Palmzondag C (2011)

A-cyclus · Vasten · Palmzondag · rood

“Judas zijn ligt me perfect”. Dat is me nogal een uitspraak, in de krant[1], van Martin van der Sterre, veertig jaar oud, zanger en acteur in rockmusicals. Deze week speelt hij de rol van Judas in een uitvoering van Jesus Christ Superstar. Hij heeft auditie gedaan voor Jezus. “Maar ik wist al dat Judas beter bij me paste. Hij ligt me perfect.”

Zelf was ik afgelopen donderdag in het Bijbels Museum aan de Herengracht (366-368). Daar werd een tentoonstelling geopend: “Petrus en ik”[2]. De fotograaf Michiel van Nieuwkerk, de broer van Matthijs, heeft voor die tentoonstelling ook een foto van mίj gemaakt. Dus ik háng daar, samen met onder anderen Joop van den Ende en Johannes van Dam. Ga maar kijken! Ik vind het mooi om er te hangen. Want “ik héb veel met Petrus” zoals dat heet. Ik herken mijzelf in hem. Ik herken mijzelf in zijn onstuimigheid, in zijn stoerheid en zijn stevigheid, maar ook in zijn verloochening, in zijn verraad. Nee, zo héél anders dan Judas is Petrus niet. Petrus piept ’m. Hij drukt z’n snor. Op het beslissende moment kiest ook hij voor zichzelf en laat hij Jezus vallen. En zo zijn ze, nee, zo zijn wé misschien wel ergens allemaal. “Toen lieten alle leerlingen Hem in de steek en namen de vlucht” zo hoorden we nadat Judas Jezus heeft gekust en de bende zich van hem meester heeft gemaakt. “Toen lieten alle leerlingen Hem in de steek en namen de vlucht.” En het staat er, veelgeliefden, óók met het oog op ons. Met die “leerlingen” worden ook wij bedoeld. Maak je maar geen illusies. Kijk maar naar Petrus. Als het er op aan komt vallen we tegen, dan laten we elkáár vallen, dan laten we elkaar alleen.

Waar ik bij was vertelde iemand onlangs over een collega op kantoor. In de lunchpauze blijft hij rustig langer weg, soms wel anderhalf, twee uur. Dat is voorgekomen. Degene die het vertelde had zich geroepen gevoeld om er met hun “leidinggevende” over te spreken. “Heb je er ook met je collega zélf over gesproken?” vroeg ik. “Op zich ben ik wel iemand die dat doet …” was het antwoord. Dat is dus het zelfbeeld. Maar gedáán had de persoon in kwestie het nu feitelijk toch niet geloof ik. Oftewel: de wérkelijkheid van deze persoon in deze omstandigheden is dus minder fraai. Petrus dus.

Jezus’ lijdensverhaal is een ontluisterend verhaal. Het is ontluisterend voor óns. Jezus-die-gekruisigd-wordt, is gek genoeg de enige die overeind, die staande, die geloofwaardig blijft. Ja veelgeliefden, zo is het. Jezus wordt doodgemaakt. Maar op het léven van Jezus heeft men geen vat. De beulen spijkeren Jezus’ lichaam vast. Maar Zijn vrijheid hebben ze nίet en krίjgen ze niet. Naar de uiterlijke mens gaat Jezus ten onder. Maar naar de innerlijke mens ontsnapt Hij. Zijn wezen ont-gaat ons. Jezus is vrij en niets en niemand kan Hem doden. In Petrus is duisternis. In mij is duisternis. In alle leerlingen is duisternis. En Judas sterft. Maar Jezus niet. Welnee … als Jezus sterft gaan “de graven (…) open en de lichamen van vele heilige mensen die ontslapen waren,” staan op. “Na zijn verrijzenis kwamen zij uit de graven en gingen naar de heilige stad waar zij aan velen verschenen.” Dat staat er. En hoe moeten we dat begrijpen? Ik, voor mij, leg het zó uit: als beeld van een verborgen, van een innerlijke werkelijkheid: Jezus’ leven is sterker dan de dood. Jezus’ dood, Zijn kruis, is een kiem en is een kracht die de doden opwekt. En die doden zijn wij. Wij zijn het geregeld. Wij zijn het vaak. Maar Hij, Jezus, lééft ook al is Hij gestorven. Laten wij dus Hem in ons Zijn werk doen. Amen. Geloofd zij Jezus Christus.

Zoeken in Preken Online