Beste vrienden,
Wanneer een moedertje van 90 vredig inslaapt en sterft – is haar leven dan volkomen geweest?
Wanneer een man van 50 door een herseninfarct om het leven komt, is zijn leven dan voltooid? Wanneer een jong meisje van 18 aan leukemie sterft – had ze dan niet eigenlijk nog haar ganse leven voor zich?
Wanneer een jongetje van 3 van het balkon valt en sterft, was zijn leven dan eigenlijk niet pas begonnen?
En wat met het kind, waar de ouders zich zo zeer op verheugen, en dat dan dood ter wereld komt? In de buik van zijn moeder kon dat kind het leven toch nog alleen maar vermoeden…
Neen, het is toch zo, misschien met uitzondering van het moedertje heeft geen enkel van deze levens zich volledig kunnen ontvouwen. Ze werden allemaal reeds bij het begin, of in het volle leven, afgebroken. En zelfs voor dat moedertje, voor wie het misschien wel goed was dat ze zo vredig mocht inslapen, zelfs bij haar stel ik me de vraag naar datgene wat ze misschien niet heeft kunnen leven; stelt zich de vraag naar datgene wat ook in haar lange leven onafgewerkt bleef en wat ook door een nog bijkomend 91e jaar niet tot een afgerond geheel had geleid.
Kijken we toch even naar de eerder banale vragen die het evangelie van vandaag ook in ons oproept: Hoe oud is Lazarus eigenlijk geworden? En hoe was dat ook weer toen hij stierf? Wat heeft hij nog gedaan nadat hij terug tot leven was gewekt? Heeft hij anders geleefd? Volmaakter misschien? Heeft hij de tijd die hem geschonken werd gebruikt om zijn leven in de hand te nemen en tot een goed einde te brengen? En wat zegt de overledene zelf over al datgene wat er na zijn dood met hem gebeurt? Heeft hij wel iets gezegd? Het is toch wel eigenaardig dat daar in het evangelie niets over wordt gezegd. Het beeld van Lazarus komt eerder bleekjes – om niet te zeggen lijkbleek – over, en ofschoon Lazarus terug leeft, wekt hij bij mij, en waarschijnlijk niet alleen bij mij, een ietwat lusteloze, levenloze, toch wel eerder doodse indruk.
Het evangelie van Johannes geeft op onze vragen geen antwoord, zelfs niet tussen de regels. Wil het misschien geen antwoord geven? Maar als dat zo is, wat wil het dan? Wanneer velen onder ons dat opmerken, dan stellen we blijkbaar de verkeerde vragen.
Laten we dan misschien even nadenken over naar onze eigen dood. Over al die doden die bij ons worden gestorven, en laten we onze vragen aan Johannes van daaruit, dus van onszelf uit, stellen.
Dan kunnen we over het volgende nadenken: Wat betekent die opwekking van Lazarus voor die familie die hun grootmoedertje begraven? Wat voor de kinderen van dat gezinshoofd van 50 jaar? Kan het iets betekenen voor de ouders, vriendinnen en vrienden van die achttienjarige? En wat doet het voor de ouders van dat driejarig jongetje of van dat doodgeboren kind?
Wil het Johannesevangelie, of beter gezegd, willen wij hen iets vertellen over een zekere Lazarus en diens opwekking uit de dood? Willen wij hen iets vertellen over een gebeurtenis die zowat tweeduizend jaar geleden heeft plaatsgehad en waarbij een mens in zeer uitzonderlijke omstandigheden terug uit de dood werd opgewekt? Willen we hen vandaag met dat verhaal zeggen: „Kijk, Jezus heeft toen doden terug tot leven geroepen?“ Geen enkele moederke en geen enkele doodgeboren baby zullen daardoor terug tot leven komen.
