IV.

De weg naar de vrijheid is een moeilijke weg, Mozes! De weg naar Pasen loopt dwars door de Rode Zee. Een kwestie van opstaan en kiezen voor leven, dag na dag. Gaan-de-weg de dood achter je laten.
we lezen het vierde deel uit de mozescyclus
Die nacht nog ontbood de farao Mozes en Aäron. ‘Ga onmiddellijk bij mijn volk weg,’ zei hij, ‘u en alle Israëlieten! Ga de HEER maar vereren, zoals u hebt gevraagd. Neem uw schapen, geiten en runderen mee, zoals u gevraagd hebt, en verdwijn! Maar bid dan ook voor mij om zegen.’ De Egyptenaren drongen er bij het volk op aan zo snel mogelijk uit hun land weg te gaan. ‘Anders sterven we allemaal nog!’ zeiden ze. Toen pakten de Israëlieten hun baktroggen, met daarin het nog ongedesemde deeg, wikkelden die in kleren en namen ze op de schouders.
Nadat ze Sukkot hadden verlaten, sloegen ze hun kamp op in Etam, aan de rand van de woestijn. De HEER ging voor hen uit om hun de weg te wijzen, overdag in een wolkkolom, ’s nachts in een lichtende vuurzuil. Zo konden ze dag en nacht verder trekken. Overdag ging de wolkkolom het volk voortdurend voor, en ’s nachts de vuurzuil.
Toen aan de farao, de koning van Egypte, bericht werd dat het volk gevlucht was, kregen hij en zijn hovelingen spijt. ‘Hoe konden we Israël zomaar laten vertrekken!’ zeiden ze. ‘Nu zijn we onze slaven kwijt.’ De farao liet zijn strijdwagen inspannen en verzamelde zijn krijgsvolk. Hij nam de zeshonderd beste wagens van Egypte mee, en ook alle andere, stuk voor stuk bemand met officieren.
Toen hield Mozes zijn arm boven de zee, en de HEER liet de zee terugwijken door gedurende de hele nacht een krachtige oostenwind te laten waaien. Hij veranderde de zee in droog land. Het water spleet, en zo konden de Israëlieten dwars door de zee gaan, over droog land; rechts en links van hen rees het water op als een muur. De Egyptenaren achtervolgden hen, alle paarden en wagens van de farao en al zijn ruiters gingen achter hen aan de zee in. Maar in de morgenwake keek de HEER vanuit de vuurzuil en de wolkkolom neer op het Egyptische leger en zaaide paniek onder hen. Hij liet de wielen van de wagens vastlopen, zodat de Egyptenaren de grootste moeite hadden om vooruit te komen. ‘Laten we vluchten!’ riepen ze. ‘De HEER steunt de Israëlieten, hij strijdt tegen ons!’ Zo redde de HEER de Israëlieten die dag uit de handen van de Egyptenaren.
Exodus 12, 31-34, Ex. 13, 20-22, Ex. 14, 5-7, 21-25, 30a
ter overweging
Ieder jaar opnieuw vieren de Joden het feest van Pesach/Pasen. Ze doen het als een anticipatie van wat komen gaat en komen moèt. Vooruit spelen op de toekomst. Het volk viert zijn bevrijding nog voordat de tocht naar de vrijheid begonnen is. Tijdens de Pesach-maaltijd vertelt men elkaar het eeuwenoude verhaal over een opstand onder leiding van Mozes, de stotteraar. Een onmogelijk verhaal, over een vrijgeleide die ze plots kregen om naar de woestijn te trekken, over een doortocht dwars door de Rode Zee, over verdrinkende achtervolgers: ‘Paarden en wagens wierp Hij in zee’ – hadden ze gezongen…
Sindsdien nemen alle generaties dit wondere verhaal in de hand en in de mond als een leidraad, als een programma en een agenda voor wat hen in dit leven te doen staat. En ieder jaar opnieuw wordt dit verhaal onder het stof vandaan gehaald en als nieuw verteld.
