Pasen A - 2005

A-cyclus · Paastijd · Paaszondag · wit

“Hij is geen God van doden, maar van levenden.”

Zusters en broeders, hoe dikwijls beklemtoont Jezus dat niet: “Hij is geen God van doden, maar van levenden.” Vandaag vieren en gedenken we in geluk en geloof dat Jezus zelf, door zijn verrijzenis, de bevestiging is van die uitspraak. In de eerste lezing laat Petrus geen twijfel bestaan over de letterlijke betekenis van die verrijzenis. “Ze hebben Hem aan het kruishout geslagen en vermoord. God echter heeft Hem op de derde dag doen opstaan en laten verschijnen, ook aan ons die met Hem gegeten en gedronken hebben.” Ze hebben met Hem gegeten en gedronken. Geen twijfel dat Hij leeft. Later zal Paulus, in zijn eerste brief aan de Korintiërs, triomfantelijk uitroepen: “Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw angel?”

Onze God, de God die we door de Bijbel en door Jezus hebben leren kennen, is de God van het leven. Al van in de eerste bladzijden van de Bijbel verschijnt Hij als de Schepper van alle leven, en ‘Hij zag dat alles wat Hij gemaakt was, goed was.’ Zo staat het er, het wordt zelfs een paar keer herhaald. Dat betekent niet dat lijden en dood in de Bijbel verdoezeld worden, integendeel. Al onmiddellijk na de schepping van het leven blijkt dat mensen elkaar dat leven niet gunnen: Kaïn vermoordt zijn broer Abel. En onmiddellijk treedt God helend op: om het leven te beschermen, tekent Hij Kaïn met een teken dat zal verhinderen dat ook hij gedood wordt.

Dat verhaal over mensen die elkaar de dood aandoen, en over God die helend en levenbeschermend optreedt, komt in Bijbel onder allerlei vormen en in allerlei verhalen altijd opnieuw terug. In Jezus wordt die levenswil van onze God letterlijk vlees en bloed, letterlijk mens. En Jezus toon,t dezelfde levenswil. Zijn leven lang is Hij dezelfde keuze trouw geweest, zijn radicale keuze voor het leven-voor-allen. Echt voor allen. Ook, zelfs vooral, voor hen die door iedereen opgegeven waren: blindgeborenen, melaatsen, tollenaars, overspelige vrouwen, blinden, kreupelen, lammen. Zij die niet meetelden, zij van wie leven niet belangrijk was, zij die volgens radicale wetsgetrouwe joden net zo goed dood als levend waren. Het waren immers toch maar zondaars, en zondaars verdienen het leven niet.

Aldus de wetsgetrouwen joden. Aldus niet Jezus, integendeel. Zijn weg was helemaal anders. Zijn weg was die van de levenscheppende God: de weg van het leven, niet van de dood. De weg van leven voor allen, omdat Hij nu eenmaal maar één wet kende: die van de liefde. Opnieuw zoals God dus, want ‘God is liefde.’ Zo radicaal was Jezus’ keuze dat het werd: zijn leven voor dat van de anderen, van alle anderen, zelfs van zijn moordenaars. Zo Iemand kon God niet in de dood achterlaten. In Hem toont Hij definitief aan dat Hij de God van het leven is. In Hem toont Hij ook aan dat ook wij voor het leven geboren zijn, niet voor de dood.

Zusters en broeders, laten we zijn zoals de door Jezus beminde leerling uit het evangelie: hij kwam het eerst bij het graf aan, maar liet Petrus voorgaan. Toen ging ook hij naar binnen, en “hij zag en geloofde.” Geen grote woorden, geen grote gebaren. Alleen: “Hij zag en geloofde”, ook al begreep hij er niets van. Ook dat staat letterlijk in het evangelie: dat hij en Petrus het niet begrepen. Ook wij begrijpen het niet. Maar dat is ook niet nodig. Zolang we maar zijn weg gaan, de weg van Jezus, de weg van liefde en geloof, de weg van leven voor allen, de weg die voert naar leven in eeuwigheid. Amen.

Download deze preek in Microsoft Word formaat

Zoeken in Preken Online