in de woestijn begon het volk zich opnieuw te beklagen. ‘Had de Heer ons maar laten sterven in Egypte,’ zeiden ze tegen Mozes en Aäron. ‘Daar waren de vleespotten tenminste gevuld en hadden we volop brood te eten. U hebt ons alleen maar naar de woestijn gebracht om ons hier allemaal van honger te laten omkomen.’ De Heer zei tegen Mozes: ‘Ik zal voor jullie brood uit de hemel laten regenen. De mensen moeten er dan elke dag op uitgaan om net zo veel te verzamelen als ze voor die dag nodig hebben. Daarmee stel ik hen op de proef: ik wil zien of ze zich aan mijn voorschriften houden. Op de zesde dag moeten ze tweemaal zo veel verzamelen en klaarmaken als op de andere dagen. Sommigen luisterden niet naar hem en bewaarden toch iets; de volgende morgen zat het vol wormen en stonk het. Mozes wees hen scherp terecht.
Exodus 15,22-27, Ex. 16,1-5, Ex. 16,20
ter overweging
In de Bijbel is ‘de woestijn’ altijd een leerschool, nooit een plek om definitief te blijven wonen. De woestijn werpt je terug op jezelf en doet je beseffen dat je het op je eentje niet aankan. Daardoor is het meteen ook de ideale leerschool om gemeenschap te vormen en de toekomst voor te bereiden. Het is een proefterrein om een andere manier van leven uit te testen. Elk verblijf in de woestijn – vrijwillig of gedwongen - wil ons duidelijk maken dat we aangewezen zijn op elkaar en op God.
De Bijbel is een realistisch boek. De verteller van Exodus stelt Gods volk in de woestijn niet voor als een soort vrome pelgrimsstoet met allemaal heiligen-in-spe. Er wordt verteld dat het volk regelmatig ‘mort’. Ze vragen zich af waarom ze ooit begonnen zijn aan die uitzichtloze tocht. Ze zeggen ja en neen tegelijk, ze weten soms niet meer waar ze naartoe willen, ze willen op hun stappen terugkeren, naar de vleespotten van Egypte. En straks aanbidden ze het Gouden Kalf, en dansen er rond als was het een idool en een afgod. Blijven geloven, blijven hopen en uitzien naar de toekomst is niet makkelijk. Hoe hou je het uit wanneer het zo lang duurt (‘veertig jaar’ heet zo’n lange periode altijd in de Bijbel), met elke dag niet meer dan een handvol manna en een veldflesje water geput uit de Bron?
De woestijn is de plek waar je geconfronteerd wordt met honger en dorst. Maar, zegt het verhaal van Exodus: maak je niet te veel zorgen: God zal voorzien… Bij Mara – dat betekent letterlijk: ‘de plek van bitterheid’, verandert Mozes met Gods kracht ondrinkbaar water in fris en helder bronnenwater. En elke dag valt er manna uit de hemel. Dit is een soort voedsel dat maar één dag lang bewaart. Je mag er daarom niet van meenemen voor twee dagen (behalve op de zesde dag, omwille van de sabbat). Je mag er geen voorraad van aanleggen, niet oppotten, niet hamsteren, niet alles krampachtig voor jezelf alleen houden. Het manna staat symbool voor God die er voor zorgt dat elke dag genoeg heeft aan zichzelf. Het zijn de kleine dingen die het leven leefbaar maken en houden in de woestijn. Je kan de genade (‘grâce’, zeggen ze in het Frans – datgene wat gratis is…) nooit grijpen, programmeren, opsluiten in je vuisten en op je spaarrekening zetten… Dag na dag moet je leren leven met open blik, open hart en open handen. In volkse taal: ‘God schept de dag, en moeder schept de soep…’
In de woestijn, bij de berg Sinaï, geeft God aan Mozes de twee tafels met de tien geboden. Je kan die tien woorden best zien als een soort richtingaanwijzers. Ze zijn ooit één keer aan de mensen gegeven, maar ieder van ons kan en moet ze elke dag op-nieuw ontvangen. Waarom zijn ze in het enkelvoud opgesteld? Opdat ieder individu tot zichzelf zal zeggen: ze zijn speciaal tot mij gezegd. Ik word er persoonlijk door aangesproken. Ik moet ze horen en er ge-hoor-zaam aan worden. Ik draag in mij de mogelijkheid om ver-antwoord-elijk te zijn voor mezelf en voor de anderen. En ik kan dat volbrengen, anders zou ik geen mens zijn.