Voelt u ook aan dat onze vragen en die antwoorden echt niet bij elkaar passen? Het leven zelf schrijft dergelijke dingen heel anders dan wat we daarnet in het evangelie hebben gehoord. Tenminste, zolang wij onze vragen stellen alsof het evangelie ons een opstandingsbericht zou willen leveren. Een opstandingsbericht dat toen niet in alle dagbladen is terechtgekomen, gewoon omdat er toen nog geen dagbladen bestonden. Ik ben er vast van overtuigd dat, zolang wij ons af blijven vragen: „wat is er toen juist met Lazarus gebeurd? Hoe heeft hij gereageerd? Waarom heeft iedereen toen niet onmiddellijk in Jezus als Messias geloofd nadat hij een dode na vier dagen nog tot leven had geroepen?
Beste vrienden, zo lang we ons die vragen blijven stellen zal dat verhaal uit het Johannesevangelie voor ons gesloten, vreemd en lijkbleek, overkomen. Want Johannes stelt een heel andere vraag. Zijn vraag is direct op de man af. Het is de vraag waar Martha mee geconfronteerd wordt. Jezus zegt en vraagt haar: „ Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven. Gelooft gij dat?“ Die vraag aan Martha snijdt al onze vluchtwegen naar die andere, verkeerd gestelde, vragen af. Die vraag aan Martha voert onze blik van Lazarus weg, en leidt hem naar onszelf. Die vraag confronteert ons met ons eigen sterven.
Plots gaat het nu om ons, om al diegenen die wij nog voor onze dood zullen bewenen en betreuren, en om onze eigen persoonlijk vragen daaromtrent. En dat in een tijd waarin wij mensen bezig zijn om de bouwplannen van het leven te ontcijferen, het leven naar onze eigen inzichten om te vormen, het meer en meer naar onze eigen wil te volmaken en te perfectioneren.
In onze tijd klinkt die vraag die Jezus aan Martha stelt voor ons als volgt: Mens, ben jij van mening dat jouw bestaan alleen in jouw handen ligt? Dat jij jouw leven uit eigen kracht, in vertrouwen op eigen kunnen en bekwaamheid zal voleinden? Dat je het zelf tot een goed geheel kan vervolledigen en samenvoegen?
Of vermoeden we toch dat, ondanks al de mogelijkheden die wij mensen in onze tijd hebben, wanneer we alleen op eigen kracht kunnen vertrouwen, ons leven altijd onaf en onvolmaakt zal blijven, ook wanneer het niet onverwacht wordt afgebroken, maar tot in de hoge ouderdom mag voortduren. Johannes geeft ons zijn antwoord. Het is de uitnodiging die Jezus tegenover Martha, en tegenover ons allemaal, uitspreekt: Stel je hoop op diegene die voor je staat. Hoop om Hem, want Hij is het leven. De theoloog Martin Orly drukt die hoop zo uit: „Ik geloof dat er met Jezus Christus een nieuwe geest in de wereld is gekomen… die ons bemoedigt om de opstanding van de liefde voort te zetten… die de vertwijfeling overwint en zelfs een mislukt leven terug lonend maakt.“ Het is die hoop die ons een antwoord geeft op de vragen die we ons bij het sterven van een mens stellen. Vooral bij een sterven dat we niet kunnen vatten en niet kunnen of willen begrijpen. Die hoop is antwoord en belijdenis tegelijk, ze loochent de afgronden van het leven niet, ze probeert de verschrikking van de dood op geen enkele manier mooi te praten, en laat aan die dood toch niet het laatste woord: Ik geloof in Jezus Christus, die ook aan een leven dat het licht van de wereld nog niet heeft gezien, toch het eeuwige licht kan geven. Ik geloof in Jezus Christus, die aan het plots afgebroken leven van een jong kind of van een jonge vrouw een eeuwige thuis kan geven. Ik geloof in Jezus Christus, die ook een leven dat in volle bloei wordt afgebroken naar zijn doel zal leiden. En ik geloof in Jezus Christus, die alle leven, met zijn brokstukken, vergissingen en verwarring tot een goed einde zal brengen. Ik geloof vast dat in Hem elk leven, geheel vervuld of vertwijfeld, gelukt of mislukt, afgebroken of gerijpt, dat in Hem elk leven loont en door Hem naar het volle leven wordt geleid. Amen.