Bij Pinksteren
Wie een computer heeft en een mailbox, die krijgt wellicht ook regelmatig een PowerPoint binnen met foto’s en gedachten ter overweging. Beelden en teksten kunnen meer of minder aanspreken, er zit nogal variatie in.
Toen ik donderdagavond mijn postbus opende vond ik een orchideeënvoorstelling met spreuken. Het was al laat op de avond en daarom overliep ik ze heel vlug. Je kent het wel: in plaats van de voorstelling rustig te laten afspelen, zélf op de pijltjesknop drukken om wat tijd te winnen en toch alles gezien te hebben. Er stonden aansprekende dingen in, vond ik, en ik zou ze in de komende dagen met een frisser hoofd wel eens opnieuw bekijken.
Gisterenmorgen echter zat ik een paar uur alleen in de auto. Dat is een mooie gelegenheid voor veel dingen: naar de radio luisteren of naar een mooie CD, gewoon wat nadenken of dagdromen of … je preek voorbereiden.
Ik liep al enkele dagen met een evangelievers rond waaraan ik was blijven haperen toen ik het tekstboekje aan het maken was. Maar naast dat evangelievers kwam ook een van de spreuken uit de PowerPointvoorstelling naar boven – er was toch méér blijven hangen dan ik gedacht had… Ik kon die spreuk niet letterlijk herhalen, maar ik weet wel dat ze ging over angst en over liefde. Ik heb ze intussen nog even opgezocht. Het is deze uitspraak:
“Er zijn twee dominerende krachten in het leven: de liefde en de angst.
De liefde is de belangrijkste.
Probeer niet angstig te zijn, want de angst stuurt alles in de war.”
Als je het mij vraagt, is er geen betere samenvatting mogelijk van alles wat de liturgie ons vandaag aanreikt dan wat in deze zinnen verwoord wordt: de weg van de angst naar de liefde.
De context van de lezingen is er een van angst, van vrees voor veel dingen, voor mensen ook. De leerlingen hadden schrik en zochten steun bij elkaar. En midden die onzekerheid, midden alle angst en verwarring, gebeurt het: er verscheen hun iets dat op vuur geleek, staat er. Op het moment dat er geen uitweg meer gezien wordt, dat de hoop tot as geworden is, blijkt er vuur onder die as te zitten – en plots laait het in alle hevigheid op. Als God de leerlingen nieuw leven inblaast, begint het vuur te branden, ondanks zichzelf, ondanks alle wanhoop en ontgoocheling. En dan gaan mensen een nieuwe taal spreken, een taal die iedereen verstaat: de taal van de liefde.
De taal van de liefde. Het was Jezus’ moedertaal. De taal die Hij sprak tijdens zijn leven, de taal die Hij sprak als verrezen Heer. Jezus kwam binnen, Hij ging in hun midden staan, ging staan in het hart van hun angst en hun vrees en wenste hun vrede.
En dan volgt het zinnetje waaraan ik bleef haperen. Ik heb het gevoel dat ik er al jaren óver gelezen heb: “Na dit gezegd te hebben, toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde.”
Hij toonde hun zijn handen en zijn zijde. Hij toonde hun dus zijn wonden, Hij toonde aan zijn vrienden de plaatsen waar Hij gekwetst geworden is; verwond door een lans of een nagel, ja. Maar véél meer nog door de lans van het verraad en door de nagels van de eenzaamheid, van het alleen gelaten worden, van het in de steek gelaten zijn.
Jezus toont zich dus in zijn kwetsbaarheid, een kwetsbaarheid die Hij niet wegsteekt, niet voor zichzelf en niet voor de mensen die hij kort voordien vrienden noemde.
En deze houding laat Hem toe vanuit zijn diepste zelf andere mensen vrede toe te wensen. Misschien is dit ook de weg voor elk van ons, want niemand is vrij van kwetsuren in zijn leven, hoe gelukkig of welgezind hij of zij er meestal uit ziet. De weg van het leren aanvaarden: het leven is zoals het is en daar wil ik het beste van maken, er zo goed mogelijk mee omgaan. De weg van het leren loslaten van de gevoelens van pijn, ontgoocheling, kwaadheid, woede, wraak, … die soms in ons kunnen leven en vaak heel begrijpelijk zijn. En toch …
Jezus gaat ons ook hierin voor. Aan zijn vrienden toont Hij zijn wonden, zijn kwetsbaarheid, zijn broosheid. Maar precies dit blijkt ook zijn kracht te zijn, maakt Hem bij zijn vrienden herkenbaar. Lang vóór het bestaan van de identiteitskaart, lijkt het wel dat Hij zijn identiteit zó legitimeert. En geldt dat ook niet voor ons? Niet alleen het goede en het mooie dat wij gedaan hebben en vooral wat anderen met en voor ons gedaan hebben, maakt ons tot wie we zijn, maar evenzeer de dingen waaraan we geleden hebben, de woorden die ons gekwetst hebben, de mensen die ons in de steek gelaten hebben, bepalen mee wie we geworden zijn. En Jezus toont ons dat dit niet per definitie moet leiden tot verbittering of wanhoop. Neen, het maakte Hem tot die goddelijke mens die aan zijn leerlingen en aan elk van ons ten diepste toe de vrede kon wensen. Als dat niet het werk is van Gods Geest …
Dat wij die Geest ook in de diepte van ons leven durven toelaten, ook in onze ontgoocheling, onze littekens, in alles wat we liever goed wegstoppen omdat het pijn doet, ik wens het elk van ons van harte toe. Want dan wordt ons de diepste vrede geschonken en zal ons ook de taal van de liefde gegeven worden, een taal die elke mens verstaat.
In Gods naam: Zalig Pinksteren!