4e zondag in de veertigdagentijd A 14/15 maart 2026
Goede mensen,
de beide lezingen van deze zondag gaan over **ogen hebben **en **tochblind **zijn, en over blind zijn en ineens goed kunnen zien. Het gaat daarbij vooral over dieper en scherper zien; over liever zien ook, en kijken met de ogen van het hart. Want, zoals de Kleine Prins zegt in dat prachtige boekje van Antoine de Saint Exupéry: ‘l’ Essentiel est invisible pour les yeux’ – ‘het essentiële in het leven, datgene waar het écht op aan komt – dat zien we niet met onze ogen…’
De eerste lezing van vandaag vertelt hoe God de profeet Samuël naar Bethlehem stuurt, om daar een goede koning te zoeken voor Zijn volk. En het wordt daar op het boerenhof van vader Isaï al gauw een verkiezingscampagne op zijn ‘Trumps’: alle oudste zeven zonen passeren de revue, waarbij de ene nog brutaler en onbeschofter te keer gaat dan de andere. Geen van hen lijkt dan ook geschikt in de ogen van God om koning te worden. God kijkt immers niet naar het uiterlijk, maar naar het hart.
Dan blijkt ineens dat Isaï ‘per ongeluk’ de jongste van zijn zonen over het hoofd heeft gezien: die is buiten de schapen aan het hoeden. ‘Ga diè maar halen’ zegt de profeet. ‘Wantwe gaan niet aan tafel, voor iederèèn er is…’
‘Echte vooruitgang laat niemand achter!’ Dat is alvast een belangrijke richtlijn voor ons bezig zijn hier op zondag in de viering, en voor onze betrokkenheid bij de actie van Broederlijk Delen: wij kunnen niet volwaardig christen zijn en eucharistie vieren in Jezus’ geest, als de kleinste en de meest kwetsbare er niet bij mag zijn, toch minstens in onze gedachten, in onze gebeden, in onze goede voornemens en ook in onze portemonnee…
Het evangelieverhaal van de blindgeborene komt enkel voor bij Johannes. Het is een ingewikkeld verhaal, duidelijk geschreven tegen de achtergrond van de spanningen en conflicten tussen de eerste christen-gemeente van Johannes en de joodse synagoge met zijn wetgeleerden en Farizeeën. We lichten er alvast deze belangrijke waarheid uit: Zien met gelovige ogen is altijd een betrokken, een geëngageerd zien, vanuit die éne kernvraag, dat éne ‘oog-punt’: ‘Wat kan ik voor jou doen..?’
Er wordt verteld dat Jezus een blindgeborene van zijn ‘oogziekte’ geneest.
Wie is die blindgeborene? Zijn naam is zoals zo vaak in de Schrift: ‘Elcerlyck’ - hij is een evenbeeld van jou en mij, van elk van ons: mensen die ronddwalen in duisternis, in onwetendheid, in onverschilligheid en angst, in wanhoop soms. Tastend als blinden langs de wanden van het bestaan.
Er overkomt die ‘Elcerlyck’, die ‘Jan en Alleman’ ergens op zijn levensweg iets heel merkwaardigs. Er is iemand die aan hem voorbij gaat, schijnbaar één van de zovelen. Maar die iemand is niet zomaar iemand – het is Iemand met een hoofdletter. En ‘in het voorbijgaan’ doet Hij iets met die man. Hij neemt wat stof van de aarde, spuwt op de grond en maakt wat slijk, en bestrijkt daarmee de ogen van de blinde. Zoals de Eeuwige ooit de mens boetseerde uit klei en adem op de eerste Scheppingsdag – zo zalft Jezus met stof en klei deze blindganger, en Hij herschept hem tot een mens die met heel andere ogen gaat kijken naar de mensen en de wereld om hem heen, een mens met perspectief, iemand die uitzicht krijgt op het Rijk Gods.
En dan stuurt Jezus hem op weg met de opdracht: “Ga je wassen in de vijver van Siloam – wat betekent: ‘De Gezondene’…
Tintelend van opwinding daalt de man af in de vijver, hij wast zich en… hij ZIET! In het wateroppervlak van de Siloam ziet hij allereerst zichzelf als nieuw-geboren. Hij weet nu voorgoed wie hij is: een mens met een gezicht.
De man kan zijn geluk niet op. Herboren voelt hij zich, bevrijd. Verlost van alle duisternis en vooral van dat allerdiepste donker dat hem beklemde: zijn verworpenheid, zijn er-niet-bij-horen, zijn eenzaamheid en nutteloosheid. Nee, het is niet zijn schuld dat hij blind was of die van zijn ouders; hij is geen ter-dood-veroordeelde, geen loser, geen nutteloze wegwerpmens. Hij mag er zijn, en hij telt mee.
En wat meer is: vanuit het ondergedompeld worden in het bad van ‘Siloam’ – ‘De Gezondene’, wordt hij meteen een mens met een missie en een opdracht. Dankzij de Ziener van Nazareth heeft die blindgeborene iets wezenlijks ontdekt dat hij uit zichzelf waarschijnlijk nooit op het spoor zou gekomen zijn: ik ben niet alleen op de wereld – ik heb ogen gekregen om de mensen om mij heen te zien en graag te leren zien. En met mijn ogen kan ik in hun ogen de échte vragen ontdekken, de noden die ze hebben, de kwetsuren die ze dragen. En ik weet mij ‘gezonden’ om met hen op weg te gaan, om iets voor hen te betekenen, om een beetje ‘mens’ voor hen te zijn…
Dit verhaal zegt ons iets over onze eigen ervaring. Soms komen we tot de vaststelling dat ‘onze ogen zijn opengegaan’ en dat we alles ineens anders zien, beter zien – onze reden van bestaan wordt klaarder en meer evident. We beseffen ineens: je wordt maar mens, je wordt maar gelukkig door goed en graag te leren zien. Eenmaal je dat beseft, krijgt het leven een nieuwe smaak – je wordt een geroepene en een gezondene, je hebt een Woord gehoord dat je nog niet kende, en dat geeft zin aan je leven. Iemand heeft je ‘in het voorbijgaan’ geraakt en aangeraakt. Je bent ‘er van aangedaan’, in de goede zin van het woord. En het laat je nooit meer los.
Lieve mensen,
de blinde man ziet nu alles zonneklaar. Zij die er omheen staan, de zogezegde ‘helder-zienden’, de wetgeleerden, de farizeeën en zijn ouders – zij zien het niet. Zij zijn ziende blind, uit angst, uit betweterigheid of kortzichtigheid. Zo is dat ook vaak met ons. Er zijn zoveel belangrijke zaken die wij niet zien, niet kunnen of niet willen zien. Soms zijn we verblind, waardoor we alleen onze eigen waarheid zien, en niet verder kijken dan ons eigen kleine wereldje. En er is ook heel veel dat de media ons niet laten zien.
Het werk van AfricaReconciled, partner van Broederlijk Delen in Oost-Congo bv., komt zelden in het nieuws. De M23-rebellen, gesteund door Rwanda, zijn nochtans bezig de hele regio in te palmen en ze joegen al honderdduizenden mensen op de vlucht. Vooral vrouwen en kinderen zijn er slachtoffer van (seksueel) geweld. Onze politieke leiders veroordelen dit wel met woorden, maar niet met concrete daden. De VS en Europa hebben er alle belang bij om de ogen te sluiten voor de gruwel die daar gebeurt, want er zijn kostbare grondstoffen zoals coltan en kobalt te vinden voor gsm’s, raketten en ander militair materiaal. Die dubbele moraal - met woorden veroordelen maar er in feite niets aan doen - is een kwalijke ‘oogziekte’, een vorm van permanente en moedwillige blindheid die een eerlijke oplossing voor de mensen ginder in de weg staat.
Midden in het conflictgebied van Zuid- en Noord-Kivu geeft AfricaReconciled een stem aan jongeren- en vrouwengroepen. Ze brengen jongeren bijeen in vredesclubs. Als je in Congo jonger bent dan 35, heb je amper vrede gekend. Via de bijeenkomsten in de vredesclubs krijgen de jongeren de kans om uit te wisselen met mensen in andere gemeenschappen en leren ze bij over vrede en rechtvaardigheid. En zo groeit er toekomst, krijgen jonge mensen in-zicht, door-zicht en uit-zicht, leren ze zich inzetten voor hun volk…
Angst en kortzichtigheid vertroebelen de ogen. Onze maatschappij met zijn vele informatie en zijn enorme mogelijkheden creëert tegelijk heel veel grote ‘blinde vlekken’. En de angst maakt mensen hard en meedogenloos tegenover de nood van anderen. Grenzen worden gesloten, vijandige boodschappen de wereld ingestuurd. Wie mensenrechtenschendingen aankaart als journalist of als medische hulporganisatie, riskeert geliquideerd te worden. Activisten hebben veel moed nodig om staande te blijven. We hebben nochtans dringend behoefte aan zulke grensverleggende figuren, die de angst doorbreken, die onze ogen openen en die ons verder leren kijken, dieper en scherper leren zien. Profeten zoals Samuël indertijd, die vertrouwen in de mogelijkheden die verscholen zitten in een eenvoudig mensenkind als David uit de eerste lezing: de jongen van achter de schapen, de herdersjongen die vooral verstand heeft van het hoeden en be-hoeden van wat kostbaar en kwetsbaar is…
Wat Jezus aan de wetgeleerden en Farizeeën verwijt? ‘Jullie die door en door vertrouwd zijn met de Thora, jullie zouden echt ziende moeten zijn, maar doordat jullie halsstarrig vasthouden aan de kleinste regels en aan de letter van de wet, zien jullie niet waar het écht op aan komt in geloof en godsdienst. Dat is jullie ‘oogziekte’, jullie ‘bedrijfs-blindheid’, jullie bijziendheid, jullie cataract.
Lieve mensen,
wie van de blindheid voor onrecht genezen is, maakt een vuist tegen elke situatie die rechten en waardigheid van mensen bedreigt. ‘Het is nu tijd voor actie!’
Onze weg naar Pasen mogen we in dat perspectief zien. Dank voor uw steun aan Broederlijk Delen tijdens de omhaling. Zo moge het zijn.