Als er één verhaal is waarin Gods reddende aanwezigheid duidelijk tot uiting is gekomen, dan is het wel het verhaal over de tocht uit Egypte en de doortocht door de Rode Zee, zeggen ze tegen elkaar. Bevrijding en verlossing bestaan écht, zeggen ze. Wij hebben het ondervonden.
Dus mocht jij ooit in deze situatie terecht komen, ga er dan van uit dat het kàn. Blijf geloven, blijf hopen, blijf verlangen… Zie naar de vrijheid uit en leef er naar toe. Leef vandaag al alsof het morgen zo ver is. Als het ooit met ons gebeurd is, waarom zou het dan in jouw situatie niet mogelijk zijn? Dat geloof en die hoop, die hunker en dat verlangen zullen heel jouw leefwereld veranderen, al wordt die nog zo getekend door frustratie, onvrijheid en onderdrukking. Te midden de angst en de dreiging, te midden de onmacht en de schuld, zal jij een beetje een Paas-mens worden. Iemand die vleugels krijgt van verlangen en ogen die nieuwe toekomst zien…
De Bijbel staat vol dergelijke verhalen van zoekende, soms wanhopige, soms hoopvol verlangende mensen. Mensen die afgaande op een Roep-stem hun weg zijn gegaan, alleen of met velen, en die al gaande gelukkig zijn geworden of juist niet. Verhalen waarin mensen nadenken over vragen die elke generatie zich telkens op-nieuw stelt: wie ben je zelf, wie is de ander en wie is God? Waarvoor ben je als mens op aarde? Waar gaat het met ons allemaal, met de wereld en de samenleving naartoe? Deze ‘Sterke Verhalen’ uit de Bijbel zijn er om verteld te worden, ze geven inspiratie om uit te leven. Door er dieper op in te gaan, wordt al snel duidelijk hoe actueel ze wel zijn.
Uittocht, Egypte en Beloofde Land, zijn meer dan begrippen of plaatsen uit een oud, versleten verhaal. De vragen die we ons moeten stellen, zijn: waar ligt ons Egypte, welke uittocht moeten we maken, naar welk Beloofde Land willen wij..? Waaraan zitten wij vast? Wat maakt ons echt vrij? En welke stappen moeten we daarvoor zetten?
Geloven in het spoor van Mozes is: wegtrekken uit het onleefbare, de onvrijheid, de verdrukking, de frustratie, de slavernij, de dood. Op zoek gaan naar een ander land, een leefbare wereld. Leren ‘opstaan’ dus. Dag na dag Pasen inoefenen op de plaats waar je staat. Vechten tegen de dood in al zijn vormen. Een moeizaam geboorteproces. Om dan tenslotte weg te trekken in de nacht, door de Rode Zee heen. Dwars door het water lopen, doen wat niet kan. Vruchtwater dat breekt. Verhaal van verlossing, menswording, geboorte…
‘De eigenlijke ballingschap van Israël in Egypte bestond er in, dat men geleerd had deze ballingschap te verdragen’, zegt de joodse traditie. Mensen (bijvoorbeeld in de gevangenis) hebben na een zekere tijd de neiging hun bestaan niet meer te zien als ‘Egypte’. Zij hebben zich zozeer aangepast aan het ‘systeem’, dat zij zich onder de heerschappij van Farao veilig voelen. Zij hebben zo geleerd het verblijf in dat vreemde land te verdragen, dat zij zichzelf helemaal niet meer zien als ballingen, als vreemdelingen in een land dat nooit het hunne kan of mag zijn…
Opstand en opstanding tegen die dood gebeuren, wanneer mensen (tenminste in gedachten al) besluiten om weg te trekken uit dat ‘Egypte’. Daarom zegt God telkens weer tegen Mozes en zijn volk: ‘Sta op, trek weg, ga desnoods dwars door de Rode Zee op zoek naar een leven in vrijheid…’
Wanneer gaat het gebeuren?
