Wat is het toch een mooi decor, wat is het toch een mooie ambiance - zo’n kerk van ons, zeker ook met Pinksteren. Het gebouw zelf met z’n beelden en schilderingen. En dan de gewaden en de kaarsen en de muziek. Is het niet allemaal om je vingers bij af te likken? Je kunt er op kicken. Je kunt er in zwelgen. Je kunt er aan verslaafd raken: aan reli. En aan liturgie.
Een goedkope verslaving is het niet. Vele miljoenen kost die ons. Hier alleen al. En hoe is dat wereldwijd? Een astronomisch bedrag ongetwijfeld. Hoe zou zich het bedrag dat wij aan onze Roomse kerken en liturgie en kerkorganisatie spenderen; hoe zou zich dat bedrag verhouden tot bijvoorbeeld tot wat er wereldwijd wordt uitgegeven aan verdovende middelen, aan drugs?
Ongetwijfeld strijk ik velen van u ongelooflijk tegen de haren in door deze vraag op te werpen. Als je geloof, kerk en eredienst al een verslaving zou mógen noemen, dan is het toch een eerbiedwaardige en lofwaardige en waardevolle verslaving? Het gaat toch om grote kunst en om grote cultuur! En wij spannen ons daar toch met z’n allen geweldig voor in? Wij worden in en door de kerk toch aangesproken om het beste en edelste in onszelf naar boven te halen? Wij worden door de kerk toch aangemoedigd om onze stemmen zo mooi mogelijk te laten klinken en om ons hart en onze handen zo goed mogelijk te laten werken? De woorden die hier klinken, de rituelen die hier worden verricht, de sacramenten die hier worden ontvangen en die met elkaar het hart zijn van alles, die zijn toch van het hoogste goudgehalte?
Ja. Maar intussen: Die kaarsen steken we toch allemaal zélf aan. En het koor repeteert zich suf. En om alles gaande en draaiend en levend te houden moeten wij toch voortdurend allerlei inspanningen verrichten op allerlei gebied? Dat is toch thuis óók zo? En in de kerk is het toch niet anders? Als wίj niets doen, dan gebeurt er toch ook niets? Als wίj niets zouden doen, zou dan de zaak, in de kerk en thuis, niet spoedig spaaklopen en mislopen en doodbloeden? Zijn er niet zát voorbeelden van kerken waar het zó is gelopen en geldt niet hetzelfde voor allerlei huishoudens en individuele levens?
Ja. Maar … hoe zit het dan met God? En hoe zit het dan met die Heilige Geest van Jezus?
In het eerste bijbelboek der Koningen wordt verhaald[1] hoe de profeet Elia een soort wedstrijd aangaat met de profeten van Baäl - dat is: van een andere god, een heel ándere god als de God van Israël; een áfgod, nίet de ware God. Zowel Elia als de Baälsprofeten bouwen een altaar. Op dat altaar wordt hout gelegd en op dat hout een offerdier. Maar het hout wordt niet aangestoken. Dat moet Baäl doen. En dat moet de God van Israël doen. Dat wordt dus bidden. De Baälsprofeten zetten alles op alles. Ze sloven zich ongelooflijk uit. Van de vroege morgen tot het middaguur dansen en springen ze bij hun gebed. Maar er gebeurt niets. Er komt geen vuur. Maar dan Elia! Eerst geeft hij opdracht om zijn offer en altaar werkelijk kletsnat te maken. Vele bakken water gaan eroverheen. En dan spreekt Elia zijn eenvoudig en innig gebed … en vúúr slaat neer vanuit de hemel en verteert het offerdier totáál. Er blijft niets van over. Indrukwekkend. Precies zo indrukwekkend als de gekruisigde en begraven Jezus die in de avond van de eerste dag van de week, terwijl de deuren gesloten waren, zomaar het huis binnentreedt waar zijn bange leerlingen zich bevinden en in hun midden komt staan. Precies zo indrukwekkend als “dat gedruis alsof er een hevige wind opstak” en “iets dat op vuur leek en dat zich, in tongen verdeeld, op ieder van hen neerzette. (En) zij werden allen vervuld van de heilige Geest en zij begonnen te spreken in vreemde talen.” Indrukwekkend. God die werkt sua sponte. God die eigener beweging werkt en komt met Zijn vurige Geest komt óver en ίn bánge mensen; die komt over en in mensen die daar niet op bedacht zijn … Óf God die, in het geval van Elia, het gelovig gebed onmiddellijk royaal verhoort.
En dan nu wij. Zullen we het eens proberen dierbare gasten en parochianen? Zullen we de kaarsen hier in de kerk eens een keer néérzetten maar niet aansteken? En dan bidden … ?!
Dus … moet dan de conclusie niet zijn: We maken er als kerk wel een geweldige show van, de suggestie is enorm, maar … stróóm staat er toch echt niet op …?!
We hebben zoëven met elkaar de honderdenvierde psalm gebeden: “Neemt Gij hun geest weg, dan komen zij om … Maar zendt Gij uw geest, dan komt er weer leven …” Zou het niet kunnen zijn dat Gods Geest de kerk verlaten heeft? Is de kerk een lege en loze ruimte geworden, levenloos feitelijk? Heeft Gods Geest andere kanalen gezocht? Moet je tegenwoordig elders zijn, bij andere mensen, bij andere vormen van spiritualiteit? Ja, wie zal het zeggen?
Gisteravond, in de vigilie van Pinksteren, heb ik een huwelijk ingezegend. De bruidegom, een prachtige jonge arts, pas gepromoveerd, heeft mij tijdens de voorbereiding op zijn huwelijk onder andere zijn religieuze autobiografie verhaald, de geschiedenis van zijn geloof verteld. Hij zei: “Ik ben gedoopt, heb communie gedaan en ben gevormd. Toen ik dertien werd mocht ik kiezen of ik naar de kerk wilde blijven gaan. Ik wilde dat niet, ik had me er eigenlijk in mijn jeugd voor geschaamd. In de kerk zeiden de meeste verhalen me niet zoveel en buiten de kerk waren de meeste mensen niet gelovig en leek het echte leven om andere dingen te draaien. Later ging ik me nog méér afzetten: Ik en mijn vrienden schreven een bijbel met idiote versies van bijbelverhalen. We verklaarden ons drieën God in deze verhalen … Maar nu, in deze fase van mijn leven, begin ik mij meer te verzoenen met het geloof. Ik heb er lange tijd een grote allergie voor gehad, maar ik voel inmiddels dat geloven een natuurlijke behoefte is: Wat is het waard om voor te leven? Hoe geef ik mijn gezin vorm? Hoe bestendigen wij onze relaties met elkaar? En waar geloven we in dat we met elkaar naar toegaan? Dit zijn vragen die uit ons gedeelde dialect zijn verdwenen, maar die nog wel latent aanwezig zijn. Volgens mij is het slechts een kwestie van tijd voordat ze opnieuw uitgevonden worden. De kerk is voor mij de plek waar mensen in ons werelddeel door de millennia zijn samengekomen om deze vragen te verwoorden. De kerk is tegenwoordig een plek met minder antwoorden, maar de vragen blijven even levend en de gezamenlijke discussie erover een kernwaarde in het leven.” En hij vervolgt: “Ik heb een baan binnen de wetenschap. Dit zijn traditioneel niet de meest gelovige mensen omdat wetenschap een verklarend beeld voor de wereld geeft waarin god (sic!) niet nodig is. Wat ik waarneem in mijn werk is iets anders: Bij het beschouwen van de werking van het menselijk lichaam en de ingenieuze inventiviteit van de biologische systemen waaruit dit is opgebouwd in ziekte en gezondheid valt mij de onverklaarbare wonderlijkheid van het bestaan hiervan op. Zelfs als het te verklaren is door het te beschrijven blijft het een wonder dat het er is en ontstaan is. Het leven is een wonder dat het waard is om gevierd te worden.”
Tot zover de jonge dokter. Ik ben geneigd te zeggen: De Geest Gods spreekt in hem. De Geest Gods is op nieuwe wijze bij hem binnengekomen. Niet spectaculair. De trucendoos is ditmaal dichtgebleven, maar toch … Niet door de voordeur, maar door de achterdeur of via een dakraam of zelfs terwijl alle deuren en ramen gesloten waren: tóch is wellicht die Geest, die van Jezus hopelijk, bij hem binnengetreden. Misschien, veelgeliefden, is “de geheime ingang” in onze tijd voor de Geest wel de weg bij uitnemendheid en is er voor die Geest zelfs geen andere weg opengebleven. Voor de spectaculaire effecten zorgen wij in onze tijd immers zelf? Ik denk: de Heilige Geest kan ook schuw zijn als een hert en ook héél eenvoudig en volstrekt nίet spectaculair. Paulus, in de tweede lezing vandaag, uit de eerste brief aan de christenen van Korinthe, hij, Paulus, schrijft daar: “Niemand kan zeggen: ‘Jezus is de Heer’, tenzij door de Heilige Geest.” Ik stel voor: laten we het dáár in elk geval op houden. Amen.
Pinksteren (2011)
A-cyclus · Paastijd · Pinksteren · rood