Beste dorpsgenoten,
De eerste lezing biedt een mooi verhaal, zoals je mag verwachten van romanschrijvers en dichters. Wel is het oorspronkelijk niet geschreven zoals wij het nu lezen. Drie verschillende schrijvers hebben ieder hun verhaal verteld zo’n 700 jaar vòòr Chr. Zij hadden niet alleen hun eigen handschrift maar ook hun eigen taalgebruik. En later is uit die drie verhalen één nieuw verhaal geconstrueerd waar wij vandaag een paar regels van gehoord hebben. En een van de raadselachtige elementen uit dat verhaal is voor alle drie de godsdiensten, Jodendom, Christendom en Islam, de kennis van goed en kwaad. Paulus komt daar in zijn brief aan de Romeinen op terug en lost alle raadsels op door te schrijven: “Door één mens is de zonde in de wereld gekomen en mèt de zonde de dood.” Eva was die ene mens. En zelfs het meest vehemente feminisme kan deze ingeboren overtuiging niet uitroeien. Dat is pas mogelijk als de drie monotheistische godsdiensten verdwijnen.
Het verhaal suggereert dat mensen van alle eeuwigheid aan het zoeken zijn geweest naar kennis omtrent zichzelf: wat zijn wij? God of dier, beeld van God en op God gelijkend, met fatale kennis van goed en kwaad, of een dier dat die kennis niet heeft en geen schuld en schaamte kent. Waar komt het kwaad vandaan en de dood? Niet voor niets ging het om de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad.
Dat zoeken naar onszelf gaat steeds door: het is een proces dat hoort bij het leven. Vasten en woestijn zijn een kans om jezelf tegen te komen en om te ontdekken waar je eigenlijk van leeft. De vastentijd heette vroeger een tijd van versterving. Men liet aangename dingen achterwege, men at maar één volle maaltijd om méé te leven met Jezus die voor je stierf aan het kruis.
In plaats van naar het kruis kun je kijken naar de twee handen die de wereldbol vasthouden. De vastentijd nodigt uit om je over te geven aan het gevoel dat je barmhartig vastgehouden wordt en verder gedragen, in plaats van te worstelen met innerlijke onrust, in plaats van je te laten opvreten door verhoudingen met anderen en door beslommeringen van allerlei aard.
Die boom van kennis van goed en kwaad staat er nog altijd. De schrijvers die in de eerste lezing aan het woord zijn geweest, probeerden een antwoord te krijgen op de vraag naar goed en kwaad. 2000 jaar verder blijft dat nog steeds een vraag.
We zouden vasten anders kunnen beleven: niet minder eten, maar “beter” eten: meer genieten, met meer aandacht en dankbaarheid voor wat we op ons bord of in ons glas hebben. Beter luisteren naar anderen om ons heen, wat vragen ze ons, wat zeggen ze ons? Met zorg selecteren waar we naar kijken en luisteren. Tijd overhouden om te berekenen hoe zeer wij gezegend zijn, hoe rijk wij zijn en hoeveel mensen wij blij kunnen maken met wat wij te delen hebben.
Het evangelie vertelt dat Jezus door de Geest, met hoofdletter, naar de woestijn gevoerd werd om door de duivel op de proef te worden gesteld, ook een manier om tot kennis van goed en kwaad te komen. Bij Eva had de slang gemakkelijk werk, Jezus maakte korte metten met de duivel. Wat hij aan Jezus voorstelde, trekt ons ook aan: sterke stukken leveren, ons bewijzen, met ongeduld eisen dat onze behoeften bevredigd worden, nu, niet later, en helemaal.
Jezus filosofeerde niet met de duivel over goed en kwaad, drie keer was “God” zijn antwoord aan de duivel. In die veertig dagen vasten had Jezus ontdekt waar het om ging. Om een God die voor hem Vader was, in goede en in kwade dagen.
Ik gun het u, dat de Geest u ook zegent in deze veertig dagen, en u een naam toefluistert, een beeld aan het licht doet komen, die overeind blijven in goede en in kwade dagen.
Dat het zo moge worden.
1e zondag van de vasten A (2008)
A-cyclus · Vasten · 1e zondag van de Vasten · paars