In een joods commentaar wordt gezegd dat de tien geboden of de tien woorden op de berg Sinaï geklonken hebben in alle zeventig talen die toen op aarde gesproken werden. Niemand kan zeggen: ik wist er niet van, of ik heb er niets van begrepen… De tien geboden – dat is geen ‘tien om te zien’, maar tien om te doèn… Als ik ze gehoord heb en begrepen, dan word ik ook opgeroepen om er iets mee te doen. Geloven is een werkwoord, zoals liefde een werkwoord is. Op het einde van ons leven wacht ons alleen maar een praktijk-examen. Alle punten staan op ‘oefeningen’ en ‘dagelijks werk’…
De oude ‘tien geboden’ wat actueler vertaald: 1. Niets is God, tenzij JAHWE ‘Ik-zal-er-zijn’. 2. Misbruik Gods Naam niet. 3. Neem tijd om te leven. 4. Heb eerbied voor je vader en moeder. 5. Gij zult niet doden. Geef leven! 6. Blijf trouw aan elkaar. 7. Wees eerlijk en rechtvaardig. Pak niemand iets af, ook zijn waardigheid niet. 8. Respecteer de waarheid. 9. Breng respect op voor ieder mens, en maak hem of haar nooit tot een ‘object’. 10. Leer tevreden zijn met wat je hebt en wie je bent.
enkele vraagjes ter persoonlijke overweging
(misschien kan je hierover even met je celgeno(o)te in gesprek gaan)
Op het logo voor dit vijfde deel uit de Mozescyclus staan 10 wegwijzers onderaan rechts én 1 grotere wegwijzer (pijl) om het woord in te vullen ‘waarmee jij aan je toekomst werkt’. Welk woord vul jij dan in..? (mildheid, geduld, moed, hoop, herbeginnen…)
Kan je eens proberen enkele ‘spelregels’ op te stellen waaraan iedereen (directie, gedetineerden, personeel, diensten…) zich zou moeten houden om het leven in de gevangenis leefbaar te houden, en om het samen uit te houden in deze ‘woestijn’..? Een soort ‘tien geboden’ voor de gevangenis. Bijvoorbeeld: ‘Blijf altijd de mens achter de dader zien…’ of: ‘Laat altijd een mens in zijn waardigheid’. Of: ‘Verdraag elkaar en draag elkanders lasten!’…
Wat vind jij het moeilijkste in de ‘woestijn’ van de gevangenis? Wat maakt jou soms bitter? Wat geeft je honger en dorst naar de vrijheid? En hoe slaag je er in om dag na dag iets van ‘manna’ op te rapen om van te leven – juist genoeg om één dag door te komen misschien..?
** een getuigenis: ‘Mijn vrouw en kinderen zijn zwaarder gestraft dan ik…’**
Een gevangene getuigt over hoe hij het wachten op zijn vrijlating beleeft
Hoe verloopt het wachten voor een man die levenslang gekregen heeft? Kerk & leven praatte met een gedetineerde uit de gevangenis van Oudenaarde.(Eveline Coppin - Kerk & leven – 8 december 2010)
Lukt het u om hoopvol te blijven?
Ja; Ik probeer zo goed mogelijk mijn best te doen in de gevangenis. Ik behaalde al een diploma als kok en studeer nu kantooradministratie en gegevensbeheer. Verder probeer ik de familiebanden zo goed mogelijk te onderhouden. Zo schrijf ik mijn vrouw elke week een brief en elk van mijn vijf kinderen een kaartje. Als ik geen bezoek of les heb, werk ik. Ik plooi dan bijvoorbeeld handdoeken of Europese aanrijdingsformulieren, kleef barcodes of monteer LED-verlichting. Of rondellen verpakken. Daar heb ik er al miljoenen van gedaan. Gemiddeld verdien ik 250 Euro per maand. Daar kan ik mijn gerechtskosten, therapie en belkrediet mee betalen.
