Homilie op de het Feest van de Hemelvaart van de Heer (2 juni 2011):
Jezus’ boodschap aanwezig stellen in ons midden (Mt. 28, 16-20)
Tielt, 29 mei 2014
Van luchtvaart en ruimtevaart hadden de middeleeuwers nooit gehoord, maar ze durfden de Hemelvaart van de Heer wel als zoiets te verbeelden in hun handschriftminiaturen en geschilderde panelen. Zij tonen de leerlingen, verzameld rondom een kleine berg. Zij staren, zoals beschreven in de Handelingen, allen naar boven, naar de hemel, waarheen Jezus opstijgt of is opgestegen. Soms blijven er op de berg twee voetafdrukken achter, alsof Jezus zich op een trampoline had afgezet. Rembrandt laat Hem op een groot paneel in 1636, op een wolk, door babyengeltjes opgetild en door talloze gevleugelde naakte kinderfiguurtjes omgeven, naar de hemel opstijgen. De acrobaten van het Cirque du Soleil zouden er jaloers op kunnen zijn.
Ondertussen heeft het feest van de Hemelvaart van de Heer voor de meeste mensen zijn inhoud en betekenis verloren. Wij weten wel wat luchtvaart en ruimtevaart is, maar bij deze kennis van dat technische vernuft is Hemelvaart voor de meeste mensen nog slechts de eerste dag van een lang vrij voorjaarsweekend, uitermate geschikt voor en vierdaags verblijf aan zee of in de Ardennen of een caravan-oefendag, een soort proefdraaien voor de zomervakantie.
Dat is jammer, omdat het misschien het zoveelste teken is van de groeiende ontkerstening. Maar oorspronkelijk was Hemelvaart gebonden aan Pinksteren en zo zou het weer moeten worden. Hemelvaart is het begin van de zending van de leerlingen, bezield door Jezus’ pinkstergeest. Eerst deden ze niets anders dan Jezus nakijken. Ze staarden zich blind op de hemel. Ze deden wat mensen zo vaak doen: opkijken naar de leider, de voorman. Alles verwachten van boven, van God, van hogerhand, van de kerkelijke leiding, van het gezag, de overheden, de anderen. Alles overlaten aan wat boven je is en zelf passief toekijken. Zo gaat het vaak onder mensen. Zo ging het ook met de eerste leerlingen van Jezus. Spijtig! Dat helpt de Kerk en de wereld niet vooruit. President Kennedy had gelijk toen hij bij zijn ambtsaanvaarding aan het Amerikaanse volk zei: “Vraag niet wat het land voor jou kan doen. Vraag wat jij voor het land, voor anderen, doen kunt.”
Onze taak is het God en zijn Zoon aanwezig te stellen en herkenbaar te maken in ons midden. Geen gemakkelijke opdracht! Noch voor Jezus’ leerlingen, noch voor ons!
Jezus’ leerlingen maakten na zijn dood een diepgaand rouwproces meer. Ze hadden heel wat te slikken. Ze voelden zich ontredderd. Ze moesten nog wennen aan de idee dat ze er alleen voor stonden. Het heeft een tijd geduurd voor iemand hen kon zeggen: sta toch niet naar de hemel te staren, maar ga verder in zijn geest. Pas toen gingen ze beseffen dat ze door zijn Geest op eigen benen konden staan.
Die ontreddering van de leerlingen na Jezus’ dood is ook de onze. Zeker in onze maatschappij. We zien stilaan het kerkbeeld verdwijnen dat ons sedert generaties vertrouwd was: priesters vergrijzen en worden niet meer vervangen, sommige kerken lopen leeg, sommige zogenoemde christelijke organisaties schrappen de “c” van christelijk in hun naam en de Sint verdwijnt in de naam van onze scholen. Sommigen onder ons hebben gratis uren gespendeerd in kringen, besturen en verenigingen allerhande… en zien nu met lede ogen die organisaties doodbloeden. Waren hun inzet en inspanningen dan vergeefs? Is ons roemrijke katholieke verleden gedoemd om te verdwijnen? Wie als gelovige nog durft opkomen voor zijn geloofsovertuiging, loopt het risico als ouderwets of achterlijk beschouwd te worden of zelfs in een sekte geklasseerd te worden. Wie thans als christengelovige durft leven en daarvoor uitkomt, moet veel misprijzende blikken trotseren in zijn buurt, in zijn werk- of vriendenkring, soms zelfs in eigen gezin of eigen familie.