geert dedecker
4e zondag in de veertigdagentijd - A
Inleiding op de lezingen
De beide lezingen van deze viering gaan over zien en **tochblind **zijn, en over blind zijn en weer zien. Het gaat daarbij vooral over dieper en scherper zien; over liever zien ook, en kijken met de ogen van het hart. Want, zo zegt de kleine prins in dat prachtige boekje van Antoine de Saint Exupéry: “l’essentiel est invisible pour les yeux”: het belangrijkste is onzichtbaar voor onze ogen. De eerste lezing vertelt hoe God de profeet Samuel naar Bethlehem stuurt, op zoek naar een koning voor Israël. Het wordt me daar al gauw een verkiezingscampagne op zijn ‘Trumps’ of op zijn ‘Wilders’: alle oudste zonen van Isaï passeren de revue, waarbij de ene nog brutaler en onbeschofter te keer gaat dan de andere. Geen van hen lijkt dan ook geschikt in de ogen van God. Die kijkt immers niet naar het uiterlijk, maar naar het hart. En Hij is rusteloos op zoek – niet naar huurlingen, maar naar mensen die **herder **willen zijn voor elkaar… Dan blijkt ineens dat vader Isaï ‘per ongeluk’ de jongste van zijn zonen over het hoofd heeft gezien: die is buiten de schapen aan het hoeden. “Ga diè maar halen” zegt de profeet. “Wantwe gaan niet aan tafel, voor iederèèn er is…” Een belangrijke ‘diaconale’ tip alleszins ook voor ons liturgisch bezig zijn op zondag: hoe zouden wij volwaardig eucharistie kunnen vieren in Jezus’ geest, als de kleinste en de meest kwetsbare er niet bij mag zijn aan tafel, toch minstens in onze gedachten en gebeden..? Echte vooruitgang laat niemand achter! De kleinste, de jongste is in de Schrift altijd en per definitie de gedoodverfde troonpretendent. Het evangelieverhaal van de blindgeborene komt enkel voor bij Johannes. Het is een ingewikkeld verhaal, duidelijk geschreven tegen de achtergrond van de spanningen en conflicten tussen de eerste christen-gemeente van Johannes en de joodse synagoge met zijn wetgeleerden en Farizeeën. We lichten er straks alvast deze belangrijke waarheid uit: Zien met gelovige ogen is altijd een betrokken, een geëngageerd zien, vanuit die éne kernvraag: ‘Wat kan ik voor jou doen..?’
Homilie
Goede vrienden, Het evangelieverhaal van vandaag vertelt dat Jezus in het voorbijgaan een blindgeboren man ziet. Het gebeurt ‘in het voorbijgaan’, zegt de evangelist nadrukkelijk. ‘Pesach’ – ‘Pascha’. Zo klinkt ‘Pasen’ op zijn bijbels. ‘En passante…’, zeggen wij. In die uitdrukking klinkt al iets van bevrijding door. Het is zoals toen God langs kwam bij de Uittocht, de bevrijding uit het slavenhuis Egypte. En het gebeurt **op sabbat - **de dag bedoeld als herinnering aan die bevrijding, Pascha week na week in het klein, feestdag en gedenkdag van de uittocht en de verrijzenis. Tegelijk wordt deze ontmoeting dus een voorspel op Pasen. Het gebeurt bovendien vlak bij de tempel: het religieuze middelpunt waar de ‘lettervretertjes’ thuis zijn; zij die het mededogen, de betrokkenheid bij de lijdende mens, stilaan doodknijpen vanuit hun eigen grote zekerheid over wie God wel of niet is, en wat Hij wel of niet van mensen wil… Wie is die blindgeborene? Zijn naam is zoals zo vaak in de Schrift: ‘Elcerlyck’ - hij is een spiegelbeeld van jou en mij, van elk van ons: mensen die ronddwalen in duisternis, in verlegenheid, in wanhoop soms. Tastend als blinden langs de wanden van het bestaan. Die ‘Elcerlyck’, die ‘Jan en Alleman’ overkomt iets heel gewoons en tegelijk iets heel merkwaardigs. Iemand gaat aan hem voorbij. Maar die Iemand doet nog meer: ‘en passante’ neemt wat stof van de aarde, spuwt op de grond en maakt wat slijk, en bestrijkt daarmee de ogen van de blinde. Zoals de Eeuwige ooit de mens boetseerde uit klei en adem op de eerste Scheppingsdag – zo zalft Jezus met stof en klei hier deze blindganger tot een mens die uitzicht krijgt op het Rijk Gods! Die blinde man beleeft daar bij de vijver van Siloam een ware exodus. Wie had dát gedacht: ook híj is uitgeleid uit het slavenhuis Egypte; ook hij behoort geheel en al tot het volk van God… En dan stuurt Jezus hem op weg met de opdracht: “Ga je wassen in de vijver van Siloam – wat betekent: ‘De Gezondene’… Tintelend van opwinding daalt de man af in de vijver, wast zich en… hij ZIET! In het water van de Siloam ziet hij allereerst zichzelf als nieuw-geboren. Hij lacht, verbaasd en verrukt, en het water lacht in brede rimpels met hem mee. Hij weet nu voorgoed wie hij is: een mens met een gezicht. Ooit werd hij geboren als zovelen – nu ziet hij eindelijk het levenslicht. Bomen en bloemen ziet hij, de vogels die hij alleen maar kende van hun lied – en hoe barmhartig groen het gras is. En als een koepel, een beschermend dak, een zegenende hand over alles heen ziet hij: de hemel. De man kan zijn geluk niet op. Herboren voelt hij zich, bevrijd. Verlost van alle duisternis en vooral van dat allerdiepste donker: zijn verworpenheid, zijn er-niet-bij-horen, zijn eenzaamheid en nutteloosheid. Het is niet zijn schuld dat hij blind was of die van zijn ouders; hij is geen ter-dood-veroordeelde, geen loser, geen nutteloze wegwerpmens. ‘Ga je wassen in de vijver van Siloam’. Dat wil zeggen: duik onder in datgene waarnaar een ander/een Ander je zendt. Dankzij de Ziener van Nazareth heeft die blindgeborene iets wezenlijks ontdekt dat hij zelf waarschijnlijk nooit op het spoor zou gekomen zijn. Dit verhaal zegt ons iets over onze eigen ervaring. Soms komen we tot de vaststelling dat ‘onze ogen zijn opengegaan’ en dat alles veranderd is. Het leven heeft een nieuwe smaak gekregen, we hebben een woord gehoord dat we nog niet kenden, en dat geeft zin. Iemand heeft ons geraakt en aangeraakt.