Dat ik positief blijf, heb ik vooral te danken aan mijn echtgenote, kinderen en ouders die onvoorwaardelijk achter mij blijven staan. Zeker mijn vrouw. Weet je dat ik met haar getrouwd ben in de gevangenis? Dat was confronterend, omdat ik besefte dat een deel van mijn leven hier gepasseerd is. De aalmoezenier zegt altijd dat echtgenoten echt moedig en bewonderenswaardig zijn, omdat ze jarenlang trouw hun partner komen bezoeken. Dwars door de tralies heen zien zij iemand anders dan gedoodverfde criminelen zoals de samenleving en media hen afschildert. Zij geven de hoop niet op dat hun geliefde tot iemand anders kan uitgroeien.
Hoe probeert u het lange wachten in de gevangenis sneller voorbij te laten gaan?
Met de jaren kweekte ik routines aan die mijn leven structuur geven. Er zijn momenten waarop ik eet, studeer, bezoek ontvang en werk. Ik heb mij ook leren bezig houden: ik kuis mijn cel, kijk tv, werk op de computer of schrijf naar mijn vrouw en kinderen. Wanneer het me allemaal te veel wordt, dan weet ik dat voldoende rust mij goed doet en ga ik ’s avonds op tijd slapen.
Wat maakt het wachten het lastigst?
Dat ik er niet ben voor mijn vrouw en kinderen. Zij zijn in feite veel zwaarder gestraft dan ik. Ik heb fouten gemaakt en moet daarvoor boeten, maar zij hebben niets misdaan. Als mijn echtgenote of kinderen het moeilijk hebben, dan probeer ik – ook al is dat van op een afstand – er zoveel mogelijk te zijn voor hen. Dan kruipt de tijd vooruit.
Wat was voor u het moeilijkste moment in de gevangenis?
De geboorte van twee van mijn kinderen. Ik wou de bevalling meemaken, maar ze hebben me dat geweigerd. Dat is keihard.
Wanneer gaat de tijd het snelst?
Als mensen mij komen bezoeken en op zaterdagavond. Dan breek ik met enkele vrienden het brood, want dan eten we samen. Elke week kookt er iemand anders. Dat koken loopt niet altijd van een leien dakje. Ooit al geprobeerd een ajuin te snijden met een mes waarmee je je boterhammen smeert?
U gaat wekelijks naar het gebedsmoment in de gevangenis. Ging u vroeger soms ook naar een eucharistieviering?
Nooit. Ik leidde een losbandig leven. Toen ik net achter slot en grendel zat, kwam de gevangenisaalmoezenier een klapke doen. Die had een uitstraling en een manier van doen die mij ongelofelijk aansprak. Hij drong zijn geloof niet op en dat was anders dan ik bij vroegere pastoors ervaren had. Ik dacht: ‘Bij u wil ik wel nog eens naar de mis gaan.’ Dat deed ik en ben ik blijven doen. Het stukje evangelie probeer ik tijdens de week in de praktijk om te zetten. Wat in de viering gezegd wordt, blijft plakken, vaak zonder dat ik het goed besef.
Ik hou ook van de stilte die wordt ingelast in het gebedsmoment. Die is immers schaars in de gevangenis. Tijdens de gebedsdienst denk ik aan mijn familie en vrienden en ook aan het slachtoffer en zijn verwanten. Dagelijks kun je aan het slachtoffer niet denken, want anders doe je aan zelfvernietiging. Ik heb echt spijt van mijn dommigheden.
Binnen enkele jaren zou u onder bepaalde voorwaarden vervroegd kunnen vrijkomen. Hoe stelt u zich dat voor?
In het begin zal ik het moeilijk hebben, vrees ik. In de gevangenis heb je veel routine en beschik je zelf niet over je geld. Als je iets nodig hebt, weet je tot wie je je moet richten. Ik herinner me dat ik na elf maanden voorhechtenis vrijgelaten werd en met mijn zakske op straat stond. Ik liep toen echt verloren.
Ik kijk er naar uit om vrijgelaten te worden. Hopelijk kan ik aan de slag als kok samen met personen met een handicap of in een Kringwinkel. Het probleem is dat je nooit zeker weet wanneer je vrij komt, aangezien zo’n voorwaardelijke invrijheidsstelling een gunst is. Omgaan met die onzekerheid is niet gemakkelijk.
Wat wilt u zeker doen als uw wachttijd er op zit?
