Ouders die voor hun kinderen opkomen vind je ze overal,
in Israël, in Afghanistan, in Congo, in Europa.
Moeders én vaders willen allemaal het beste voor hun kinderen,
en als er een ziek of gebrekkig is, dan doen ze alles om hun kind te helpen.
Als het nodig is lopen ze van dokter naar dokter, op hoop van genezing.
Ouders vechten voor het welzijn van hun kinderen,
maar dat mag je ook van ouders verwachten.
Het is hun taak om hun kinderen een goede toekomst in te dragen.
En ouders die dat niet doen, of onvoldoende doen, schieten heel erg te kort.
Maar je moet heel voorzichtig zijn als je de zaak gaat omkeren:
als een kind het later niet goed stelt, op welke manier ook,
is dat dan altijd de schuld van de ouders?
Als kinderen zogezegd het slechte pad opgaan,
als ze ontsporen althans volgens de mening van velen,
kun je daar dan de ouders op aankijken?
Kun je dan tegen hen zeggen: jullie hebben je kinderen niet goed opgevoed,
jullie zijn tekort geschoten in je ouderlijke plichten?
Soms kun je dat inderdaad misschien zeggen. Vaak beslist niet.
Maar is die schuldvraag eigenlijk wel zo belangrijk?
Moeten we niet veel meer kijken naar het welzijn van het kind, van de man en vrouw hier en nu.
“Wie heeft er gezondigd, hijzelf of zijn ouders, dat hij blindgeboren is?”
vroegen Jezus’ leerlingen, toen ze die blinde bedelaar tegenkwamen.
Ziekte en gebrekkigheid zag men in die tijd als een straf voor zonden,
en als die blinde man er zelf niets aan kon doen,
dan, zo redeneerde men, lag de schuld dus bij de ouders.
Het antwoord van Jezus is heel duidelijk:
noch hij, noch zijn ouders hebben gezondigd,
Hij doorbreekt het denken van toen: hij geeft niemand de schuld.
Die schuldvraag is voor hem ook helemaal niet belangrijk,
hij ziet die blinde bedelaar als een uitdaging, een taak voor hemzelf:
hier moeten Gods werken van barmhartigheid openbaar worden,
hier moet hij iets doen, hier moet hij een helpende hand bieden.
En dat is een hele andere manier van ertegen aan kijken.
Het gaat om het welzijn hier en nu van deze mens, die we hier en nu tegenkomen.
Ook voor ons zou die schuldvraag totaal onbelangrijk moeten zijn,
ook we zouden daar een taak, een uitdaging moeten zien:
Wat kan ik hier doen om op te vangen, om te helpen, om te redden?
Hoe kan Gods goedheid waar we het altijd over hebben,
gestalte krijgen in mij, of in de gemeenschap waar ik bij hoor?
Meestal reageren we negatief:
“Heel erg, maar hier ligt geen taak voor mij.”
“Ik heb al genoeg te doen met mijn eigen gezin, mijn eigen familie,
ik kan de lasten van anderen er echt niet bij nemen.”
Heel vaak zeggen we: “Eigen schuld, dikke bult. Als zij zichzelf in de problemen werken, moeten ze die zelf ook maar oplossen.”
We kunnen natuurlijk duizendenéén excuus bedenken maar Jezus’ boodschap
is en blijft: maak je niet druk over de schuldvraag,
maar zie die medemens die het niet goed stelt, op welke manier ook,
als een uitdaging voor jezelf, als een indringende vraag:
Wat kan ik doen om hier te helpen?
4e zondag van de vasten A (1999)
A-cyclus · Vasten · 4e zondag van de Vasten · roze