Ernesto Cardenal, priester uit Nicaragua en bevrijdingstheoloog die opkwam voor de armen, schreef een beroemd boek over de liefde. Hij begint dat boek als volgt: ‘In de ogen van alle mensen woont een onstilbaar verlangen. In de pupillen van de mensen van alle rassen, in de blikken van kinderen en bejaarden, van moeders en liefhebbende vrouwen, in de ogen van politiemannen en employés, van avonturiers en moordenaars, van dictators en heiligen. In de ogen van hen allen is dezelfde vonk van een onstilbaar verlangen aanwezig, eenzelfde heimelijk vuur, dezelfde diepe afgrond, dezelfde dorst naar geluk en vreugde zonder einde.’ Ieder mens verlangt volgens hem naar uiteindelijk slechts één ding: naar een liefde die hem of haar de moeite waard maakt en die hem het gevoel geeft dat hij uniek is en waardevol. Je leven is vervuld als je in staat bent te beminnen en bemind te worden. De rest is niet echt belangrijk voor je gelukkig zijn. Goede mensen, in deze tijden van donkere wolken boven de droom van een solidaire en open wereld, in deze tijden van polarisering en stelselmatig voeden van angst, zou ik willen eindigen met de woorden van de Nederlandse priester-dichter Marinus van den Berg– hij schreef die naar aanleiding van de verkiezingen in Nederland, en gaf hiermee aan zijn lezers een duidelijk ‘stemadvies’: ‘Ik wil stemmen op een gezicht dat licht uitstraalt in donkere tijden; het is hoog tijd om ons af te stemmen op de “ongeziene ander”. ‘
Wij allen hier aanwezig, zovelen als we hier zijn – wij zijn ieder op onze manier een beetje blindgeboren…
Blinde ziener
Raak mij toch aan herschep mij verdoolde in de mist ziener tastend in het duister waar mijn oorsprong ligt. Schep mij uit het slijk omhul mij met uw luister opdat ik door uw ogen kijk en zie de mensen staan. (Jos Van Pelt)
Wat kunnen en moeten we daar tegen doen? Is er een remedie te vinden? Wie kent een goeie opticien in de buurt? Is er soms een dokter in de zaal, een heel-kundige, een ‘oogmeester’, een ogen-opener (een ‘blik-opener’ mag ook) en/of een hondstrouwe blindenbegeleider? Of is er op zijn minst toch ergens een witte stok beschikbaar, waarmee wij stap voor stap even op de grond voor ons uit kunnen tikken om de weg te verkennen die we moeizaam willen blijven gaan naar de vijver van Siloam? Is er misschien een metgezel die toch wat beter ziet, en die in groot mededogen zijn rechterarm even in de mijne wil haken; een lieve naaste die een stukje met mij mee wil gaan? Hoe kijken wij naar andere mensen? Waarin kunnen wij ons oefenen? Wat is een genezend medicament of instrument dat ons in de blik-richting zet van het Rijk Gods?
Oogkleppen afzetten; blinde vlekken laten wegnemen; in alle omstandigheden breed leren kijken en vèr leren zien. Een fototoestel met een breedhoek-lens kan helpen tegen tunnelzicht. Een goeie verre-kijker behoedt ons tegen te veel navelstaren; betrouwbare informatie en een degelijke analyse van de feiten kunnen blinde vlekken op ons netvlies voorkomen; dialoog met elk-ander voorkomt het blinde geweld; elk persoonlijk contact biedt preventie tegen cataract… Je ogen laten aanraken met speeksel, en er modder op doen. Zoals verteld wordt in het scheppingsverhaal van Genesis 2. Op-nieuw mens worden dus, telkens weer. Steeds maar blijven bidden en zingen: ‘Lieve boetseerder, trek mij uit de klei…’ Met de woorden van het evangelie wordt vandaag tot ieder van ons gezegd: ‘Ga je wassen in de vijver van Siloam, de ‘gezondene’ (Joh. 9, ) Wanneer wij onze ogen wassen in de vijver van Siloam, worden wij een beetje icoon van de Levende zelf die ziet… Dat ‘andere’ en ‘vreemde’ mensen zich niet bekeken voelen of beloerd in ons gezelschap, niet genomineerd of uitgesloten. Dat het mededogen voor de geringste steeds meer richting mag geven aan onze ogen. En dat de Profeet van Nazareth ons mag genezen van onze aangeboren oogkwaal; dat Hij ons zalf mag aanreiken en ogentroost. Elke dag een oogbadje nemen dus, liefst in een kommetje water geschept uit de vijver van Siloam. Doe geduldig en voorzichtig ook elke morgen wat ‘diaconale’ en ‘evangelische’ oogdruppels in het aangetaste oog. Zo zal je jouw zending stilaan weer op het spoor kunnen komen. Laat ons misschien inderhaast een nieuwe bril kopen, van Pearl of bij Hans Anders. De reclame beweert dag na dag dat er koopjes te doen zijn! Of laten we vlug de sterkte van de brillenglazen van onze oude, vertrouwde bril wat laten bijstellen, of even binnenwippen bij de opticien. Die heeft ongetwijfeld een paar van die grote posters hangen tegen de muur, met van die zwarte letters op, die in allerlei richtingen zijn gekanteld en in steeds kleiner formaat zijn afgedrukt – en dan moet je maar raden over welke letter het gaat of welke kant de streepjes en haakjes van die aangeduide letter uit wijzen… Nieuwe contact-lenzen aanschaffen. Ogen-blikken creëren die ontmoeting mogelijk maken. Met belangstelling omzien naar de ander is het begin van elke relatie. Zolang ik die ander niet zie staan of niet zie zitten, is er geen verbondenheid, geen sympathie, geen betrokkenheid mogelijk – laat staan ontroering en barmhartigheid. Wanneer geen mens jou aanziet, ben je nergens meer en besta je niet. Als mensen elkaar niet meer willen of durven aanzien, is alle tact weg en alle con-tact verbroken. Dat is doodzonde! Daarom is het bijvoorbeeld zo belangrijk dat je ooit een mens zonder papieren, een vreemdeling, een anders-gelovige persoonlijk hebt leren kennen en met hem of haar in contact blijft. Grijpt er een echte ontmoeting plaats, dan verandert alles, als het ware in één ogen-blik. Gebeurt dit niet, dan blijf je steken in algemene ideeën en vooroordelen, en groeien angst en onbegrip ‘ziender-ogen’. Getuigen tegenover je broers Wie het is die je heeft doen zien. Zijn Naam ‘Ik-zal-er-zijn’ overal achterlaten, en misschien best ook het adres van Zijn befaamde ‘brillenwinkel-kerkenwinkel’… Verkijk je verder niet op wat de anderen: de wetgeleerden, de farizeeën, de omstanders… zeggen. Veel van hun gepraat en gedoe is oogverblinding en zand-in-de-ogen-strooien. Laat je vooral geen valse schuldgevoelens aanpraten. Kijk uit je ogen, en voel je vrij als een Kind van God, een bloem op het veld, een vogel in de lucht. Weet je hoe dan ook ‘graag gezien’…
In een chassidisch verhaal zegt een Russische boer tot een dronkaard: ‘Iwan, ik heb je lief…’ ‘Wat scheelt er dan wel met mij?’, vraagt de ander. ‘Hoe zou ik dat weten?’, vraagt de boer. ‘En je beweert nochtans dat je me lief hebt’, zegt de dronkaard… Dat is een diepzinnige reactie. Liefde is: bespeuren wat een ander ontbreekt. Weten van een anders groot gemis, en dat herkennen bij jezelf. Met zulke ogen naar die ander om-zien, dat je hem of haar (en ook jezelf) wellicht voorzichtig een beetje kunt helen en genezen.
Zo moge het zijn!
Geert Dedecker
Voorbeden
De ‘ziener’ Jezus stuurt ook ieder van ons vandaag naar de vijver van Siloam. Daar mogen we Hem vragen: Doe alstublieft aan ons wat u eens gedaan hebt voor die blindgeborene. Strijk zalf op onze vermoeide ogen. Wij hebben dat genezende gebaar zo nodig.
Wij bidden dat we mogen zien degenen die ons geboren lieten worden, degenen die ons laten leven iedere dag weer: onze partner, onze kinderen, onze kleinkinderen, onze vrienden en collega’s, degenen die ons – zo nodig – helpen en bijstaan, hulpverleners, verzorgers, leerkrachten en opvoeders… Dat wij bemoediging vinden bij elkaar en troost en vreugde aan de wereld kunnen bieden – Laat ons bidden.
Wij bidden dat we mogen zien degenen die achtergesteld worden en uitgesloten, degenen die monddood worden gemaakt, de kinderen zonder kansen, de armen zonder toekomst. Dat we leren geloven in de kracht die wij hebben om elkaar tot zegen te zijn, metterdaad – Laat ons bidden.
Wij bidden dat we mogen zien wat onze aarde nodig heeft om in vrede te leven en een menswaardig bestaan te bieden aan al haar bewoners. Dat wij met Broederlijk Delen mogen zien hoe in Burkina Faso kan meegewerkt worden aan eerlijke kansen en een rechtvaardig samenleven. Want ‘We gaan niet aan tafel voor iederéén er bij is’. En ‘Echte vooruitgang laat niemand achter!’ Laat ons bidden.
Ziener Jezus, raak ook onze ogen aan, dat ze weer opengaan. Strijk onze ogen open met uw levenskracht, en leer ons telkens op-nieuw de naam lezen van die vijver: Siloam, de Gezondene. Zo horen wij meteen weer onze roepnaam. Wij zullen leren zien met nieuwe ogen, en weten dat wij gezonden zijn om op weg te gaan naar mensen, en hen plaatsen aan te wijzen waar genezing is voor hun blinde ogen en hun gekwetste ziel. Amen.
Geert Dedecker
De toekomst van de wereld
De toekomst van de wereld ligt in het verschiet en ik kijk verder dan mijn verrekijker die nieuwe wereld ken ik niet
Arjen Boswijk
4e zondag in de veertigdagentijd - A – gedachten voor de homilie
bij het evangelie: Joh 9, 1-41
Eén van de kwalen van onze tijd bestaat er in, dat de mensen elkaar niet meer willen of durven ‘zien’. Niemand ziet nog een ander gaan of staan. Daar is geen tijd meer voor. Wij doen af en toe een beetje wel en zien vooral niet om. Komen we elkaar tegen, dan geven we elkaar een joviale klap op de schouder en zeggen achteloos: ik bel of mail je nog wel eens. En weg zijn wij. Eén, twee, drie (ik tel tot tien) – en wie niet weg is, is gezien…
Iedereen heeft haast, de mensen stromen langs ons heen, wij zelf zijn druk bezig – wij behoren liefst tot ‘de menigte’, en die heeft per definitie geen tijd en geen ogen. ‘Menigte’ moet vooruit komen, moet zich een weg banen langs de anderen heen. Ieders loopbaan is van te voren uitgezet, en elke meeloper is een concurrent. Wie zelf weet waar hij naar toe wil, heeft er weinig belang bij veel achterom te kijken. En andersom: wie te veel omziet naar een ander, verliest hopeloos zijn tijd en energie…
Wij willen en durven de ander vaak niet zien. Hebt u ooit gemerkt in een volle trein hoe haast niemand zijn metgezellen in de ogen durft te kijken? Iedereen zwijgt krampachtig en verdedigt moeizaam de eigen eenzaamheid tegen mogelijke aanvallen van buiten. Wij zijn bang dat de ander naast of tegenover ons zijn hart zal luchten, zal zeggen wat hem bezwaart of verheugt, zijn kwetsbare plek zal laten zien en zich zo wellicht stiekem aan ons zal vastklampen om nooit meer los te laten…
Zo doende blijft de échte ander altijd ‘onzichtbaar’. Nochtans staat hij misschien vlak voor mij, en kan ik kijken naar zijn neus, zijn haar, zijn gestalte… En toch kan ik in dat kijken die ander niet vastleggen, niet registreren, niet (be)grijpen. Want er is een heel andere realiteit die verborgen zit achter het lichamelijke. ‘Met de woorden van de Kleine Prins: ‘L’essentiel est invisible pour les yeux. On ne voit bien qu’ avec le coeur…’
Een wereld die het ‘zien’ verleerd heeft, kan van de weeromstuit het loeren niet laten. Vandaar de spionnetjes in de deuren, de spiegeltjes aan het venster, de gordijntjes een beetje opzij. Of veel erger nog, want veel onbeschaamder: de bewakingscamera’s en kliksystemen, de krantenkiosken vol roddelblaadjes, de pulpverhalen over pseudovedetten en nepmodellen, over prinsessen op de troon en helden in de goot, de paparazzi op de loer met de camera altijd in de aanslag… En boven dit alles verheven het alziende oog van Big Brother, die als een ouderwetse Godfather het aardrijk in de gaten houdt om ons op een vergissing te betrappen, ons te nomineren en dan voorgoed uit zijn Huis te verbannen. ‘Groot Broer Koekeloer’ – zo heette het TV-programma in Zuid-Afrika. ‘God ziet mij – hier vloekt men niet…’
In die beruchte TV-serie ‘Big Brother’ van een aantal jaren geleden dacht men alleen in keiharde termen van uitsluiting, exclusief. Er vielen stelselmatig mensen af in de race (de zwaksten eerst), en die werden dan vriendelijk maar beslist uit het Huis verwijderd en bij het groot huisvuil gezet. Definitief gecatalogeerd als de ‘losers’, het onvermijdelijke afvalproduct van onze maatschappij…
We lijden collectief aan een ernstige en zeer besmettelijke oogkwaal. Wanneer een mens begint te kijken en te gluren in plaats van te zien, wanneer hij stelselmatig het oogcontact verbreekt en de ander nauwelijks nog een ‘ogen-blik’ gunt, begint heel snel de verkramping en verstarring. Mensen geraken zienderogen uit elkaars gezichtsveld, vallen uit elkaars genade, worden doelloos en onvindbaar voor elkaar. Het gezichtsvermogen sterft af, en de gewelddadige blik wordt meteen geboren.
Zolang ik die ander niet zie staan of niet zie zitten, is er geen verbondenheid, geen sympathie, geen betrokkenheid mogelijk – laat staan ontroering, mededogen en barmhartigheid. Wanneer geen mens jou aanziet, besta je niet en ben je nergens meer. Dan valt alle tact weg en wordt alle con-tact verbroken. Wij zullen ons dus met zijn allen dringend een stel ‘contact-lenzen’ moeten aanschaffen. ‘Optische instrumenten’ uitvinden waarmee we terug het hart van de mensen en van de werkelijkheid op het spoor kunnen komen. Ogen-blikken creëren die ontmoeting mogelijk maken. Met belangstelling omzien naar de ander is het begin van elke relatie.
Niemand kan gelukkig worden, tenzij hij zich volkomen geborgen en veilig weet. Gezien worden is: ervaren aan je ziel dat je bemind wordt. Er moet een blik zijn die ons herbergt, die ons bestaan oneindig waardevol maakt. Heel onze toekomst hangt van een paar wachtende ogen af. In geen enkele taal wordt liefhebben trouwens zo zintuiglijk uitgedrukt als in de onze. ‘Ik zie je graag’, zeggen wij. ‘Houden van’ is bij ons dus in de eerste plaats een kwestie van zien. De kern van ons oog wordt niet toevallig genoemd naar de weerspiegeling van de ander in dat oog: de pupil, het poppetje. ‘Kijk eens in de poppetjes van mijn ogen…’ zong mijn moeder zaliger met de woorden van een oud liedje indertijd…
Kijken en ‘verre-kijken’ (dat betekent letterlijk: ‘televisie’!) doen we haast de hele dag; zien doen we maar af en toe - soms even. Zien is jij-gericht. Om te zien moet je naar binnen gaan. Dat vereist nieuwe ogen en indien nodig een nieuwe bril. Te kijk zetten verkilt. Als ze je zien staan daarentegen word je warm, omdat ze je binnenkant ontdekken. Je wordt er open van, het kan een open-baring worden, een herkenning en erkenning waar je meer mens van wordt…
Iemand die ziek of eenzaam is in de ogen zien, werkt therapeutisch. Ogen die een ander in zich opnemen en respecteren, vormen het wezen van elk genezingsproces. Daar getuigt het evangelie op menige bladzijde van. Wat een verlossing, als je mag voelen dat de ander je in zijn blik laat wonen. De ware ontmoeting is een ontmoeting van aangezicht tot aangezicht (Gen. 32,30). Een con-front-atie ja, maar dan één waarbij de ene mens de andere vrijuit in de ogen durft te zien. Daarom is het bijvoorbeeld zo belangrijk dat je ooit een mens zonder papieren, een vreemdeling of allochtoon, een kind uit één van de weeshuizen in Maputo of een verdwaalde jonge kerel op de Bocaria-vuilnisbelt, persoonlijk hebt leren kennen en met hem of haar in contact bent gekomen. Grijpt er een echte ontmoeting plaats, dan verandert alles, als het ware in één ogen-blik. Gebeurt dit niet, dan blijf je steken in algemene ideeën en vooroordelen, en groeien angst en onbegrip ‘ziender-ogen’. Wat dit in een samenleving teweeg brengt, hebben we verleden zondag nog kunnen zien…
Er zijn zoveel manieren van ‘zien’, zoveel soorten ‘ogen-blikken’ die zich voordoen in een mensenleven. Maar geen enkel is zo belangrijk als dat éne waarop je door iemand bent gezien. De diepste behoefte van élke mens is: door iemand gezien te worden. Dat we elkaar oprecht in de ogen kunnen kijken. Dat ik een aangezicht heb, dat ik respect verdien. De joodse geloofstraditie leert dat het studeren van theologie, het van buiten leren van bijbelteksten, het strijden over dogma’s enz… in de grond eigenlijk allemaal vrijetijdsbesteding is, terwijl het aankijken van de ander een full–time opdracht is voor elke gelovige, voor elk mens. Want…‘in de ogen van een mens staan meer woorden te lezen dan in alle boeken samen…’, zeggen ze.
