Vastentijd is woestijntijd, en dat wil voor gelovigen zeggen
een tijd van échter leven, meer waardevol leven.
Hoe is dat mogelijk in de woestijn?
Het Joodse volk had namelijk
tijdens zijn veertig-jaar-durende trektocht ervaren
dat de woestijn, ondanks al de ontberingen die zij er meemaakten,
juist een plaats werd van grotere solidariteit met elkaar
en van sterke verbondenheid met hun God.
Gedurende die barre tocht moesten zij elkaar de hand reiken
om samen vooruit te komen en iedereen mee te krijgen.
Zij leerden met elkaar het schaarse water
delen om allen te laten overleven.
Kortom zij ontdekten er dat zij,
ondanks de zeer beperkte uiterlijke middelen,
een hechte gemeenschap werden,
maar evenzeer dat hun God dan juist, als zij elkaar hielpen,
heel tastbaar aanwezig was.
Toen vooral hebben zij aan de lijve ervaren
dat hun God geen verre, afstandelijke, hoogheilige,
maar een heel nabije God was, die bevrijding bood,
juist doorheen de zorg van mensen voor elkaar.
Het was door die grote solidariteit
en door die sterke verbondenheid met God daarin,
dat de woestijn-periode voor hen hét voorbeeld werd
van een menselijk leven van hoge kwaliteit.
Volgens de bijbelse ervaring wordt God dus niet erkend
in het negatieve van de woestijn, in de ontberingen zelf,
maar wordt God ervaren in het positieve dat er gebeurt,
ondanks de ontberingen.
In onze christelijke spiritualiteit wordt God dus niet ontdekt als men
zich alleen maar enkele beperkingen gaat opleggen,
maar wordt God wel tastbaar ervaren
daar waar de mensen het meemaken dat zij door elkaar bevrijd worden
ondanks en doorheen
de uiterlijke beperkingen die het leven blijkbaar met zich meebrengt.
Wij zijn dus verkeerd als wij ons de vastentijd voorstellen
als een periode van wilskrachtige verstervingen.
Als wij zo beginnen dan is het grote gevaar
dat wij in die uiterlijke ascese blijven steken,
het belangrijkste missen
en dus helemaal geen woestijnervaring meemaken
zoals de Bijbel en de Kerk dat bedoelt.
In het christendom begint de vasten niet aan de buitenkant,
niet met uiterlijke beperkingen.
Het eerste is de innerlijke vernieuwing.
Wij mogen de woestijn maar intrekken
als de eerste bekering reeds gebeurd is,
als wijzelf het verlangen naar een meer waardevol leven aanvoelen,
als de drang naar een nieuw Beloofde Land
ons van binnenuit uitnodigt.
Het heeft dan ook geen enkele zin
dat wij ons verplicht zouden voelen om te vasten.
Als wij vasten, dan is het omdat wij op een of andere manier
innerlijk zelf reeds weten dat een vernieuwing ons deugd zou doen.
En een vernieuwing gebeurt niet spectaculair,
maar bescheiden en in het verborgene,
door een moedig voornemen van ons hart.
En als gevolg daarvan - en niet andersom -
gaan wij ons leven dan ook uiterlijk
anders organiseren, met andere prioriteiten.
Het probleem is alleen dat wij
de nood om te veranderen soms wel aanvoelen,
maar dat wij aarzelen en schrik hebben om er effectief aan te beginnen.
En dat is heel begrijpelijk.
Want echte, geestelijke vernieuwing is steeds de vrucht
van een pijnlijke, innerlijke tweestrijd:
gaan wij verder leven in de dubbelzinnigheden
die wij stilaan hebben opgebouwd
of kiezen wij voor grotere echtheid?
Als wij het echt willen
dan zullen wij ook de echte middelen gebruiken.
En zoveel goede middelen bestaan er nu ook weer niet.
Het evangelie van vandaag stelt er drie voor:\
- méér bidden in stilte en eenzaamheid,
dus meer momenten van intense verbondenheid met God,\ - méér aalmoezen geven aan onze medemensen,
dus meer solidair zijn met elkaar
en broederlijk delen, ook met de zwakkeren,\ - méér vasten,
dus meer dingen rondom ons loslaten en soberder gaan leven.
Door gedurende een tijd uitdrukkelijk
te bidden, te delen en soberder te zijn
kunnen onze meest fundamentele relaties worden hersteld:
onze verhouding met God,
met de anderen en met de dingen rondom ons.
Die periode mag niet te kort zijn.
Echte vernieuwing, die geen strovuur wil zijn,
heeft duurzaamheid nodig.
De ervaring leert: veertig dagen.
Veertig is in de Bijbel het symbolisch getal
voor de tijd die nodig is opdat een project
voldragen zou zijn, tot volle wasdom gekomen, levensvatbaar.
Het duurt veertig weken in de moederschoot
eer een mens geboren wordt.
Het duurt veertig jaar in de woestijn
eer een volk het Beloofde Land binnengaat.
Het duurt veertig dagen in de vasten
eer een mens tot een stukje nieuw leven verrijst.
In een volgehouden woestijn-tijd,
kunnen wij door geen enkel ersatz-troostmiddel
meer bedwelmd worden:
alcohol, pillen of ander wit poeder,
plaatjes uit boekjes,
TV-beelden om de tijd te doden, maar wellicht ook onze geest.
Wanneer al die valse afgoden die wij ons hebben gemaakt
worden weggeschuurd als door een zandstorm,
dan blijft over wat echt is.
Dan krijgen de echte verlangens van het hart weer een kans.
Dan ontdekken wij dat er een leven bestaat dat echter is
dan het leven met zijn compromissen, zijn maskers en zijn valsheid,
dat wij voorlopig aan het leiden zijn.
De woestijn is immers de plaats
waar de fata-morgana’s ontgoochelen
en waar onze illusies vals blijken.
Het is dus de tijd van de waarheid
over onszelf, nogal pijnlijk soms,
maar in werkelijkheid zeer heilzaam.
Eigenlijk moeten wij die woestijn
dus niet ver gaan zoeken
of ons uit de wereld terugtrekken.
De woestijn vinden wij als wij, in ons gewone leven,
een tijdlang durven ingaan op ons diepste verlangen
en gaan zoeken naar wat essentieel, waardevol en echt is.
En de middelen daartoe
hebben hun deugdelijkheid sinds lang bewezen:
intenser bidden, méér delen en soberder leven.
Aan allen een zalige woestijn-tijd!