6e zondag van Pasen – jaar A

A-cyclus · Paastijd · 6e zondag van Pasen · wit

ZESDE ZONDAG NA PASEN – A

Commentaar bij de eerste lezing. Handelingen 8, 5-8.14-17.

maar geplaatst in zijn ruimere context

Handelingen 6, 1-7 (eerste lezing van verleden week: vijfde zondag na Pasen – A)

Handelingen 8, 26-40: Filippus en de Ethiopische eunuch (vijfde zondag na Pasen - B)

en gefocust op één van de eerste diakens: Filippus

in een poging om aan die eerste diakens in de Kerk een concreet gezicht te geven…

In die tijd, toen het aantal leerlingen steeds toenam, begonnen de Hellenisten tegen de Hebreeën te morren, omdat bij de dagelijkse ondersteuning hun weduwen achtergesteld werden. De twaalf riepen nu de leerlingen in vergadering bijeen en zeiden: “Het past niet dat wij het woord Gods verwaarlozen door de zorg voor de ondersteuning. Ziet dus uit, broeders, naar zeven mannen uit uw midden, van goede faam, vol van geest en wijsheid. Hen zullen wij dan met dit ambt bekleden, terwijl wij onszelf blijven wijden aan het gebed en de bediening van het woord.”

Dit voorstel vond instemming bij de gehele vergadering en zij kozen Stefanus, een man vol geloof en heilige Geest, Filippus, Próchorus, Nikánor, Timon, Parmenas en Nikolaüs, een proseliet uit Antiochië. Dezen werden aan de apostelen voorgedragen, die na gebed hun de handen oplegden.

Toen de eerste kerkgemeenschap vanwege de hevige vervolgingen steeds meer verspreid geraakte, trokken de pas aangestelde diakens rond, en verkondigden de goede boodschap. Zo kwam bijvoorbeeld diaken Filippus in de stad Samaria en predikte aan de mensen daar de Messias. Wanneer ze hem hoorden spreken en de tekenen zagen die hij verrichtte, was iedereen in de ban van Filippus’ woorden. Want velen van hen die onreine geesten hadden – onder luid geschreeuw gingen ze eruit, en vele verlamden en kreupelen werden genezen. Daarover ontstond grote vreugde in die stad.

Er zijn in de Kerk altijd wel diakens geweest, in alle soorten en formaten, gewijd of niet gewijd. En ook al zijn ze in onze Westerse Kerk een hele tijd weggebleven – op vandaag zijn ze gelukkig veilig en wel terug. U kunt er hier vooraan in de kerk een aantal exemplaren van ontwaren (zoals u ziet: echt wel in alle soorten en formaten!), maar hoe ze er gekomen zijn, dat konden we horen in de eerste lezing van deze jubileumviering.

Het gaat zo: er ontstaan ruzies en spanningen in de eerste kerkgemeenschap van Jeruzalem (het mag ons een troost zijn dat al zo kort na Pinksteren ook de donkere bladzijden van kerkvorming worden aangesneden in de Schrift!). De Hellenisten verwijten de Arameessprekende Hebreeën dat hun weduwen worden verwaarloosd. Het pastorale werkschema dient dringend aangepast of anders raakt de eenheid zoek, zeggen ze. De twaalf, de apostelen, doen een voorstel: laat ons zeven mannen kiezen die zich met de dagelijkse ondersteuning gaan bezig houden, terwijl wij ons blijven toeleggen op het gebed en de dienst van het woord. Zo gezegd, zo goed overlegd en zo samen beslist… (zo ging dat toen nog in de Kerk!)

De gemeenschap kiest zeven mannen ‘die goed bekend staan, vol van de Geest en van wijsheid’ – straf dat dit kan, in een groep waar al een hoop spanningen zijn, zeven mensen verkiezen die toch door iedereen geapprecieerd en aanvaard worden – en ze dragen die voor aan de apostelen die hen na gebed de handen opleggen.