In een chassidisch verhaal zegt een Russische boer tot een dronkaard: ‘Iwan, ik heb je lief…’ ‘Wat scheelt er dan wel met mij?’, vraagt de ander. ‘Hoe zou ik dat weten?’, vraagt de boer. ‘En je beweert nochtans dat je me lief hebt’, zegt de dronkaard… Dat is een diepzinnige reactie. Liefde is: bespeuren wat een ander ontbreekt. Weten van een anders groot gemis, en dat herkennen bij jezelf. Met zulke ogen naar die ander om-zien, dat je hem of haar (en ook jezelf) wellicht voorzichtig een beetje kunt helen en genezen.
Blinde ziener
Raak mij toch aan herschep mij verdoolde in de mist ziener tastend in het duister waar mijn oorsprong ligt. Schep mij uit het slijk omhul mij met uw luister opdat ik door uw ogen kijk en zie de mensen staan. (Jos Van Pelt)
Wat kunnen en moeten we tegen dat ‘blindgeboren-zijn’ doen? Is er een remedie te vinden? Wie kent een goeie opticien in de buurt? Is er soms een dokter in de zaal, een heel-kundige, een ‘oogmeester’, een ogen-opener (een ‘blik-opener’ mag ook) en/of een hondstrouwe blindenbegeleider? Of is er op zijn minst toch ergens een witte stok beschikbaar, waarmee wij stap voor stap even op de grond voor ons uit kunnen tikken om de weg te verkennen die we moeizaam willen blijven gaan naar de vijver van Siloam? Is er misschien een metgezel die toch wat beter ziet, en die in groot mededogen zijn rechterarm even in de mijne wil haken; een lieve naaste die een stukje met mij mee wil gaan? Hoe kijken wij naar andere mensen? Waarin kunnen wij ons oefenen? Wat is een genezend medicament of instrument dat ons in de blik-richting zet van het Rijk Gods?
Oogkleppen afzetten; blinde vlekken laten wegnemen; in alle omstandigheden breed leren kijken en vèr leren zien. Een fototoestel met een breedhoek-lens kan helpen tegen tunnelzicht. Een goeie verre-kijker behoedt ons tegen te veel navelstaren; betrouwbare informatie en een degelijke analyse van de feiten kunnen blinde vlekken op ons netvlies voorkomen; dialoog met elk-ander voorkomt het blinde geweld; elk persoonlijk contact biedt preventie tegen cataract… Je ogen laten aanraken met speeksel, en er modder op doen. Zoals verteld wordt in het scheppingsverhaal van Genesis 2. Op-nieuw mens worden dus, telkens weer. Steeds maar blijven bidden en zingen: ‘Lieve boetseerder, trek mij uit de klei…’ Met de woorden van het evangelie wordt vandaag tot ieder van ons gezegd: ‘Ga je wassen in de vijver van Siloam, de ‘gezondene’ (Joh. 9, ) Wanneer wij onze ogen wassen in de vijver van Siloam, worden wij een beetje icoon van de Levende zelf die ziet… Dat ‘andere’ en ‘vreemde’ mensen zich niet bekeken voelen of beloerd in ons gezelschap, niet genomineerd of uitgesloten. Dat het mededogen voor de geringste steeds meer richting mag geven aan onze ogen. En dat de Profeet van Nazareth ons mag genezen van onze aangeboren oogkwaal; dat Hij ons zalf mag aanreiken en ogentroost. Elke dag een oogbadje nemen dus, liefst in een kommetje water geschept uit de vijver van Siloam. Doe geduldig en voorzichtig ook elke morgen wat ‘diaconale’ en ‘evangelische’ oogdruppels in het aangetaste oog. Zo zal je jouw zending stilaan weer op het spoor kunnen komen. Laat ons misschien inderhaast een nieuwe bril kopen, van Pearl of bij Hans Anders. De reclame beweert dag na dag dat er koopjes te doen zijn! Of laten we vlug de sterkte van de brillenglazen van onze oude, vertrouwde bril wat laten bijstellen, of even binnenwippen bij de opticien. Die heeft ongetwijfeld een paar van die grote posters hangen tegen de muur, met van die zwarte letters op, die in allerlei richtingen zijn gekanteld en in steeds kleiner formaat zijn afgedrukt – en dan moet je maar raden over welke letter het gaat of welke kant de streepjes en haakjes van die aangeduide letter uit wijzen… Nieuwe contact-lenzen aanschaffen. Ogen-blikken creëren die ontmoeting mogelijk maken. Met belangstelling omzien naar de ander is het begin van elke relatie. Zolang ik die ander niet zie staan of niet zie zitten, is er geen verbondenheid, geen sympathie, geen betrokkenheid mogelijk – laat staan ontroering en barmhartigheid. Wanneer geen mens jou aanziet, ben je nergens meer en besta je niet. Als mensen elkaar niet meer willen of durven aanzien, is alle tact weg en alle con-tact verbroken. Dat is doodzonde! Daarom is het bijvoorbeeld zo belangrijk dat je ooit een mens zonder papieren, een vreemdeling, een anders-gelovige persoonlijk hebt leren kennen en met hem of haar in contact blijft. Grijpt er een echte ontmoeting plaats, dan verandert alles, als het ware in één ogen-blik. Gebeurt dit niet, dan blijf je steken in algemene ideeën en vooroordelen, en groeien angst en onbegrip ‘ziender-ogen’. Getuigen tegenover je broers Wie het is die je heeft doen zien. Zijn Naam ‘Ik-zal-er-zijn’ overal achterlaten, en misschien best ook het adres van Zijn befaamde ‘brillenwinkel-kerkenwinkel’… Verkijk je verder niet op wat de anderen: de wetgeleerden, de farizeeën, de omstanders… zeggen. Veel van hun gepraat en gedoe is oogverblinding en zand-in-de-ogen-strooien. Laat je vooral geen valse schuldgevoelens aanpraten. Kijk uit je ogen, en voel je vrij als een Kind van God, een bloem op het veld, een vogel in de lucht. Weet je hoe dan ook ‘graag gezien’…
Zo moge het zijn!
