Ofwel kletsen mensen ofwel discussiëren ze. Ofwel praten ze ofwel roepen ze. Ofwel lallen of schreeuwen ze. Voor al deze operaties hebben wij woorden te over. Van ‘s morgens tot ‘s avonds. Thuis en elders. Op straat, in de tearoom, in het stadion, op de markt. Overal hebben mensen woorden.
Ofwel zwijgen mensen. Ze hebben niets te zeggen. Ze durven niet: hun woorden blijven steken in hun keel. Ze zijn bang van de spotlach of de grimlach. Ze zwijgen omdat ze gecomplexeerd zijn of omdat ze toch nooit worden begrepen. Of omdat de anderen toch altijd het hoge woord hebben. Mensen zwijgen om vele redenen. Het meest gewone is, dat ze zwijgen omdat ze stil zijn van natuur, introvert. Ze hopen dan, dat de anderen zo lief zullen zijn te veronderstellen, dat ze diepe gronden hebben..
Zo bestaan mensen. Zo doen wij dat in het leven. Wij spreken of zwijgen onze vragen dood. Wij wekken elkaar niet tot leven met ons woord. Is dat omdat we zo leeg zijn van binnen, zo weinig vervuld, zo weinig bewoond? Omdat onze geest zo ingewikkeld, zo versluierd is en zo verduisterd? Leven vanuit onze geest is zo moeilijk en… als het eens lukt, is het zo saai en zo dor. Niet om aan te horen. Onze ‘geestelijke’ literatuur is zo droog! Er is namelijk te weinig geest in aanwezig.
Daarom verstaan wij Pinksteren zo moeilijk. En toch… Onze geest wordt pas boeiend als hij driftig wordt, als er geestdrift ontstaat. Als de geest niet enkel onze hersenen raakt maar ook ons gemoed. Als hij op onze diepste passie slaat. Als hij ons beroert tot in de schoot.
Wanneer dat gebeurt, gaan wij open en worden wij welsprekend. Dan spreken wij een taal die niet enkel spraakkundig juist is, maar die levens-juist is. Dan komen onze tongen los en worden we overtuigend naar buiten omdat we zelf overtuigd zijn van binnen. Dan spreekt in ons niet langer de meester of de leraar maar de dichter, de zanger en de prof eet. Dan zeggen we woorden die door vele wachtende en zwijgende mensen met beaming worden erkend. Dan zeggen mensen: dàt is het! Dat is de echte waarheid. Daar zaten we op te wachten.
L’important, c’est la rose! Iedereen erkent dat. Zelfs al kunnen mensen dat niet zonder fouten schrijven. Met die vijf woorden zegt Gilbert Bécaud wat leven is. Vanaf de eerste noot applaudisseert het hele volk! De hele avond kan niet meer stuk als dat maar gezongen wordt!
Wellicht is onze kerk vandaag daarom zo dof. Wij zingen niet het lied dat het volk beroert. Wij zingen teveel theologie, wij neuriën teveel theorieën. Wij horen Gods Geest niet meer. Hij wordt niet gesproken in onze eigen taal. Het is te zeer de taal van het boek en te weinig de taal van de Parten en de Meden, van de Kappadociërs en de Frygiërs, van de Limburgers en de Hagelanders.
Er moet een lied bestaan dat iedereen kan kennen. Ik denk, dat dit de roeping is van de kerk. We moeten opnieuw leren zingen! Het mag Engels zijn of Latijn, Vlaams of Frans. Er moet een melodie bestaan die zo waarachtig is dat onze tongen worden losgemaakt.