Gods volk stond aan de oever van de Rode Zee en wachtte vol ongeduld. Met de aanstormende legers van Farao in de rug, het dreigende water vóór zich. De tijd begon te dringen, als ze niet met hun allen de zee wilden ingejaagd worden. Toen vroeg Mozes aan God: ‘Wanneer gaat het nu gebeuren? Wanneer zal het water uiteengaan en komt er een pad dwars door de zee, zodat wij kunnen oversteken?’ Het antwoord van God luidde: ‘Zodra iemand van jullie de durf heeft één voet op het water te zetten, zal het water wijken en opent zich een weg. Is er niemand die dit durft, dan zal het wonder niet gebeuren…’
enkele vraagjes ter persoonlijke overweging
(misschien kan je hierover even met je celgeno(o)te in gesprek gaan)
Wat is ‘vrijheid’ voor jou? Is jouw opvatting over ‘vrijheid’ veranderd sinds je hier in de gevangenis verblijft?
Hoe zie jij dat gedroomde ‘land aan de overkant’ van de gevangenistijd? Wat verwacht je daar van? En hoe probeer je het verlangen naar die ‘overkant’ te voeden, te koesteren, te behoeden en te bewaren?
Welke zijn de moeilijkheden, de angsten, de ‘muren van water’ waar je tegen op ziet? Wat houdt je tegen, wat maakt je bang voor de vrijheid buiten?
Op welke manier ben je nu al bezig met het voorbereiden van jouw ‘Doortocht door de Rode Zee’ ooit, jouw weg naar een nieuwe toekomst in vrijheid (in je geest, je gedachten, je kijk op jezelf, de mensen, de wereld, het leven…)? Wat ‘leer’ je hier binnen dat jou van pas zal komen wanneer je ooit aan de overkant in vrijheid bent? En wat ‘leer’ je hier ‘af’, wat ‘leer’ je niet of veel te weinig?
een getuigenis: “Zet me in op gevaarlijke plaats of laat me mondmaskers stikken”: gevangenen willen zich nuttig maken in coronacrisis
De coronacrisis heeft een ongekende stroom aan solidariteit op gang gebracht. Mensen die anderen helpen met boodschappen doen, op kinderen van zorgverleners passen, mondmaskers maken. Zelfs in de gevangenis, waar de gevangenen het door de coronacrisis ook moeilijker hebben, leeft de vraag om iets te kunnen betekenen in de strijd tegen het virus, zegt aalmoezenier Siska Deknudt.
VRT NWS – 23 maart 2020
opinie
Siska Deknudt – gevangenisaalmoezenier P.I. Beveren.
Als ik de gevangenis binnenwandel lijkt het coronavirus stiekem mee naar binnen te sluipen, ergens ongezien tussen de plooien van mijn handen. Elke deurklink die ik vastneem moet ontsmet worden. Dat zijn er heel wat.
Gesprekken op de cel zijn niet meer toegestaan. Want stel dat ik een hoestbui krijg in die kleine en slecht verluchte cel? Na overleg met de kwartierchefs krijg ik een gespreksruimte op de benedenverdieping van de vleugel. De gedetineerden moeten naar mij komen in plaats van ik naar hen. Met een vragend gezicht komen ze de ruimte binnen. Hun uitgestoken hand moet ik weigeren. Zij schudden het hoofd. “Sorry” zeg ik, “coronagroet! In deze tijden ben ik de gevaarlijkste”. Brede glimlach. Werkelijk waar, het coronavirus heeft de rollen omgekeerd.
Misschien is de gevangenis de veiligste plaats, als het over de coronabesmetting gaat. Maar de maatregelen komen ook daar hard aan
Familie en vrienden mogen niet meer op bezoek komen! Geen gemeenschappelijke activiteiten, minder werk, nog meer nutteloze verveling! Ik had me voorbereid op een klaagmuurdag. Maar de dag begon helemaal anders.
Een jonge gedetineerde komt de spreekkamer binnen. Ik had hem laten roepen omdat ik weet hoe belangrijk het bezoek van zijn vriendin en van zijn moeder voor hem is. Nu hij dat bezoek moet missen zal hij wel in zak en as zitten, dacht ik. Tot mijn grote verwondering zie ik een grote en ongekende weerbaarheid in zijn houding.
