‘Nadat Jezus ten hemel was opgenomen, keerden de apostelen van de Olijfberg naar Jeruzalem terug: Petrus en Johannes, Jacobus en Andreas, Filippus en Tomas, Bartolomeus en Mattheus, Jacobus, Simon de IJveraar een Judas, de broer van Jacobus.’
Zusters en broeders, het is bij mijn weten de enige keer in de Heilige Schrift dat de apostelen in een adem na elkaar vernoemd worden. Het is of Lucas wil beklemtonen: ‘Kijk, deze elf mannen zijn nu de vertegenwoordigers van Jezus op aarde. Hijzelf is naar de Vader teruggekeerd, het is nu aan hen zijn leven, zijn woorden en zijn daden verder te zetten en uit te dragen.’ Ze staan er echter niet alleen voor: Jezus heeft hun zijn Geest beloofd, zijn Geest van waarheid die hun kracht zal geven.
Van hen zal het afhangen. Benieuwd dus hoe ze daaraan zullen beginnen. Wel, zusters en broeders, ze beginnen er op een heel merkwaardige manier aan. Ze stropen de mouwen niet op, ze vliegen er niet in met jeugdig enthousiasme en met de bezieling van het geloof en het Grote Gelijk. Nee, ze verzamelen in de bovenzaal waar ze niet zolang voordien met Jezus het Pascha hadden gevierd, en ze blijven allen eensgezind volharden in het gebed, samen met de vrouwen, met Maria, de moeder van Jezus en met zijn broeders.
Zusters en broeders, het is een episode die met telkens opnieuw treft. De apostelen staan voor een opdracht waarvan ze betekenis noch draagwijdte vatten, dus zou je verwachten dat ze vergaderingen beleggen om te proberen tot inzicht te komen, je zou denken dat ze dat ze een strategisch plan opstellen, dat ze taken verdelen, dat ze eraan beginnen. Niets van dat alles; ze gaan rustig zitten bidden, eensgezind en volhardend. Nagels met koppen vind ik dat. En gezien het resultaat zo’n tweeduizend jaar later niet eens een slechte tactiek, om het met een werelds woord te zeggen.
Weet je, zusters en broeders, misschien moesten we dat ook eens wat meer doen: bidden. Gewoon, eensgezind en volhardend bidden. Om Gods Geest. Om zijn Nabijheid. Om zijn adem in ons leven en in ons werk. Nu vliegen we erin alsof het allemaal van ons afhangt. parochieploegen en parochieraden, catechisten en parochieassistenten, kerkfabrieken en voorgangers: allemaal even druk bezig met het zelf aan te pakken. Misschien zitten we er met al ons werken en al ons zwoegen wel echt goed naast: misschien moesten we wat minder vergaderen, wat minder werken, wat minder zwoegen. Misschien moesten we de uitgespaarde tijd wat meer bidden, eensgezind en volhardend, zoals de apostelen. Priesters en leken, mannen en vrouwen, zonder onderscheid. Misschien moesten we ook minder op ons eigen werk vertrouwen en God een beetje meer aan het woord en aan het werk laten. Soms heb ik de indruk dat we met al onze goede bedoelingen uit het oog verliezen dat het niet onze Kerk, maar zijn Kerk is; dat het niet ons volk maar zijn volk is, dat het niet onze wereld, maar zijn wereld is.
Misschien moesten we zo nu en dan eens een beetje stilvallen en Hem wat minder voor de voeten lopen. En doen wat de apostelen en de vrouwen en zijn moeder en zijn broeders deden. En wat ook Hijzelf voortdurend doet. Bidden dus. En bidden zoals Hij dat doet: ‘U behoren ze toe’, zegt Hij uitdrukkelijk. Niet ‘Mij’, maar ‘U’. En ook: ‘Al wat Gij Mij gegeven hebt, komt van U.’
Misschien, zusters en broeders, moeten we dus minder werken en meer bidden, niet zomaar bidden, maar bidden zoals Jezus: in het bewustzijn dat alles en iedereen Hem toebehoort. Dat ons werk niet ‘ons’ werk is, maar zijn werk. Dat onze gemeenschap niet ‘onze’ gemeenschap ik, maar zijn gemeenschap. Ik denk hierbij aan een verhaal dat ik ooit over moeder Theresa hoorde. Haar zusters zwoegden dag en nacht voor de armen en de randmensen in de Indiase steden. Ze deden dat tegen zo’n hels tempo dat het echt niet meer vol te houden was. Ze vertelden dat ook tegen moeder Theresa, en vroegen haar of het niet mogelijk was een beetje in te binden. Ze konden immers niet meer. Ze waren kapot gezwoegd. ‘Dat is dan in orde’, zei moeder Theresa. ‘We zullen ’s morgens een uur vroeger opstaan om te bidden. God zal ondertussen wel werken.’
God zal wel werken, zusters en broeders. Wij zijn alleen maar zijn ogen en zijn oren, zijn handen en zijn voeten, zijn hart en zijn adem. Dat is heel wat, maar het is ook niet meer dan dat. Laat God maar God zijn. Amen.