Eerste zondag in de veertigdagentijd: Van bekoring naar bekering!
(Gen 2 en 3; Mt. 4, 1-11)
Tielt, 9 maart 2014
Ik moet iets opbiechten. Sinds woensdag l.l., Aswoensdag, zijn we de vasten begonnen en dat is een tijd die me niet ligt, een tijd waar ik elk jaar tegen opzie. Daarbij komt nog dat ik elk jaar daarover moet preken. Je begrijpt best dat ik dat niet graag doe.
Wat me bij deze bekentenis troost, is dat ik blijkbaar niet de enige ben. De meeste mensen schijnen wat bang geworden zelfs voor het woord “vasten”. Dat woord is geruisloos uit onze woordenschat verdwenen, net als de samenstellingen “vastenwet, vastentijd, vastendag, vastenblok”. Wie praat daar nog over? Zelfs de week vrijaf in de scholen bij het begin van de vasten wordt niet genoemd “vastenvakantie”, maar “krokusvakantie”. Dat is veel lieftalliger. Alleen “vastenavond” doet het nog. Maar die avond wordt er allesbehalve gevast. En daarna?
Eigenlijk hoeft het ons niet te verwonderen dat de vasten niet populair is. We leven in een paradijs en doen zo graag wat Adam en Eva deden in het Aards Paradijs. We hebben het gehoord in de eerste lezing. Ze lieten zich door de slang verleiden om te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad, wat in Bijbelse taal wil zeggen: zelf bepalen wat goed en kwaad is, greep krijgen op alles, zelfgenoegzaam en hoogmoedig God niet meer erkennen en zelf als God willen zijn. Als je voor die bekoring bezwijkt, ervaar je, net als de eerste mensen, dat je naakt bent, d.w.z. onbeschermd en ongelukkig, dat je uit het paradijs verdreven wordt: het paradijs van harmonie met jezelf, van goede relaties met je medemensen, van geborgenheid in God.
Is dat niet de ervaring van vele mensen in onze tijd? Het lijkt wel of de Catalaanse romanschrijver gelijk heeft als hij zegt: “In de wereld zijn er geen andere paradijzen dan die waaruit we verdreven zijn.” Voortdurend gaan kleine stukjes paradijs verloren: veel gebroken gezinnen, teloorgang van de sociale vrede, uitzichtloze politiek, verbroken innerlijke rust met soms een tragische ontknoping, gebrek aan spiritueel houvast. Geen stukjes paradijs meer, maar paradijzen in stukjes!
Is dat alles geen uitnodiging om te doen wat Jezus deed in het evangelieverhaal van vandaag, namelijk voor een soort retraite van 40 dagen de woestijn intrekken. Daar ben je alleen. Daar moet je de strijd aangaan met jezelf. Daar geldt de regel: vluchten kan niet meer. Daar kun je niet langer de grondvragen van het leven ontwijken langs de verleidelijke vluchtwegen der bekoringen.
Vasten is loskomen uit de bekoring en komen tot bekering.
Bekering uit de bekoring van de zelfgenoegzaamheid en geestelijke futloosheid: loskomen uit wat je (maar) ,bent, je vervelende gebreken en hebbelijkheden onder ogen durven zien. Misschien voel je dan tenminste wat Sint-Augustinus vertelt in zijn “Belijdenissen”. Hij kwam tot het inzicht dat hij zich moest bekeren uit zijn losbandig leven, maar hij was zo sterk eraan gehecht dat hij bad: “Heer, bekeer me, maar … nu nog niet!” Dat is wellicht ook ons aanvoelen. Wat begrijpelijk is! We zijn meestal zo sterk gehecht aan onze gebreken dat we ze niet graag afleggen. Je verandert jezelf niet in 1 dag, ook niet in 40 dagen, misschien zelfs niet in een heel mensenleven. Maar volg dan toch de raad die Augustinus wat verder in zijn “Belijdenissen” geeft, namelijk: “Als je de indruk hebt dat God je iets vraagt dat je nu nog niet aankan, probeer dan met iets dat je wel aankan en dan zal ooit het moment komen dat het eerste ook lukt.” Denk daarbij nooit dat jezelf verbeteren prettig zal zijn. Het gaat nooit zonder offer, zonder een lastig gevecht met jezelf.
De vasten roept je op tot versterving en onthechting aan jezelf ook in eten en drinken, in de vele geneugten die het leven biedt. Het is een kans voor sommigen om in te zien dat hun vele geneugten hun gezondheid geen deugd doen, want vele mensen delven hun graf met hun eigen vork; een kans ook voor velen om dankbaar te zijn voor hun welvaart en weer te waarderen wat ze hebben. Het is voor elkeen loskomen uit de bekoring je te hechten aan wat je bezit, dat je te veel als een recht beschouwt en daarom niet wil delen met de vele mensen die het levensnoodzakelijke ontberen. Vasten: een uitnodiging om broederlijk te delen!
De Zoeloes hebben een fijn spreekwoord: “Een goed gevulde maag kan geen geheime dingen zien.”
Bewust wat soberder leven in deze tijd kan een hulp zijn om je weer open te stellen voor het geheim dat je leven draagt, om je door Gods woord te laten arresteren, om meer tijd en aandacht te besteden aan gebed en bezinning. In de vasten moet je leren Gods stem te beluisteren en je oren dicht te stoppen voor de charmante wiegeliedjes die ze je voorzingen om dat schreiende kind in je hart te doen zwijgen, d.w.z. om je geweten te sussen.
Van bekoring naar bekering! Het scheelt maar één letter, maar het kan een heel leven veranderen. Misschien zelfs de hele wereld!
Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt