Wie in Hem gelooft, zal leven

A-cyclus · Vasten · 5e zondag van de Vasten · paars

‘Waart gij hier geweest!’ Dit woord van Marta zullen wij allemaal al wel gebruikt hebben, als wij hulp en steun verwacht hadden van een goede vriend of vriendin. Wij ervaren allemaal wel eens, dat juist wanneer wij de hulp van iemand zo broodnodig hebben, hij er niet is. En komt hij tenslotte, dan is het dikwijls al te laat.

In dit verhaal lijkt het ook zo geweest te zijn. Lazarus, de vriend van Jezus, is ziek. Zijn zusters zijn ervan overtuigd: als iemand hem kan helpen dan is het Jezus. In hun zorg om hun broer laten zij Jezus weten dat Hij moet komen om hem te genezen: ‘Heer, die Gij lief hebt is ziek’. Maar Jezus stelt maar uit en als Hij ten­slotte in Betanië aankomt, is Lazarus dood. Waarom is Jezus te laat gekomen, waarom? De evangelist wist wel, dat wij deze vraag zouden stellen en daarom voegt hij er direct aan toe: Jezus hield veel van Marta, haar zuster Maria en Lazarus. Jezus wist dus waarom Hij te laat kwam.

Niet alleen aan Lazarus wil Jezus zich openbaren als sterker dan de dood, maar aan iedereen. Het gesprek met Marta is er dan ook op gericht dat het geloof van Marta in Jezus als de wonderdoener zou uitgroeien tot het echte geloof, dat Jezus zelf de bron van eeu­wig leven is. Jezus zegt haar: ‘Uw broer zal verrijzen’. Voor Marta is dat geen nieuw antwoord; met de meeste Joden van haar tijd deelde zij het geloof in de toekomstige verrijzenis: ‘Ik weet’, zegt zij, ‘dat hij zal verrijzen op de laatste dag’, maar die dag was voor haar nog zo ver. Daarom wil Jezus haar aandacht vestigen op zich zelf: ‘Wie in Mij gelooft, hoeft niet te wachten op de verrijzenis van de laatste dag. Ik zelf ben immers verrijzenis en leven’. Zo wordt Marta ook niet gevraagd of zij wil geloven in een opstan­ding van de doden later, maar wel of zij gelooft in Jezus, die zelf opstanding en leven is. Van de verhouding tot Jezus hangt het dus af of iemand leeft of dood is. In het geloof in Jezus gebeurt de overgang van de dood naar het leven. In het geloof in Jezus valt de beslissing over leven en dood. Daardoor wordt de tragiek van het sterven niet verkleind, het duister geheim van de dood blijft bestaan, maar ons leven nu wordt in verband gebracht met het toekomstige leven. Wie gelooft in Jezus, draagt ondanks het ster­ven, het eeuwige leven reeds in zich, omdat hij leeft vanuit Jezus, die de bron van leven is.

De opwekking van Lazarus is eigenlijk alleen maar een bekrachti­ging van het woord van Jezus. Voor de gelovige mens is zij een teken dat Jezus de dood definitief overwonnen heeft.

Elke dag staan er mensen schreiend bij het graf van een van hun dierbaren. Vaak zullen zij misschien ook denken: was Jezus maar hier zoals bij de opwekking van Lazarus. Maar dan worden wij ook, zoals Marta uitgenodigd, om niet zozeer te geloven in Jezus als wonderdoener, die doden zou terugroepen tot het aardse leven, dat zou eigenlijk toch maar alleen een uitstel van de dood zijn, maar te geloven in Jezus, die van zich zelf gezegd heeft: ‘Ik ben de verrijzenis en het leven’. Dat was Hij niet alleen toen, maar ook nu. Jezus komt niet te laat en Hij is er altijd bij.

De opwekking van Lazarus is bij Johannes het laatste wonder van Jezus, dan gaat Jezus zelf vrijwillig in de dood. Zo wordt de opwekking van Lazarus een verwijzing naar de verrijzenis van Jezus. Juist omdat Jezus gestorven is en verrezen, is Hij de grond van onze hoop op een dat niet meer door de dood bedreigd wordt, en waaraan wij, deelachtig mogen zijn als wij in Hem geloven. Hij voert ons van de onwerkelijkheid tot de werkelijkheid, van de duisternis naar het licht, van de dood naar de onsterfelijkheid…

Zoeken in Preken Online