Na die bijsturing in de personeelsbezetting dijt het Woord van God onweerstaanbaar verder uit. Er komen stelselmatig leerlingen bij en… (zo staat het er letterlijk, en met een dosis klerikale zelfspot): ‘…Ook een groot aantal priesters gaf zich gewonnen aan het geloof…’ (Hand. 6, 7). Waar de aanwezigheid van diakens niet allemaal goed kan voor zijn…

De traditie is die ‘zeven mannen’ diakens beginnen te noemen. Maar van ‘diakens’ is er in onze tekst geen sprake. Wel drie keer van ‘dienst’ of ‘dienen’, ‘diakonia’ of het werkwoord ervan (‘diakonein’) – dat staat voor: de diaconie van de weduwen en het bedienen van de tafels; Let ook even op de wijze van aanstelling: de zeven worden*** verkozen*** door de hele groep, en het is de groep die hen voordraagt. Het zijn dus niet de apostelen die hen aanwijzen – en van enige ‘promotie in de klerikale stand of opname in de hiërarchie is bijlange nog geen sprake

Zoveel is duidelijk: de apostelen kunnen niet alleen blijven, ze krijgen hulp van de zeven. Hier voor de bedeling van de weduwen, maar het gaat niet over ambten en wijdingen, over hiërarchie en onderscheid in rang of stand. Het gaat om het ontstaan en goed organiseren van de gemeente – want Stefanus, zogezegd diaken om de tafel te bedienen, spreekt hierna een van de belangrijkste redes van het hele boek Handelingen uit. En Filippus, ook een van de zeven, komt weer ten tonele als missionaris in Samaria en als uitlegger van de Profeet Jesaja, en doper van de Ethiopische Jeruzalembedevaarder.

De drijvende kracht achter dit alles is onmiskenbaar de Geest. Die wordt in dit ‘stichtingsverhaal’ van de diaconie in de eerste kerk sterk benadrukt. ‘Ziet om, broeders, naar zeven mannen (…) vol van Geest en wijsheid’ (Hand. 6, 3) – en ‘Stefanus, een man vol van geloof en heilige Geest’ (Hand. 6,5). De Handelingen van de Apostelen, dat is – na het evangelie, het boek van Jezus, het boek van de Geest. Die is onmiskenbaar op elke bladzijde, in elke nieuwe ontwikkeling terug te vinden (meer dan 70 keer komt het woord ‘pneuma’, ‘geest’ in Handelingen voor – drie tot vier keer zoveel als in elk van de evangelies).

Het verhaal uit Handelingen 6 is niet het verhaal van de apostelen en de mensen uit de eerste kerkgemeenschappen en de zeven gekozen mannen, het is niet hùn verhaal, zij zijn het niet die stichten en het ‘diaconaat’ instellen. Ook ons kerkverhaal is vandaag niet òns verhaal. Wij zijn het niet die stichten. Stichter, elke dag, in elke viering, is de Geest die we niet zelf maken maar die ons gegeven wordt. Hij sticht, hij brengt ons bijeen, hij geeft wijsheid en kracht, hij maakt dat wij uit die Geest kunnen en mogen leven en daarom, alleen daarom goed bekend staan in de wereld die ons omgeeft.

(die vertaling ‘zeven personen uit jullie midden die goed bekend staan’ kan heel slap verstaan worden. ‘Zeven mannen van goed getuigenis’, vertaalt de Naardense Bijbel, en in dat Griekse woord ‘martureo’ , ‘getuigen’ dat hier wordt gebruikt – weliswaar in de passieve vorm: er wordt over hen getuigd – klinkt weer Degene door die getuigt en spreekt in ons – en dat is toch iets anders dan ‘van goede faam, braaf en godvruchtig, zo kwaad nog niet…’. Mogen we zeggen: er wordt goed getuigd van hen omdat de Geest getuigt in hen en door hen?)

De Schrift uitleggen, bidden, preken en spreken, profetisch protest en alle visioenen die men kan hebben – ze hangen niet af van de benoeming en niet van de plaats in de kerkelijke hiërarchie. Als maar de Geest aan het werk is…

We focussen nu even op één van die neofieten, één van die nieuwkomers in de pastorale stiel en in de pastorale eenheid: diaken Filippus.

Zijn naam ‘Filippus’ betekent in het Grieks zoiets als ‘paardenliefhebber’. En in de bijbel staat het paard per definitie symbool voor macht en invloed, eer en roem. Koningen, keizers en krijgsheren worden altijd afgebeeld gezeten op een paard. (Het moet ons dus niet verwonderen dat Jezus van Nazareth in de bijbel Jeruzalem binnentrekt, gezeten op een ezel, het rij- en lastdier van de kleine mens).

