Homilie op de 2e zondag in de veertigdagentijd jaar A: “De berg en de vlakte”
(Mt. 17, 1-9)
Tielt, 16 maart 2014
Ik heb ooit het geluk gehad een reis te maken over het Himalayagebergte naar het prachtige hoogland Tibet. Een fascinerende ervaring, tenminste als je niet, zoals een drietal jaren geleden onze minister-president Kris Peeters, geveld wordt door de hoogteziekte. Hoe hoger je komt, des te groter wordt de afstand naar de vlakte met het drukke gedoe van de mensen. Het is alsof er bij elke meter die je hoger klimt, een paar kilo levenslast van je afvalt. Daarboven in het hooggebergte voel je je opgetild boven het alledaagse: geen lawaai, geen stank, geen verkeer, alleen maar stilte en zuivere lucht. En niemand loopt je in de weg. Voorbij de boomgrens kun je echt op adem komen. De zon kan je daar meer geven dan beneden. Sindsdien weet ik wat hemelsblauw betekent. En, als je dan nog het geluk hebt dat een wolkendek het dal beneden van je afsluit, dan voel je je helemaal in de zevende hemel. Je zou willen dat het altijd zo blijft.
Maar dat kan natuurlijk niet. Boven op de berg kun je je brood niet verdienen. Het werkelijke leven speelt zich daar niet af. Je ontmoet er weinig medemensen en de mensen die je er ontmoet, zijn trouwens alleen maar gezonde, sterke mensen: wie niet goed te been is, zet daar geen voet. En arme mensen loop je er helemaal niet tegen het lijf; daarvoor is die reis te duur.
Ja, het werkelijke leven speelt zich daar niet af op de top van de berg, maar in de vlakte.
Hoe hoog je ook klimt, je zal weer naar beneden moeten komen, terug naar het gewone leven van elke dag, met beide voeten op de grond. Topervaringen, Taborervaringen, leven met je hoofd in de wolken, God ontmoeten in de stilte, je ziel op adem laten komen, het is allemaal hoogstnodig. We doen het waarschijnlijk veel te weinig, maar het gewone leven dient zich telkens weer aan. Als mens leef je nu eenmaal op aarde, nog niet in de hemel.
Wie thuis is in het evangelie, weet dat ook Jezus vaak de bergen opzocht, vooral als de mensen te veel beslag op Hem legden. Hij klom naar boven als Hij alleen wilde zijn om te bidden. Ook het geloof van Abraham werd gezuiverd op de berg. Mozes ontving de stenen tafels met de tien geboden uit Gods hand op de berg. En Elia ontmoette God op de berg in het suizen van een zachte bries.
Nu Jezus zijn einde voelde naderen, gaat Hij weer de berg op. Slechts drie van zijn leerlingen mogen met Hem mee: zijn drie sterkste apostelen, Petrus, Jacobus en Johannes. Zij zullen ook bij Hem zijn wanneer Hij bloed en tranen zweet in de Hof van Olijven. Mozes voegt zich bij hen: de man van de wet. En Elia, de profeet. In Hem komen wet en profeten bij elkaar. Ze spreken met Jezus en ze zijn zo sterk onder de indruk dat ze samen daarboven willen blijven.
En dan opeens zijn ze terug in de werkelijkheid van alledag. Het staat er heel nuchter in het evangelie: “Toen ze hun ogen opsloegen, zagen ze niemand meer dan Jezus alleen.”
Met Hem dalen ze de berg af, terug naar de vlakte, terug naar de mensen. Want daar ligt voor Jezus het werk dat Hij doen moet. En van alle kanten stromen de mensen naar Hem toe.
Niet alleen op de berg, maar vooral in de vlakte, vooral bij de gekwelde mensen, zullen Petrus, Jacobus en Johannes de ware Jezus ontdekken. Zijn plaats is niet bij de sterken, niet bij de verzadigden, niet bij de heiligen, niet bij de hoogvliegers op de berg, maar bij de zwakken, de hongerlijders, de sukkelaars, de zondaars… in de vlakte.
Wij, gelovigen, moeten ook af en toe de berg beklimmen, ons geregeld terugtrekken in onze kerken om een moment de wereld te verlaten, om niet helemaal te vergaan in de zorgen en de vreugden van elke dag. Om te bidden. Om contact te zoeken met onze hemelse Vader.
Maar dat is altijd maar voor een kort moment. Daarna worden we teruggestuurd naar het leven van alledag, vooral naar al die mensen die we ontmoeten: met hun zorgen, hun kwalen, hun verdriet, hun noden en hun eenzaamheid.
Onze roeping als christen ligt bij die mensen, in de wereld, in de vlakte.
We moeten dat goed bijeenhouden: het vertoeven op de berg en het zwoegen in de vlakte. Zoals ook Jezus dat deed. Bidden en werken.
Alleen dan zal de wereld beter worden.
Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt