Het tweede kruiswoord van Christus (2008)

A-cyclus · Vasten · 2e zondag van de Vasten · paars

Het avondmaal is voorbij, verduisterd het licht en onpeilbaar diep de ellende bij de executie daar op die heuvel buiten de stadsmuren van Jeruzalem.
Maar temidden van al dat leed en die machteloosheid toch weer woorden van hoop, verzoening, vrede.
Zó hebben mensen zich Jezus herinnerd. En dat dóet me nog steeds wat, dat dát aan ons is doorgegeven over Hem, als een geloofsbelijdenis:
dat Hij ook in de diepste duisternis van zijn leven toch het licht van de Eeuwige uitstraalt en enkel zijn barmhartige liefde laat zien.
Koningen en keizers, dictators en tirannen, ze komen en gaan en raken in vergetelheid. Wereldrijken, kerken en systemen, ze verdwijnen allemaal in de nevel van
de geschiedenis. Maar Eén is er Eeuwig, is God en zijn naam blijft. En nooit in de geschiedenis is vergeten die Mensenzoon Jezus, die tot op het kruis die Goddelijkheid in zich heeft omgedragen als zijn diepste ziel, zijn levensbron, zijn kracht. Die Gods Woord was, weerloze liefde, het recht van de kleine, troost voor de bedroefde, vergeving, verzoening, trouw tot in de dood. Daarom had Hij zich gebogen als een slaaf om de voeten van zijn leerlingen te wassen; had Hij brood genomen en gebroken: mijn leven voor jullie; en wijn gedeeld: mijn bloed van een nieuw verbond. Niet hard en cynisch geworden door de miserie die Hem omringde, maar mild gebleven en liefdevol, en altijd vol beloften: Vandaag nog zul je met mij in het paradijs zijn.
Zijn tweede kruiswoord.

Ze hadden Hem tot de misdadigers gerekend. Dat was ook geweldig zichtbaar in de drie kruisen die daar waren opgericht. Opgepakt met twee anderen,
ook uit Galilea, op de beschuldiging dat ze het Romeinse gezag zouden ondermijnen. Vrijheidsstrijders dus, zal de een zeggen. Terroristen, zeggen anderen.
Zo gaat dat nu eenmaal bij ons mensen. De bommen zijn er in onze dagen hetzelfde om en het geweld van die dagen ook. En altijd zijn gewone mensen het slachtoffer, toen en nu. Zelf hebben ze zich Zeloten genoemd, ijveraars. Ze ijverden voor Gods Naam en erkenden geen ander gezag dan dat van God alleen. Het Romeinse bewind dus ook niet. Wij herkennen dat ook in onze dagen: terroristische daden gesanctioneerd door de Naam van God.
Jezus had ook mensen uit die kring als volgelingen. Simon de Zeloot zat zelfs in de selectie en was één van de twaalf. Maar uit het Evangelie weten we dat Hijzelf zich altijd verre heeft gehouden van die strijd. Zalig de vredestichters, zegt Hij, want zij zullen het koninkrijk beërven. En op een andere plaats:
Als een Romeinse soldaat je dwingt om zijn bagage één mijl voor hem te dragen, loop er dan twee met hem. En ook: Als ze u op de rechterwang slaan, keer ze dan ook uw linker toe. Dat is wel even iets anders. Maar toch moet Hij op díe beschuldiging terechtgesteld zijn, samen met nóg twee van die verzetstrijders.

In de oosters- orthodoxe kerk hebben ze dit bericht altijd zó belangrijk gevonden, dat je dat aan de vorm van hun Christuskruis kunt zien. Dat ziet er net even anders uit dan dat van het westen. De kleine dwarsligger bovenaan is ook daar het INRI-bordje, dat de Romeinen op het kruis lieten bevestigen, met die spottende woorden Dit is de koning van de Joden. Dan heb je de grote dwarsbalk natuurlijk, waaraan Hij gehangen was. En onderaan zie je dan nog een schuine streep, die op onze kruisen ontbreekt. Die staat voor die twee links en rechts van Hem. Die hebben misschien eenzelfde leven geleid. En beiden waren ze er vast van overtuigd dat het terecht was wat ze deden. Maar ze sterven zo verschillend.

De een staat voor de cynische mensen, voor wie God gelijk staat aan macht. En godsdienst dus ook; en kerk ook. Geestelijke macht, wereldlijke macht, och, het is allemaal dezelfde macht. Toch? En daaruit volgt veel hoon, en spot en laster. Als jij bij God hoort, red dan jezelf. Of met onze woorden: Als er een God bestaat, waarom laat Hij dit dan toe? Waarom grijpt Hij niet in!?
Deze mens kent niet het levensgeheim van de overgave, heeft geen enkele ruimte voor de aanwezigheid van God in zijn eigen ziel. Hij is alleen maar boos en verbitterd. En als hij dood gaat is hij er geweest, letterlijk, niet meer en niet minder. En zo gebeurt het dan ook daar aan het kruis.

De andere misdadiger staat voor de mens die iets ziet in die Jezus naast hem. Hij ziet in Hem juist de kwetsbare liefde van God, God met zijn weerloze overmacht. Hij ziet hoe Jezus zich, met deze God in zijn ziel, toevertrouwt aan het leven zoals het komt en gaat. En hoe ook de Eeuwige, in zijn weerloosheid,
wordt overgeleverd aan alle die godsdienstige en politieke machten, gekruisigd met de misdadigers. Aan deze God en deze mens wil de man zich ook toevertrouwen, in volle overgave. En daarom roept hij: Jezus, God die redt, denk aan mij, ontferm u over mij! Of zoiets als: Heb mij lief.
En terwijl hij zijn eenzame tocht gaat door de duisternis van onbegrip en verlatenheid, is daar dan die hand, die voetstap naar hetzelfde land, die metgezel, die stem:
Wij gaan samen. Heden in het paradijs, jij met mij, bij God geborgen.

Let wel: er staat niet In de hemel, want daar gaat het hier niet over. Paradijs, staat er. Dat stamt af van het oude Indische en Perzische woord: paradesa, tuin. Het is die hof van Eden in dat mooie mythische bijbelverhaal, waar de mensen ooit zouden hebben gewoond: Adam, man van aarde en Eva, zijn gezellin, de moeder van alle levenden. Paradijs dus als het leven zoals het bedoeld is, maar wat wij m et elkaar elke dag weer onmogelijk maken. Paradijs, die samenleving waar de bron van levend water te vinden is. Waar de levensboom staat en waar mensen weten wat goed en wat kwaad is. En het allermooiste: waar God wandelt met ons mensen en met ons spreekt. Dat paradijs is in de schrift het symboolwoord voor die aanwezigheid van God, dat gevoel, dat vertrouwen dat Hij er is, dat Hij je leidt en hoedt, dat Hij je met zijn glans omgeeft wat je ook overkomt. Dat je je vol vertrouwen mag laten vallen in zijn hand. En dat het dan goed is, het leven, jouw leven, met al zijn kwaad, al zijn verwondingen. God hebbe mijn ziel.

Ik moet denken aan mensen hier, aan die de dood van een geliefde van nabij hebt meegemaakt: je liefste levensgezel, je broer of zus, je ouders, je kind.
Dat kan alle leven uit je wegroven. Wat moet je ermee!? Boosheid en verbittering vullen de hele ruimte van je ziel. Je kunt dan in cynisme blijven steken, en God zien als de kwade macht die je deze waanzin aandoet. Dat wordt een zwaar en eenzaam bestaan. Maar als je jezelf nu eens zou kunnen bevrijden van dat idee van een machtige God, met alle willekeur die daarbij hoort. Dan zou Hij misschien weer je metgezel kunnen zijn in je verdriet. En je zou met Hem kunnen wandelen en spreken.
Dat is de belofte waar de bijbel mee begint en eindigt: leven in het paradijs met waterstromen en levensbomen en God-met-ons, die de tranen van de ogen afwist en al het oude is voorbij. Beelden om ons te zeggen waar het om gaat in het leven. Dat dát het meest kostbare is en dat dát het ware geloof is: dat loslaten, en je overgeven in het oervertrouwen dat Hij er is en dat Hij je leven bergt in zijn liefde. Heden zul je met mij geborgen zijn bij God. Wat een troost, wat een genade! Dat je dát mag horen in je diepste ellende, in je eenzaamheid, je angst om je over te geven, zo vlak voor de afgrond van de dood: de ontluistering heeft niet het laatste woord; het laatste woord is aan de Eeuwige God, die woont in Jezus en die ook jouw leven wil omringen met zijn barmhartige liefde.

Zoeken in Preken Online