Tijd doorbrengen met mijn kinderen, onder andere eens naar Bokrijk gaan. Daar heb ik goede herinneringen aan. En samen met mijn wederhelft iets gaan eten. En reizen… al zal dat alleen in België mogen de eerste jaren.
tot slot: wat voorbeden in deze onzekere tijden
God, gij die ons ruimte en vrijheid gunt,
leer ons die zo gebruiken
dat wij anderen niet de ruimte ontnemen,
dat wij ieder mens op onze weg
in zijn waarde laten,
en hem proberen te zien met uw ogen.
Maak ons ontvankelijk voor elkaar.
Gij die het kleine niet veracht,
wees bij degenen die zorgen hebben,
om hun kinderen of andere geliefden,
om hun gezondheid of hun werk.
Dat zij niet alleen zijn in hun angst of verdriet,
dat troost hen niet ontbreekt.
Gij die onvermoeibaar zijt
in het maken van nieuw begin,
Gij die steeds opnieuw uw hoop vestigt op mensen,
wees met de moedelozen
die niet meer durven dromen,
die de hoop hebben verloren
dat de wereld ooit nog leefbaar wordt
voor al uw mensen,
dat vrede mogelijk is,
dat de geschiedenis ten goede gekeerd kan worden.
Gij hebt het visioen van recht en vrede
ons in het hart gelegd.
Laat ons dan niet terneerslaan
door de overmacht van de feiten.
Maar laat ons ook oog hebben
voor alles wat gebeurt, nù,
alles wat uw toekomt dichterbij brengt:
waar mensen zorgen voor elkaar,
waar eigenbelang niet het zwaarste weegt,
waar vergeving is, trouw, barmhartigheid,
waar opgestaan wordt tegen de dood.
Laat het geloof
dat deze krachten sterker zijn
in ons niet uitdoven.
Ga met ons mee. Amen.
(Bettine Siertsema)

De Tuinman van Pasen gelooft in de veerkracht van de woestijnroos…
‘Woestijn en steppe zullen zich verheugen, jubelen en bloeien zal de dorre vlakte…’ (Jes. 35,1).
Een woestijnroos of ‘Roos van Jericho’ is een heel klein bolletje dat verschrompeld lijkt, dor en onaantrekkelijk. In de woestijn is het overgeleverd aan het spel van de wind; het rolt zichzelf achterna, en schijnt nooit tot rust en tot bloei te komen, tenzij het uitkomt bij water, of wanneer een regenbui als een zegen over de dorre woestijn neerkomt. Vanuit een ingeboren behoefte drinken de worteltjes zich dan vol, en langzaam maar zeker strekken alle takjes zich open en komen naar buiten. Zolang er water is blijft het bolletje teken van leven geven ; daarna valt het terug in zijn onaantrekkelijke, onvruchtbare vorm. Dit proces van dichtslaan en open komen kan zich in eindeloze herhaling voltrekken.
Vanouds is deze woestijnroos het symbool van de onsterfelijkheid en de wederopstanding. Vroeger zette men zo’n roos in de arbeidskamer in het ‘moederhuis’, omdat men geloofde dat het open komen van de roos het open komen van de baarmoeder van de vrouw in verwachting stimuleerde… Sterker symbool voor wat ‘vasten’ en ‘het uithouden in de woestijn’ betekent is in de natuur nauwelijks te vinden…
Een lied – hèt vrijheidslied van Gods mensen onderweg in de woestijn…
De steppe zal bloeien - tekst: Huub Oosterhuis, muziek: Antoine Oomen
De steppe zal bloeien, de steppe zal lachen en juichen. De rotsen die staan vanaf de dagen der schepping staan vol water, maar dicht. De rotsen gaan open. Het water zal stromen, het water zal tintelen, stralen, dorstigen komen en drinken. De steppe zal drinken, de steppe zal bloeien, de steppe zal lachen en juichen.
De ballingen keren, zij keren met blinkende schoven. Die gingen in rouw tot aan de einden der aarde één voor één, en voorgoed, die keren in stoeten.
Als beken vol water als beken vol toesnellend water schietend omlaag van de bergen, als lachen en juichen. Die zaaiden in tranen, die keren met lachen en juichen.
De dode zal leven. De dode zal horen: nu leven. Ten einde gegaan en onder stenen bedolven: dode, dode, sta op, het licht van de morgen. Een hand zal ons wenken, een stem zal ons roepen: Ik open hemel en aarde en afgrond. En wij zullen horen en wij zullen opstaan en lachen en juichen en leven.