Filippus wordt ons in Handelingen 6 en 8 echter helemààl niet voorgesteld als een paardenliefhebber, maar wel als een diaken. Bij zijn aanstelling en uitverkiezing wordt hij door de Geest in één keer omgevormd, ‘omgeturnd’(met een modern woord), ‘bekeerd’ (met een bijbels woord) tot een mensenliefhebber. De paardenfluisteraar wordt mensenvriend. En zijn ‘hippo-droom’ wordt met de slag een droom van het Rijk Gods op aarde.

Dàt nu is precies de roeping van elke diaken (en eigenlijk van elke christen en elke pastoraal bewogene): van ‘paardenliefhebber’, liefhebber van de macht en van het aanzien, tot minnaar en dienaar van de mensen te worden. Er zijn pastoraal bewogen mensen nodig zoals Filippus, die willen afdalen en nabij willen zijn, bijvoorbeeld bij mensen die in hun ‘koets vol vragen’ langs eenzame wegen rondrijden in niemandsland. Maar dat verhaal komt straks.

Filippus doet in het uitbouwen van zijn roeping als diaken niet veel anders dan afdalen. Eerst **daalt **hij **af **van Jeruzalem naar Samaria. De Geest stuurt de pasgewijde diaken Filippus meteen op weg. Weg uit Jeruzalem. Weg uit de vertrouwde gemeenschap, weg uit het klerikale centrum en uit het veilige, bekende milieu van ons-kent-ons. De vreemde, de wijde wereld in. Op weg naar de mensen toe, en naar het leven van alleman en alledag. Dat is in de ogen van de priesters die het in de tempel van Jeruzalem voor het zeggen hebben duidelijk van een lager niveau.

Dat is dus wat de Liefde met een mens kan doen. Filippus verlaat Jeruzalem, en trekt richting Samaria. Hij verlaat het ‘veilige’ centrum van zijn religie en zijn ambt, en overschrijdt daarbij grenzen. Diaken en mensenliefhebber Filippus zoekt (noodgedwongen of uit vrije wil, uit noodzaak of uit roeping, en misschien vanwege allebei, want zo gaat dat vaak in het leven) het grensgebied Samaria op, het gebied van de ‘heidenen’, het gebied van de ‘marginaal en anders- of niet-gelovigen’… En dààr geneest hij mensen en brengt hen grote vreugde, daar brengt hij ‘Evangelii Gaudium’ en ‘Populorum Communio’, goed nieuws van bevrijding en van een altijd mogelijk nieuw begin…

Samaria: dàt is per definitie het werkterrein waar een diaken door de Geest én vanuit de ‘Core business’ van zijn roeping naartoe gestuurd wordt – niet Jeruzalem met zijn heilige tempel en zijn gevestigde priesterkaste. Samaria – dat is vreemd terrein. Filippus weet de tegenstellingen tussen Joden en Samaritanen te overstijgen en kan ter plaatse veel goeds doen. Het evangelie slaat er aan, tot verwondering van velen. Wanneer het bericht van zijn diaconaal werk de moederkerk in Jeruzalem bereikt, vaardigen ze daar Petrus en Johannes af om die zending in Samaria te bekrachtigen. De diaken heeft de Samaritanen gedoopt. De apostelen zullen hen nu de handen opleggen en de Heilige Geest over hen doen neerdalen.

Filippus begint in Samaria meteen Jezus als de Christus te proclameren. Hij verkondigt daarbij niet een verhaal òver de Christus, maar de Christus zelf. Dat wil zeggen: hij brengt het levende en werkende Woord van God tot bij de mensen. Dat heeft een spectaculair effect. Er komt grote blijdschap in die stad. Mensen worden vrij, en komen op hun eigen voeten te staan. Er gebeuren wonderen, alsof het Jezus zelf is die daar rondloopt.

Een gewone man uit het volk doet de dingen die je eigenlijk alleen zou verwachten van Jezus zelf. Het lukt hem blijkbaar om mensen weer op te krikken, weer gelukkig te maken, weer compleet te laten zijn. Hij is het levende bewijs dat God voor zijn grote plan niet alleen de kerkleiders nodig heeft, de klerikale bovenlaag, de ‘happy few’ uit Jeruzalem, maar àlle mensen zonder onderscheid. De Liefde heeft daarmee een belangrijke hindernis genomen, want ze heeft een grens overschreden. Ze is in de marge gaan staan – en weet zich daar op haar plaats en voelt er zich in haar element. Dankzij het ‘afdalen’ van diaken Filippus zet de droom van het Rijk Gods in één keer een grote stap vooruit.

