Zusters en broeders,
Vorige week werd op een afgelegen eilandje voor de Indonesische kust een jonge vrouw van achttien ontdekt. Ze was de enige overlevende van het eiland na de moordende tsunami. Vijfenveertig dagen lang had ze zich in leven gehouden met wilde vruchten. Het verhaal van die overleving van die ene vrouw is evenwel meer dan een gelukkige anekdote: het is een verhaal dat kenmerkend is voor de mens als dusdanig. De mens is namelijk een ongelooflijk sterke overlever. Waar andere diersoorten omkomen, blijft hij dikwijls in leven. Een van de redenen daarvan ligt in zijn vluchtreflex. Schrik is ons aangeboren, een gezonde schrik die ons voorzichtig maakt, zodat we niet van de ene in de put andere sukkelen. Veel diersoorten kennen die schrik niet; zij sukkelen dus wel van de ene put in de andere, dikwijls zelfs letterlijk. Tot ze in een put vallen waar ze niet meer uitraken.
Vandaag lijken sommigen dat soort gezonde schrik niet meer te kennen, met alle gevolgen van dien. Dan slalommen ze bijvoorbeeld door de neergelaten slagbomen van een overweg hun dood tegemoet, zoals vorige week met vijf jonge mensen in Diepenbeek gebeurde. Tegelijk zien we evenwel dat die gezonde schrik bij velen is omgeslagen in een irrationele angst, een ware fobie. Vandaag de dag is het aantal fobieën nog nauwelijks te tellen, en ze hebben alle gemeen dat ze iemand overleveren aan een ziekelijke en ziekmakende machteloosheid. \
Dat is wat Petrus, Jacobus en Johannes op de berg Tabor meemaken. Wanneer ze Jezus in zijn komende verrijzenisgedaante mogen aanschouwen, zijn ze eerst in een ware hallelujahstemming. Ze zijn, net als Jezus, maar dan wel op een andere manier, helemaal buiten zichzelf, zodanig zelfs dat Petrus wartaal begint te vertellen en voorstelt om voor altijd daar te blijven. Maar wanneer ze door een lichtende wolk overschaduwd worden en de stem horen, kan hun gewone menszijn dat niet meer af, en worden ze door angst overmand. Een angst die hen overdondert en machteloos maakt. ‘Maar’, staat er in het evangelie, ‘Jezus kwam naar hen toe, raakte hen aan en zei: “Sta op, en wees niet bang.”
Jezus raakte hen aan. Een gebaar van geruststelling, van tederheid ook. Zusters en broeders, Ik denk dat wij, als iemand ten onder gaat in angst, pijn en verdriet, te weinig van die eenvoudige gebaren maken, te weinig van die eenvoudige woorden spreken. Wij beginnen te preken, naar oorzaken en gevolgen te zoeken, misschien maken we ons zelfs kwaad op iemand die onredelijk angstig is of wat dan ook, misschien zoeken we zelfs naar schuld. Jezus niet. Hij scheldt niet, lacht niet uit, vraagt niet waarom en hoe. Hij helpt gewoon, met een paar woorden en een eenvoudig gebaar. Misschien kunnen we daaruit leren. Misschien kunnen we ook gewoon hartelijk en teder leren zijn. \
En misschien kunnen we er ook uit leren voor onze vastenactie gaat. ‘Congo wil groeien’. Juist, ja, Congo wíl groeien. Misschien denken spontaan: ‘Als er iets is dat niet zal lukken, dan is het dat wel. Als er één nacht is die nooit zal verdwijnen, dan is het wel de nacht die over Congo, en trouwens ook over andere delen van Afrika hangt. Nee, al wat we daar doen, is verloren moeite.’
Zusters en broeders, die reactie is begrijpelijk. Congo lijkt inderdaad een zwart gat waarin maar geen licht lijkt te willen branden. Toch niet voor wie van ver kijkt, maar wie wat korter bij komt, ziet wél licht. Kleine vlammetjes nog, inderdaad, maar ze zijn er. Wie de vastenkalender als leidraad meeneemt op zijn tocht door deze veertigdagentijd, weet wat ik hier bedoel. Her en der ontstaan er, onder meer met steun van Broederlijk Delen, kleine coöperaties van boeren. Ze plannen, planten, zaaien en oogsten samen. Ze herstellen de school, en betalen zelf het loon van de leerkracht. Soms richten ze een dorpswinkel op of schaffen een maïs- of maniokmolen aan. Of ze investeren in nieuwe teelten en nieuwe landbouwactiviteiten. Op andere plaatsen zien we dat de vrouwen de handen in elkaar slaan. De markt is het centrum van het sociale leven en vormt samen met de landbouw de basis van de Congolese economie. Maar de markten zijn onveilig en onhygiënisch, en de overheid doet er niets aan. Dus nemen de vrouwen zelf het heft in handen. \
Zusters en broeders, het zijn maar een paar van de honderden, duizenden initiatieven van de Congolese bevolking. Met al de miserie die ze de laatste tientallen jaren hebben meegemaakt, hadden ze zich, net zoals de leerlingen in het evangelie, bevreesd ter aarde kunnen neerwerpen om nooit meer op te staan. Dat doen ze echter niet, want Congolezen zijn, net als wij, mensen, dus zijn ze, ook net als wij, legendarische overlevers. Het zou goed zijn als we tegen hen zouden zeggen: ‘Wees niet bang’, en als we hetzelfde gebaar van hartelijkheid, bemoediging en tederheid zouden stellen als Jezus. Het zou ook goed zijn als we samen met hen op weg zouden trekken, zoals Abraham in de eerste lezing. Samen op weg naar het onbekende land, op Gods uitnodiging en onder zijn bescherming. Nee, niet naar het onbekende land, maar naar Tabor. Amen.
\