Jezus zegt ons vandaag dat het onze taak is nieuwe wegen te zoeken om zijn boodschap gestalte te geven in onze tijd. Dat zegt ook onze nieuwe paus Franciscus bestendig. Dat is nodig, want vele mensen zijn op zoek naar zingeving: in hun relatie, in de opvoeding van hun kinderen, in hun dagdagelijkse taak.
Jezus zegt ons vandaag ook dat Hij daarin ons zal helpen en steunen. “Zie, ik ben met u alle dagen.” Hemelvaart is in deze zin een ruim, open en vrijmakend feest. Dat feest nodigt ons uit om mensen te zijn met een ruim en beschikbaar hart, dat attent is voor de tekenen van Gods nabijheid en die klaar staan om de handen uit de mouwen te steken en om het nieuwe dat zich aandient uit de startblokken te helpen.
Op Hemelvaartdag is Jezus naar de Vader vertrokken. Ook wij moeten vertrekken. Erop uit trekken en afscheid nemen van onze stervende volkskerk.
Erop uit trekken en proberen om een vrijwilligerskerk van de grond te krijgen die misschien zoveel dichter bij het evangelie staat dan de vroegere massakerk. Erop uit trekken om Jezus’ woorden van bemoediging en opbeuring te spreken tot zoveel mensen die het niet meer zien zitten in onze welvaartsmaatschappij.
Staar niet langer naar de hemel met heimwee in je hart. Kijk naar de mensen om je heen. Ze hebben je opbeurend woord en je uitgestrekte hand broodnodig.
Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt
Homilie op de 7e Paaszondag: “Bidden voor de Kerk” (Jo. 17, 1-11a)
Tielt, 1 juni 2014
In de evangelielezing, die we zopas beluisterd hebben, doet Jezus iets wat de meesten onder ons wellicht zelden doen, namelijk bidden voor de Kerk. Het is nochtans nodig! Want die Kerk heeft het op onze dagen bijzonder moeilijk. Ze wordt bedreigd door aanvallen van buiten. Die zijn er altijd geweest. Nieuw en veel erger is wellicht dat ze op onze dagen ontredderd wordt door mensen die haar van binnen uit aanvallen. Tot voor enkele jaren was het vanzelfsprekend dat b.v. priesters die niet meer akkoord gingen met het kerkelijk gezag of met de kerkelijke opvatting van het priesterschap of voor wie de beleving van die opvatting niet meer haalbaar was, uit de Kerk stapten of althans het priesterambt verlieten. Nu niet meer! Dat zaait bij heel wat mensen verwarring of althans onbehagen.
Er is veel meer kritiek op de Kerk dan gebed voor de Kerk!
Die kritiek richt zich o.a. tegen het kerkelijk leergezag.
Dat hoeft ons niet te verwonderen in een tijd die lijdt aan een algemene gezagscrisis in de gezinnen, in de scholen, in de bedrijven en in de hele maatschappij.
Die reactie was er wellicht ook nodig. Te lang was het geliefkoosde beeld van de Kerk dat van de “rots in de branding”. Een rots die roerloos en ongenaakbaar bleef liggen: nogal koel en, zoals elke rots, uitermate hard en triomfalistisch.
In de hele maatschappij duldden degenen die het voor het zeggen hadden, weinig inspraak. Dat was ook zo in de Kerk, waar de regel gold: “Roma locuta, causa finita”, wat wil zeggen: als de paus of de bisschop een beslissing genomen had, was de zaak afgehandeld. Die stijl is al lang voorbij.