Gevangenen zeggen mij: “Ik wil me nuttig maken”
Hij neemt het woord: “Als ik de beelden op de televisie zie, dan krijg ik zo’n groot verlangen om me nuttig te maken. Ik ben jong en gezond. Ik rook niet en gebruik geen drugs. Zet me in, als het moet op een gevaarlijke plaats. Ik zal misschien ziek worden, maar ik zal dat overwinnen en genezen. Ik kan nu iets betekenen. Misschien kan ik een heel klein beetje van mijn fouten goed maken. Ik wil zo graag iets betekenen. Regel iets. Ik kom elke avond terug en dan ga ik in isolatie. Of laat me mondmaskers stikken. Dag en nacht als het moet. Maar laat me in deze tijden aub niet zinloos zijn.”
Ik wil zo graag iets betekenen, laat mij in deze tijden niet zinloos zijn
Misschien had ik meteen weer naar buiten moeten wandelen en roepen: “Er zijn hier mensen die niet bang zijn. Mensen die willen helpen. Mensen…”
Tom Daems, hoofddocent criminologie schreef eerder deze week een opinie met als titel “Sire, verleen collectieve gratie”. Mocht een collectieve genade wat veel gevraagd zijn, dan misschien een eerlijke kans om iets te mogen betekenen in deze crisis? Zelden zag ik het verlangen naar herstel zo puur en overtuigend.
tot slot: gebed om innerlijke vrede in deze onzekere tijden
Laat het soms even zijn
alsof wij gaan op vleugels –
zoals mensen gaan
die op weg zijn naar een nieuw begin.
Dat wij zien, nog bij ons leven,
een glimp, een vonkje
van uw rijk van vrede:
mensen in vrede.
Dat wij soms even weten,
zo zeker als wij bestaan,
dat duren zal uw trouw,
en wie Gij zijn zult, ooit,
in een nieuwe hemel,
op een nieuwe aarde,
als de dood gedood is:
God in mensen.
Nu nog heeft niemand
U ooit gezien.
Maar Gij zult God zijn,
nieuw en voorgoed
alles in allen.
(Huub Oosterhuis)
Er kan afgesloten worden met het lied van Herman Verbeek: ‘Doopbelijdenis’ uit de bundel ‘Zang van de monnik’ – waarbij telkens eerst iemand vrijwillig vanuit de groep op de keuzevragen uit de strofes moet antwoorden met ‘Dan zal ik door het water gaan…’. Pas dan mag de hele groep instemmen met het refrein: ‘En wij met jou en jij met ons, wij zullen samen gaan…’
DOOPBELIJDENIS – Herman Verbeek
Als dit het water is en hier het gif en ginds die tegen gif, waar zul jij dan gaan?
Dan zal ik door het water gaan en wij met jou en jij met ons wij zullen samen gaan.
Als dit het water is hier is te veel en ginds wordt leeggeroofd waar zul jij dan gaan?
Dan zal ik door het water gaan en wij met jou en jij met ons wij zullen samen gaan.
Als dit het water is hier is de winst en ginds is zonder werk waar zul jij dan gaan?
Dan zal ik door het water gaan en wij met jou en jij met ons wij zullen samen gaan.
Als dit het water is hier is de bom ginds staat voor ban de bom waar zul jij dan gaan?
Dan zal ik door het water gaan en wij met jou en jij met ons wij zullen samen gaan.
Als dit het water is hier zijn ze hard ginds die de omkeer doen waar zul jij dan gaan?
Dan zal ik door het water gaan en wij met jou en jij met ons wij zullen samen gaan.
Als dit het water is hier sterft de vis maar ginds springt de dolfijn waar zul jij dan gaan?
Dan zal ik door het water gaan en wij met jou en jij met ons wij zullen samen gaan.
Als dit het water is hier sterft het land ginds staat het voorjaar op waar zul jij dan gaan?
Dan zal ik door het water gaan en wij met jou en jij met ons wij zullen samen gaan.