4e zondag in de veertigdagentijd - A – gedachten voor de homilie
bij de eerste lezing: 1 Sam 16, 1b.6-7.10-13a
Saul is een mislukt experiment. Op een bepaald moment zegt JHWH tegen zijn profeet, tegen Samuël, ik wil een nieuwe koning. De profeet wordt naar Bethlehem gestuurd, naar Isaï, vader van acht zonen. En uit een van die zonen moet een nieuwe koning worden gekozen. Dat is een pracht van een verhaal. Eén voor één worden de zonen van Isaï de beste kamer binnen gebracht. Daar moeten ze voor de jury, een twee mansjury, de profeet en vader Isaï, paraderen en hun sterkste kanten naar voren brengen. De eerste steekt er met kop en schouder boven uit. En vader Isaï is geneigd om te zeggen, hij zal het wel zijn. En net op het moment dat hij zou gekozen worden, komt JHWH tussen en zegt via de profeet, hij is het niet! De mensen kijken altijd naar het uiterlijk, maar God kijkt naar het hart. En zo worden één voor één elk van de zonen van Isaï aan de kant geschoven.
Dan zegt de profeet tegen vader Isaï: zijn dat al uw zonen? Oh, dat is nog waar ook, zegt vader Isaï, onze jongste David zit bij de kudde, ja er moest toch één op de schapen passen. Laat hem halen, zegt de profeet, want wij gaan niet aan tafel voor iedereen hier is. Ook dat is een typisch profetische uitspraak: we gaan niet aan tafel voor de laatste, voor de kleinste, voor de zwakste, voor de jongste erbij gehaald is. Zolang diens plaats leeg blijft, kunnen we geen gemeenschap vormen, want dan zijn we niet bezig in de geest van JHWH. Zeker niet toevallig, ja typisch voor de Bijbel is dat David een herder is. Hij is bezig met zijn herderschap uit te voeren, zo jong en zo klein als hij is. En het is als herder dat hij geroepen wordt om de nieuwe koning te worden van Israël. Uit ‘Sterke verhalen’ – Geert Dedecker - naar het gelijknamig Braambos-televisieprogramma, uitgezonden in het najaar 2009
Juist daarvoor is in de Bijbel verteld: Saul werd door de profeet Samuël gezalfd omwille van zijn rijzige gestalte, maar hij mislukte compleet als koning. Samuël moet nu een nieuwe koning kiezen, maar hij dreigt meteen weer dezelfde fout te maken. Hij zet mensen vast op het uiterlijke, en vader Isaï gaat daar gewillig in mee. Maar God kijkt anders, want God kijkt niet zoals de mensen kijken. De vraag is: hoe kijk je naar mensen? De vader zet zijn kinderen op een rij; ook de profeet kijkt op dezelfde manier als de vader; en zeven keren na mekaar keer kijken ze totaal verkeerd… In de ogen van God telt vooral de kleinste. Waar zit hij toch? Dat is simpel: hij zit waar hij als herder moet zijn: bij zijn schapen! David is bij de schapen gebleven. Hij wilde blijven zorgen voor de schapen als een échte herder. Ook als koning moet je in de eerste plaats een herder zijn. De oudere broers waren uit op een postje, ze waren menselijk gezien knap, en vonden zichzelf daarom zeer belangrijk. David, de jongste broer, telde niet mee; bij hem ‘was er een hoek af’… De kleinsten tellen nooit mee wanneer er belangrijke zaken moeten geregeld worden in de wereld van de ‘grote mensen’… David had rossig haar en mooie ogen, zegt de verteller. De vraag is: wat gaat hij met zijn ogen doen wanneer hij eenmaal koning is? Hoe zal hij dan naar mensen kijken? Belangrijk is ook dat de profeet Samuël tegen vader Isaï zegt: ‘We gaan pas aan tafel als iedereen hier is’. Zo is dat ook in de eucharistie: iedereen mag erbij zijn – hoe klein of zwak..; hij of zij ook is! De lezing van vandaag zegt tot ieder van ons: er zit meer in jezelf! Hoe kijk je naar jezelf? En hoe zou God naar jou kijken? Kan je en durf je geloven dat God niet naar het uiterlijk kijkt en je daar niet op vast zet – maar dat Hij enkel oog heeft op wat er aan goede wil diep in je hart leeft?
Samenstelling: geert dedecker