`Heer, als U hier geweest was, zou mijn broer nooit gestorven zijn’. In één zin balt Martha vertrouwen en verwijt samen. Eerst en vooral vertrouwen in Jezus omdat ze gelooft dat Hij de dood van Lazarus had kunnen voorkomen of - zo blijkt uit het vervolg van haar betoog – de dood ongedaan kan maken. Maar ook een licht verwijt: als U hier geweest was. Daarin hoor ik zachtjes de vraag: waar bleef Je nou? Het is een zin die heel wat mensen vandaag ook nog uitspreken wanneer ze geconfronteerd worden met lijden. Enerzijds geloof in de God tot wie ze zich in gebed richten, anderzijds het gevoel, de vraag: “ waar blijft die God nou?” Het is heel menselijk die vragen te stellen, zoals het ook zeer menselijk is God niet ter verantwoording te roepen als alles goed gaat. Jezus stelt Martha en dus ook ons gerust: Lazarus zal opstaan. Blijkbaar bestond er toen al een geloof in de opstanding op de laatste dag, want Martha antwoordt Jezus dat ze weet dat hij zal opstaan op de laatste dag. En dan komt dat ene zinnetje van Jezus: “Ik ben de opstanding en het leven”. Krasse taal. En het gaat verder: “wie in Mij gelooft, zal leven ook al is hij gestorven. Geloof je dat?” De evangelist laat Jezus hier de kern van Zijn boodschap uitleggen in een paar zinnen. En terecht vraagt Jezus dan aan Martha en ook aan ons: geloof je dat? Geloof je dat we door Jezus’ dood en verrijzenis voor altijd verder mogen leven bij God? Geloof je dus met andere woorden dat Jezus méér is dan een gewone mens die goede dingen gedaan heeft voor de mensen, die ook best wel goed verhalen kon vertellen en die daarom een profeet was? Indien je stamelend antwoord “ja” is, geloof je echt dat God je geliefde dode zal opvangen als hij sterft? Kan je daarom gerust – daarom niet met minder verdriet – je overledene uit handen geven? Is het bij een overledene een beetje zoals bij een kleuter die voor het eerst naar school gaat? Het is voor de vader of moeder heel moeilijk om los te laten, soms met pijn in het hart en tranen in de ogen, maar toch durft men het kind uit handen geven omdat men vertrouwen heeft in de kleuterleid(st)er en de school waarvoor men gekozen heeft. Als iemand sterft, zijn we verdrietig, maar durven toch loslaten omdat we vertrouwen, geloof hebben in de God van het leven die ons door Jezus eeuwig leven schenkt. Hebben we dat geloof? Als u hier samen bent om eucharistie te vieren, dan noemt u zichzelf wellicht wel een gelovige en gelooft u dus. Dat is een mooi begin. Het is geen schande dat bij dat geloof soms twijfel komt kijken, elk mens twijfelt wel eens. Wie nooit twijfelt, heeft nog nooit moeten geloven. Het is aan ons als gelovige gemeenschap elkaar te steunen als twijfel de kop opsteekt. Martha gelooft dat Jezus de Messias is, maar zal toch vragen hebben, twijfelen wanneer Jezus vraagt om de steen weg te rollen. We staan dus niet alleen met onze twijfel.
Er is nog een ander zinnetje dat ik heel belangrijk vind: Jezus begon te huilen. Jezus toont hier ontferming, iets waar wij zoveel om bidden. Jezus toont dat God geen onbewogen, onpersoonlijke God is, niet een “iets” dat ons stuurt maar een wezen die meeleeft, meevoelt met wat ons, mensen, overkomt. Naast het opstaan uit de dood is dit een tweede gegeven dat ongelooflijk is voor veel mensen vandaag. Ons menselijk verstand kan het ook niet vatten dat God terzelfdertijd oog en oor kan hebben voor zoveel mensen. Het is omdat God zo op mensen gericht is, geeft om wat er met ons gebeurt, dat het zinvol is om te bidden. Het heeft geen zin te bidden tot een wezen dat niet om je geeft. De meeste jongeren uit de klassen waar ik lesgeef vinden het daarom ook zinloos om te bidden. Je gelooft toch niet dat God met je inzit, meneer? Ja, ik geloof dat wel. Daar stokt het gesprek want je gelooft of niet.
Het evangelie van vandaag is een pracht evangelie voor tijdens de vasten want het doet je nadenken. Het gaat niet om het spektakel van iemand uit de dood te laten opstaan want Lazarus zal uiteraard later wel sterven. Met dit opstandingsverhaal wil de evangelist ons een vooruitblik geven op wat ons te wachten staat. Het is dus niet ergerlijk om dit evangelie te lezen op een begrafenis van iemand die precies niet uit de dood opstaat, omdat hij/zij in de kist blijft liggen. Integendeel, door dit verhaal mogen we hoopvol zijn: als we geloven in Jezus, wacht ons eeuwig leven want God is bekommerd om ons. Dat opstaan moeten we niet begrijpen als opstaan uit de kist en gewoon verder leven zoals het hier beschreven staat. Het is mogen verder leven bij God, op een andere wijze, in een andere dimensie wellicht. Niemand weet hoe het precies is, we mogen er alleen op vertrouwen dankzij Jezus dat het er is. En als we er dan toch rijstpap zouden moeten eten, dan hoop ik dat er lekker veel kaneel in zit … Maar wellicht is die rijstpap ook maar een simpel beeld om te zeggen welke zaligheid ons te wachten staat. Dat er ons na de dood nog een zalige tijd wacht, wil niet zeggen dat we ons aardse leven niet moeten koesteren, integendeel, maar dat is een ander verhaal. Laten we deze week om te beginnen bidden voor onszelf en voor elkaar opdat we mogen groeien in verrijzenisgeloof want Pasen lonkt al.