4e zondag van de Veertigdagentijd – jaar A

A-cyclus · Vasten · 4e zondag van de Vasten · roze

Homilie op de 4e zondag van de Veertigdagentijd (1 Sam. 16, 1b.6-7.10-13a) en Jo. 9, 1-41): Leren zien met de ogen van God!

Tielt, 30 maart 2014

Toen ik een kleine jongen was, kon ik niet goed voetballen. Ik heb daaraan triestige herinneringen bewaard. Weet je hoe dat ging? Als je op je eentje tegen een bal aan het shotten was, kwamen daar soms enkele jongens bij en soms ook een paar meisjes. Dan wilden ze twee teams tegen elkaar opstellen. De beste twee voetballers, - en ik was daar niet bij! - mochten om beurten kinderen kiezen voor hun ploeg. Dan zag je die blik van die kapiteins gaan over die jongens en meisjes. Dan dacht die kapitein goed na wie hij zou kiezen: Hoe goed is die? Is die beter dan die andere? En hij koos wie in zijn ogen de beste was. Dan was het de beurt aan de andere kapitein, die juist hetzelfde deed. Ondertussen werd er natuurlijk ook geroepen: “Neem mij; ik ben beter dan hij”. Alleen de kleine en verlegen jongens riepen niet. Zij stonden stil te wachten totdat ze gekozen werden. Gelukkig voor mij dat de meisjes meestal overbleven tot de laatste. Anders was ik dat vaak geweest.

Zo gaat dat vaak in onze maatschappij. Zolang je krachtig bent, zolang je geld hebt, talenten en veel vrienden, zolang je merkt dat de mensen je knap en sympathiek vinden, zolang je er mooi uitziet, enz…: zo lang is er geen probleem. Dan ben je niet afhankelijk van anderen.

Maar vroeg of laat word je misschien wel afhankelijk. Na een financiële tegenslag, door een accident of als je ziek of oud wordt. Dan moet je hopen op de hulp van anderen. Gelukkig zijn er heel wat mensen die je dan nog zien staan. Helaas zijn er ook mensen die je niet meer zien staan als je afhankelijk bent geworden: je kring van zogezegde goede vrienden en relaties wordt tot een minimum herleid. Je wordt geklasseerd bij hen die niet meer interessant zijn, van wie je geen baat of aanzien te verwachten hebt. Helaas zijn er mensen die je dan niet meer kiezen. Misschien zijn wijzelf soms zulke mensen.

Dan is het boeiend om vandaag in de lezingen te horen hoe God kiest.

Eerst komt de profeet Samuël namens God op bezoek bij Isaï, om één van zijn zonen te zalven tot koning. Isaï is vereerd en laat hem zijn 7 zonen zien. Het zijn stevige kerels en Samuël denkt dat hij één van hen moet kiezen. Maar zelfs de profeet vergist zich. God moet hem tot de orde roepen. Wist hij dan niet meer dat, zoals het in de tekst staat, “God niet ziet zoals een mens ziet; een mens kijkt naar het uiterlijk, maar de Heer naar het hart”. Zo werd de jonge David van bij de schapen gehaald en tot koning gezalfd.

In de evangelielezing over de genezing van de blindgeborene, krijgen we een 2e voorbeeld hoe God mensen kiest.

In dit verhaal zijn er, net als in het voetbal, mensen die het gemaakt hebben en geen zorgen hebben: alle deuren gaan voor hen open. Ze horen er bij. Maar net als in het voetbal in mijn kinderjaren is er iemand die men niet graag kiest, die er niet bij hoort. Die man heeft zelf geen naam. Of beter: hij heeft wel een naam; hij heet “de blindgeborene” of “de man die blind was”. Die naam is precies de reden waarom hij buitengesloten wordt. Hij voldoet niet aan de voorwaarden. Want ziekte betekent voor de Joden een straf van God, omdat je zelf een fout hebt begaan, ofwel je ouders.

Die man zit daar langs de weg en niemand kijkt naar hem om. Zeker de Farizeeën niet! Zij kennen en doorzien alles. Zij kennen de wet, de geboden en verboden, de sabbat… Ze hebben van niemand iets te leren en hebben niemand nodig. En precies die zelfgenoegzame houding maakt hen blind en hardvochtig voor hun medemensen.

Zien en de werkelijkheid niet meer willen zien. Dat is erg! En misschien heeft ieder van ons wel iets van dat soort blindheid, dat soort eelt, dat soort cataract op de ogen van het hart. De man die blind is voor de goedheid en tederheid van zijn vrouw. De vrouw die blind is voor de verzuchtingen van haar man. Kinderen die blind zijn voor de onbaatzuchtige liefde van hun ouders. Ouders die blind zijn voor de drang naar zelfstandigheid van hun kinderen. We zijn soms helderziend voor de fouten van onze medemensen, maar dikwijls blind voor eigen zwakheid en tekorten. We beoordelen de mensen veelal op hun buitenkant, maar zijn blind voor het waardevolle in hun binnenste. We laten ons verblinden door de glans en de glitter van onze welvaartsmaatschappij, maar blijven, zelfs in deze vastentijd, blind voor de schrijnende armoede van zoveel mensen op onze planeet. We vinden zo gemakkelijk excuses om niet naar mensen om te zien.

Dat doet Jezus niet. In het evangelieverhaal kijkt Hij niet of die blindgeborene aan bepaalde voorwaarden voldoet, zoals in het voetbal. Hij kijkt niet naar de mooie gestalte, zoals Samuël deed in de eerste lezing. Hij kijkt en ziet die blindgeborene, naar wie niemand omziet. Hij geneest hem van zijn blindheid en daardoor begint voor die blindgeborene een nieuw leven.

Misschien moet Jezus ook ons doen inzien hoe wij, net als de Farizeeën, verblind zijn door onze ingewortelde zekerheden en vooroordelen. Pas dan krijgen we, net als de blindgeborene, een nieuwe kijk op de mensen dichtbij en veraf.

En vergeet ook niet: die blindgeborene, die smeekt om begrip en hulp, die kwetsbare en soms gekwetste mens, dat ben jij, dat ben ik. Best dat mensen, net als Jezus, dan naar ons omzien! Ik hoop het voor jou en voor mij!

Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt

Zoeken in Preken Online