Na zijn verblijf in Samaria daalt Filippus nog verder af. Een engel, een boodschapper van boven, zegt tegen hem: Ga tegen de middag - het heetst van de dag, wanneer een normaal mens zijn siësta doet - naar de verlaten weg - waar dus niets te beleven valt - de weg van Jeruzalem naar Gaza. Een diaken moet altijd verder op weg gaan, de wijde wereld in, ook al is die weg eenzaam.

Filippus daalt dusnòg verder, nog dieper af. En toevallig – maar wat is toeval? – komt hij iemand tegen op die weg: een vreemdeling van Afrikaanse origine die hofdienaar blijkt te zijn en hoofd van de schatkist van de koningin van Ethiopië. Een eunuch ook, een gecastreerde, iemand die in zijn omgeving daarom als minderwaardig wordt beschouwd, een gekwetste man, een ‘zwarte’ bovendien. Maar ook een rusteloze zoeker die lijdt onder zijn onvruchtbaarheid, een mens waarop de maatschappij geweld heeft gepleegd, weliswaar rijk en hoog in aanzien, maar tegelijk heel eenzaam gezeten daar in zijn reiskoets op een verlaten weg in niemandsland.

Die vreemde man is op de terugweg van Jeruzalem. Hij is er op bedevaart geweest, maar mocht als vreemde man de tempel zelfs niet binnen. De pelgrimstocht naar de ‘Stad van Vrede’ was voor hem helemaal niet geestvervullend of louterend geweest, ondanks de lange reis en het diepe verlangen naar zingeving en perspectief dat hem dreef.

Op die terugweg leest de vreemde man luidop - naar Joodse gewoonte - uit een blauw, een hemels boek (zie het schilderij van Wickert). Het is een exemplaar van de Joodse Schrift dat hij van zijn bezoek aan Jeruzalem heeft meegebracht. Hij probeert zich te verdiepen in een tekst uit het Grote Troostboek van de Tweede Jesaja over de Lijden-

de Dienaar (Jes. 53,7-8) – een personage dat typisch is voor de ‘spiritualiteit van de diaken’, maar dat weet en beseft hij nog niet.

Diaken Filippus klimt zonder aarzelen bij hem in de wagen. Hij ‘springt op de kar’, rijdt mee een eind in de verkeerde richting, de weg terug, wèg van Jeruzalem. En er ontstaat al snel wederzijdse communicatie. Wie niet in zijn veilige vertrouwde nest blijft zitten, ontmoet altijd anderen die ook op weg zijn. Op het eerste gezicht soms vreemde, rare snuiters. Mensen uit een heel ander milieu, een ander geloof misschien, een andere cultuur. Maar altijd mènsen. Mensen onderweg, op zoek naar zin, naar echt mens-zijn – en juist dààrin op zoek naar God, misschien.

Filippus kent die tekst over de Lijdende Dienaar maar al te goed vanuit zijn ‘vorming’ als diaken. Maar hij legt hem de tekst niet meteen uit zoals een bijbelexegeet of een retraiteleider dat zou doen. Neen, hij komt de vreemde man ‘empatisch’ nabij en stelt zeer persoonsgerichte vragen. En verder luistert hij vooral. En pas daarna begint hij met de man te spreken over het evangelie van Jezus, over Zijn blijde boodschap, én over zijn eigen leven als geroepene, zijn ervaring en wedervaren op de hele levensweg die hij zelf reeds heeft afgelegd.

De ontmoeting wordt veel meer dan een gesprek, meer dan een vluchtige kennismaking. Het wordt een vindplaats van God en van geloof – en zo is in principe elke ontmoeting bedoeld. Het kan telkens weer een moment zijn van heiligmakende genade, en een uitgelezen (!) kans om de God van alle mensen en van alledag op het spoor te komen.

De vreemde man verstaat in één keer – via het contact met diaken Filippus – niet alleen de tekst uit de Schrift, maar vooral ook zijn eigen leven en zijn eigen bestemming. Hij wordt zienderogen wegwijs onderweg. Ineens is de weg van Jeruzalem naar Gaza niet eenzaam meer.