In de zestiger jaren, vooral na het 2e Vaticaanse Concilie, werd het beeld van de Kerk als rots verlaten. Sindsdien gebruikte men voor de Kerk veel liever het beeld van “het bootje van Petrus”, een bootje dat nu niet meer vast geankerd lag in een veilige haven, maar waarvan het anker gelicht werd. Dat schip moest nu varen in volle zee, een zee die bestendig veranderde door de wisselende weersomstandigheden en die meestal zeer woelig was. De kapitein van het schip, de stuurlui, de bemanning en zelfs de passagiers waren niet gewoon te varen op die woelige zee, voelden zich aanvankelijk onwel of zeeziek en velen vielen overboord. Verwarring en ontreddering bij vele gelovigen en een ernstige terugloop van de geloofspraktijken. Het bootje van Petrus ging af en toe aan het zwalpen, het kompas leek verouderd en herhaaldelijk was een kleine of grote koerscorrectie nodig.
Die crisisperiode heeft heel wat onheil gesticht, maar is er nodig geweest. Waarheden, belevingsvormen en sommige morele stelregels, die eeuwenlang vanzelfsprekend geweest waren, mochten en moesten eens in vraag gesteld worden. Bepaalde koerscorrecties waren voor de Kerk een zegen.
Ook de manier van gezag uitoefenen in de Kerk werd erdoor grondig gewijzigd: inspraakorganen allerlei werden opgericht in kerkelijke instellingen, in de parochies, in de bisdommen en zelfs in Rome. Best ook! Want de Geest Gods werkt niet alleen in de officiële gezagsdragers, maar ook in de grote groep gelovigen. Samen zijn zij het zoekende Godsvolk onderweg. Open dialoog en gezonde kritiek zijn een zegen op voorwaarde dat ze tot opbouw, niet tot afbraak dienen. Pas dan kan het gezag zijn dienende rol vervullen. De interpretatie van die dienende rol kan echter tot misverstand aanleiding geven. Volgens sommigen zou dat ongeveer erop neerkomen dat alle gezagsdragers moeten uitvoeren wat de onderdanen vragen. Dat is onjuist, want de eigen dienende rol van het gezag is precies gezag te zijn en leiding te geven. Dat is geen synoniem van dictatuur. Dat wil niet zeggen dat gezagsdragers zich niet moeten informeren door dialoog, inspraak en zelfs kritiek. Maar zelfs dan zal wie gezag uitoefent, geregeld beslissingen moeten nemen, die niet bij iedereen, noch bij conservatieven noch bij progressieven, goed aankomen.
Het beeld van de Kerk als rots en bootje moet aangevuld worden door het mooie beeld van de Kerk als moeder. We spreken inderdaad ook over “onze Moeder de H. Kerk”. Typisch voor elke moeder is dat ze onbaatzuchtig ten dienste staat van haar kinderen en dat haar liefdevolle bekommernis de kenmerken draagt van de liefde bij St.-Paulus: “Liefde is ruimte geven, goedheid en geduld. Liefde is niet kleinzielig… Ze wordt niet verbitterd en vindt niets onvergeeflijk… Ze is altijd vol hoop?” Zoals alle moeders zich bestendig moeten aanpassen aan hun groter wordende kinderen, zo vergaat het ook onze Moeder de H. Kerk. We moeten dan ook gelukkig zijn dat de Kerk in deze roerige crisistijd mee beroerd wordt, dat ze geen spiritueel Bokrijk is: interessant om te bezoeken, onmogelijk om erin te leven. En, zoals elke goede moeder, moet ook onze Moeder de H. Kerk de moed en de ascese opbrengen om af en toe aan haar kinderen iets te gebieden of te verbieden, zelfs bepaalde praktijken te veroordelen, uit bekommernis voor hen.
In het Evangelie bad Jezus voor zijn Kerk. Laten wij, naar Jezus’ voorbeeld, ook dikwijls bidden voor de Kerk, opdat ze voor elkeen een wijze en goede moeder zou zijn.
Ze heeft het hard nodig, ook en vooral in Tielt.
Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt