Ieder die dit boek leest, zal wellicht een thema ontdekt hebben dat verschillende keren terugkwam. Het is geen nieuw thema. Het is net zo oud als Pasen. Vanaf het begin gaat het met Pasen om een nieuw Godmenselijk leven. In Jezus begint dat leven niet met Pasen. Het is het leven dat hij daarvóór al leefde. Het leven waarvoor hij gekruisigd werd. Met Pasen wordt duidelijk dat dit soort leven Gods garantie krijgt. Daarom is dat leven voor de gehele mensheid mogelijkheid en opgave. Het gaat om dit nieuwe leven.
Jezus laadt niet de een of andere politieke of sociale structuur, de een of andere filosofie, traditie of geleerdheid op met zijn boodschap. In levende mensen begint die boodschap te leven. Het is het leven van de heilige geest, of zoals Lucas zegt, het leven van Jezus, dat in hen opleeft. Die geest maakt hun duidelijk waar het om gaat.
Als je het zo kort mogelijk wilt zeggen, dat kom je tot zoiets als de doopformule, waar we met Pasen tijdens iedere liturgie aan herinnerd worden, als we besprenkeld worden met doopwater. In die formule gaat het traditioneel om een vader, een zoon en een geest. Die drie worden op ons als mensheid, en op ieder van ons persoonlijk, betrokken. We komen uit dezelfde goddelijke bron en hand; we vormen tezamen Gods kroost; we leven van hetzelfde goddelijke leven. Het leven van Jezus toont wat het betekent die waarheid te beleven. De waarheid - om het op een andere manier te zeggen - dat God van iedereen op precies dezelfde manier houdt; op dezelfde manier houdt God van jou of van mij.
Jezus voorspelde dat de geest ons geleidelijk aan alle implicaties van die waarheid duidelijk zal maken, en hij beloofde dat diezelfde geest ons zal helpen om daar in ons persoonlijke en maatschappelijke leven gestalte aan te geven. Dat klinkt eenvoudig, maar de groei van dit leven - dat christenen als iets blijvends en onveranderlijks meegegeven is - heeft plaats in een wereld die haar eigen structuren heeft. Het is steeds binnen die structuren dat we onszelf, ook als christenen, proberen waar te maken.
In een tijd dat de keizer oppermachtig was, wordt God als dat soort van keizer gezien. In een periode waarin het kapitalistische ondernemerschap hoogtij viert, wordt God praktisch als de leider van een industrieel concern gezien. En in de sociale welvaartsstaat wordt God geacht zó voor ieder van ons te zorgen, dat ons menselijke leven zo comfortabel en pijnloos mogelijk wordt. Eerst was God een ouderwetse paternalistische heerser en nu is zij een heel democratische, bijna helemaal menselijke ‘kameraadse'.
Er zijn dus nogal wat moeilijkheden verbonden aan deze onvermijdelijke verworteldheden met de wereld waarin we leven. Een van die moeilijkheden - en zeker niet de geringste - is dat de christenheid in haar institutionele uitdrukking vaak achterblijft op de actuele situatie. De paus zal nog als een absolute monarch tronen, terwijl dat soort keizerschap overal elders op de wereld - geografisch en historisch - achterhaald is.
Maar ook wij christenen zelf zien vaak niet in dat we, op welk punt van ontwikkeling we ook zijn, toch tekortschieten ten opzichte van wat we met Pasen vieren. Al onze verworvenheden blijven relatief. We zijn er nog niet.
Iets dergelijks is de laatste jaren duidelijk gebleken in Oost-Europa, waar alle muren en belemmeringen omgeduwd werden om ruimer, menselijker en persoonlijker te kunnen ademhalen en leven. Het is ook in ons eigen Westen te bemerken, als we die nieuwe bevrijde mensen uit het Oosten zich toch maar liever niet zomaar zonder meer aan onze structuren aan zien passen, omdat die vaak door ons als onvoldoende en antisociaal ervaren worden. Maar afgezien daarvan, wie is er zich niet van bewust dat Jezus’ verrezen leven in onze wereld nog niet waar gemaakt is. Als dat leven waar gemaakt zou zijn, dan zouden we niet meer iets als een derde wereld hebben!
Jezus die die waarheid wel leefde, bevond zich in een wereld die nog verder van dat ideaal afwas dan de onze. Dat is de reden dat hij ons achterliet niet alleen met zijn geest, maar ook met een ‘missie’. En hij zei dat we meer zouden kunnen doen dan hij gekund had (Joh. 14,12)!…