Schuldig gelukkig (2005)

A-cyclus · Vasten · 4e zondag van de Vasten · roze

SORRY

Ik liep gehaast door Heerlen op zoek naar zakken voor de stofzuiger. Ik had al drie winkels gehad. In mijn haast liep ik bijna een rolstoel omver. ‘Sorry, mevrouw’, stamelde ik. ‘Ik had u niet gezien.’ Ze keek me met heldere ogen aan. Het viel me op hoe jong ze was. Had ze een ongeluk gehad? Zat ze als kind al in die stoel? ‘Overkomt me wel vaker’, zei ze toegeeflijk. Ik zag hoe ze stralend in haar rolstoel zichzelf zat te wezen. Ik voelde me schuldig. Schuldig, omdat ik haar over het hoofd had gezien. Schuldig, omdat ik lopen kan zonder pijn. Schuldig, omdat ik over allerlei kwaaltjes en ongemakken klaag;. Je geluk kan je een gevoel van schuld bezorgen.
Eli Wiesel beschrijft zo’n schuldgevoel na het overlijden van zijn beste vriend. Na een korte ziekte was hij er niet meer. Waarom hij en ik niet? Waarom die jonge meid in de bloei van haar leven…? Waarom ben ik toevallig geboren tussen mensen die meer te eten hebben dan gezond voor hen is? Je geluk kan je een gevoel van schaamte bezorgen.

SCHULDGEVOEL

Dit schuldgevoel is niet verkeerd. Het is -dunkt me - een uitnodiging om de ander tegemoet te komen. Het schuldgevoel dat ik heb bij het leed van anderen is het begin van mededogen. Een heilig impuls om met de ongelukkige te delen. Hij mag aanspraak maken op mijn geluk. Zijn ongeluk heeft hij niet verdiend, zo min als ik mijn geluk. Vaak willen we die spelbreker van ons afschudden. ‘Het zal wel dat die zuid-Amerikanen zo arm zijn, ze zijn ook lui’, hoor je dan. ‘Ze geven niets om welvaart…, ze houden zich niet aan afspraken…’ ‘Geen wonder dat in Afrika zoveel ellende is, ze voeren immers oorlog onder elkaar…’ ‘Allicht hebben die vluchtelingen het moeilijk, maar ze zijn toch zelf hierheen gekomen…’ ‘Ik mag toch zeker genieten…’ Als je anderen de schuld geeft van hun gebrek, dan ben je van je eigen schuld af.

BLINDE ZIET

Johannes, de verteller, was weer goed op dreef in het evangelie. Jezus ontmoet een blinde. In die dagen zei men hardop dat iemand zijn blindheid aan zichzelf te wijten had. Aan zichzelf of aan zijn ouders. Dat is een behaaglijke gedachte.
Jezus ziet dat anders. De blinde heeft geen schuld. Voor Johannes is Jezus het licht dat schijnt in de duisternis. Jezus’ ware aard zal blijken. Hij bestrijkt de ogen van de blinde met slijk. Ooit las ik het commentaar van een oogarts. Hij schreef dat er in Afrika nog steeds medicijnmannen zijn die de kunst verstaan om een rijpe staar te verwijderen door met slijk over de ogen te strijken. De blinde ziet!

HET LICHT

Nu komt het. Er ontstaat een discussie. Hoe zie je Jezus? Is hij een betrouwbare gelovige of is hij een handlanger van de satan? Dit is een kwestie van kijken. De een ziet een man die de zondagswet aan de laars lapt. Hij houdt zich niet aan de sabbat. ‘Iemand die de wet van de kerk niet volgt kan niet uit God zijn.’ Dat is wat velen zien. Ze herkennen het licht niet. Met of zonder bril, met of zonder operatie, met of zonder geleidehond, met of zonder wonder.
Je kunt ook iets anders zien. Jezus geneest. Hij zegt dat de blinde geen blaam treft. Jezus wil dicht bij de man staan. Hij voelt mededogen. Hij laat de gedachte toe: het had mij ook kunnen overkomen. Zo gezien is Jezus het Licht.
Durf ik een gevoel van schuld toe te laten als ik de ellende van anderen zie? Durf ik zijn lijden te ervaren als mijn eigen leed? Dat geeft Johannes mij vandaag te denken.

BLINDEMANNETJE

Lieve kinderen.
Als je aan Tommy vroeg: ‘Wat gaan we doen?’ dan zei die steevast: ‘Blindemannetje’. ‘En ik was de blinde’ kwam er onmiddellijk achteraan. De andere kinderen hielden dan al hun beide handen tegen de ogen en riepen in koor: ‘Nee hè…!’ Maar Tommy kreeg altijd zijn zin. Een handdoek werd uit de keuken gehaald. De stoelen gingen aan de kant en de grote vaas op het buffet verhuisde naar de keuken. Tommy kreeg een opgerolde krant in zijn vuist en hij begon wild om zich heen te slaan. De kinderen stoven van de ene hoek naar de andere. Pats! De krant kwam met een klap op het hoofd van Erica. Erica kreeg de blinddoek om. Ze was een beetje bang. Het was akelig om niks te zien. Het leek alsof haar handen en voeten twee keer zoveel voelden, en alsof haar oren twee keer zoveel hoorden. Heel voorzichtig zette Erika een voet voor de andere. Ze durfde niet te zwaaien met de krant. Ze maakte langzame rondjes in de lucht. Erika was bang dat er iets kapot zou gaan. Ze was bang dat ze zou vallen. Erika begreep dat Tommy een wilde jongen was, die iets deed zonder na te denken, en die het niks kon schelen als er iets kapot ging. Ze hoorde hoe de kamerdeur openging. Tommy zal wel geen zin meer hebben nu hij hem niet meer is. Hij zal in de koelkast wel iets lekkers aan het zoeken zijn. Dat dacht Erika, en ze had gelijk. Ze hoorde hoe de kinderen achter de televisie waren gekropen. Ze wisten natuurlijk dat zij veel te benauwd was om de t.v. kapot te slaan.
Gek hè! Erika kon niks zien maar eigenlijk zag ze een heleboel. Ze zag dat ze zelf bang was en dat Tommy niet tegen verliezen kon en dat de anderen haar een beetje uitlachten. Soms zie je het meeste met de ogen dicht!

Zoeken in Preken Online