Het is prachtig en zeer verhelderend om in het verloop van deze ‘doopcatechese-op-wieltjes’ al die prachtige diaconale werkwoorden eens op een rijtje te zetten: naar een mens toe gaan, ‘op de kar springen’, in de nabijheid blijven, belangstellend luisteren, de juiste vragen stellen, je laten uitnodigen om dichterbij te komen, ja om mee ‘in de koets te komen zitten’, om te horen en te zien wat die andere bezighoudt en beroert, om (er) bij te staan en te ‘ver-staan’. En dan, maar alleen op vraag van de andere, een dieper en zeer persoonsgericht gesprek aangaan… Dit is de weg die de Geest diaken Filippus (en elke diaken) doet gaan. Is het niet de weg die de Geest ons nog altijd doet gaan?

(Filippus en de Ethiopiër, Wickert)

Kijk op het schilderij ‘Filippus en de Ethiopiër’ van Johannes Wickert hoe diaken Filippus met handen en voeten zijn vreemde reisgezel probeert te overtuigen. Eigenlijk met twee voeten en met niet minder dan zeven handen tegelijk. Vergelijk de rustige, onderdanige handen en voeten van de eunuch met de expressieve handen en voeten van Filippus. Filippus is bezeten van de boodschap en zijn enthousiasme slaat over op de Ethiopiër die onmiddellijk en ter plaatse gedoopt wil worden.

De boodschap moet dus wel fantastisch zijn. Niet de machtigen die hij moet dienen, niet de wreedaards die hem verminkten, niet de trotsen die hem vernederden, niet de spotters die hem uitlachten hebben het bij het rechte eind. Zijn bevrijding, zijn opstandingskracht, zijn waardigheid krijgt een mens van mensen die niet langs hem heen kijken, maar naast hem plaats nemen, met hem een eind meegaan, hem bemoedigen, hem herkennen en erkennen als een broeder. Zo gaat dat nu eenmaal in het Rijk Gods.

En dan daalt diaken Filippus nog verder af, helemaal het doopwater in. Hij duikt ‘het vruchtwater van de Geest’ in, samen met de Ethiopische eunuch, de zogezegd onvruchtbare man met wie hij in gesprek is geraakt. De diaken-mensenliefhebber blijft hierbij als ‘gemandateerde bedienaar van het doopsel’ niet aan de kant staan. Beiden dalen af in het water, lotsverbonden. Beiden laten zij zich dopen en onderdompelen in het verfrissende nieuwe leven. Als nieuw geboren mag de kamerling op-nieuw beginnen. De toekomst die altijd van God komt, is in het heden aanbeland en geland, dankzij de ontmoeting met een diaken die tot bij hem is afgedaald…

Doorheen de ontmoeting en het ontdekken van het eigen levensverhaal in de Schrift, doorheen het delen van teleurstelling en hoop, zijn beiden tot zichzelf gekomen dankzij de ander. Dan zet elkeen vol blijdschap zijn eigen levensweg voort.: *‘Toen ze uit het water kwamen, greep de Geest van de Heer Filippus aan, en nam hem verder mee. De eunuch zag Filippus niet meer, en hij vervolgde zijn weg vol vreugde…’ *(Hand. 8,39).

Filippus is de weg opgegaan, de unieke en daarom altijd wat eenzame weg die gaan-de-weg groeit wanneer men zich laat leiden door de Geest van God. Hij gaat de weg op van Jeruzalem naar Gaza, en zoekt met een toevallige zinzoeker samen naar de weg die mensen die buitengesloten worden een thuis kan geven. Dat is en was altijd al de bedoeling van Dè Weg. Zonder ooit van het woordje ‘diaconie’ gehoord te hebben, maakt Lukas ons hier vertellenderwijze duidelijk wie en wat een ‘diaken’ kan zijn: Filippus is vol aandacht, mensennabij. Maar hij gaat ook verder: hij stelt vragen, maakt krachten los. Hij getuigt wellicht meer met zijn lichaam en zijn zintuigen, dan met alleen maar woorden. Een ‘diaconale’ grondhouding om van te leren: man of vrouw van nabijheid zijn, een houding van presentie bij levensvragen, met een luisterend oor. Bereid om samen een eind dezelfde weg te gaan, in lukken en mislukken. Bestendig peilend naar het geschenk en de genade van de ontmoeting. Proberen zo goed als God bij een ander mens aanwezig te zijn.

Sieger Köder – De voetwassing

‘De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen’ (Mc. 10, 45)

Samenstelling: geert dedecker

Zoeken in Preken Online