“Wat is uw enige troost, in leven en in sterven?”
Met die vraag opent de Heidelbergse catechismus, het protestantse kerkelijk leerboek van de jeugd van vroeger. Een goede vriendin van me die inmiddels gestorven is was lange tijd bezig met het antwoord op deze vraag.
Eigenlijk is het een heel mooie vraag. ‘Wat troost jou?'
Ik vraag dat wel eens als mensen hun levensloop vertellen, of in een heel moeilijke situatie zijn beland. Dan zeg ik ook wel: ‘wat geeft je moed om door te gaan’ of ‘waar put je kracht uit'?
Maar dat is toch niet hetzelfde.
Aan troost heb je juist behoefte op een moment en in een tijd dat je de moed verliest, dat je geen kracht meer hebt en zeker niet wilt doorgaan, bijvoorbeeld als je iemand verloren hebt aan de dood.
Troost helpt.
Dat hebben we vaak genoeg zelf meegemaakt, als kind doet een snoepje of een kusje wonderen.
Trouwens, daar hebben we al een belangrijk punt: heb je als kind geleerd dat troost helpt?
Wie als kind niet veilig was, niet gezien werd, zichzelf maar moest zien te redden, wie niet ervaren heeft dat een beetje aandacht en liefde écht helpt, die vertrouwt zich als volwassene slecht aan anderen toe.
‘‘ze hebben makkelijk praten, ze weten niet wat ik doormaak…
‘‘wat helpt het je verdriet op tafel te leggen, het wordt er toch niet anders van
‘‘ze hoeven mijn tranen niet te zien, dan krijgen ze een hekel aan je: heb je hem weer…"
Wie zo praat heeft niet van zichzelf leren houden. En denkt dat anderen ook niet van hem of haar houden. Of is van een koude kermis thuisgekomen en heeft al die bekende en goedbedoelde zinnetjes moeten aanhoren:
“Het zou nog veel erger kunnen, anderen gaat het toch nog veel slechter, er komen betere tijden, achter de wolken schijnt de zon, u moet nu flink zijn, kijk eens naar wat u nog wel hebt”.
Waarom zeggen we dat eigenlijk tegen elkaar, er van uitgaande dat we het goed bedoelen?
Ik denk: omdat we de ander eigenlijk als een bedreiging zien. We willen er het liefst voor weglopen als er verdriet is.
Dat hebben veel mensen, het moet niet te dichtbij komen…
En dus gaan we zulke dingen zeggen: “het komt wel weer goed”.. - eigenlijk zeggen we het tegen onszelf en zoeken een alibi om weg te gaan;
De ander moet zich niet zo aanstellen, niet altijd weer met dat verhaal komen,
Het is nu toch al zo lang geleden…
We zoeken afleiding voor iemand, zoals we een kind dat gevallen is afleiden met dat snoepje, of naar het vogeltje laten kijken of de televisie aandoen.
Maar tegen iemand zeggen: ‘je bent toch nog jong, je wordt wel weer zwanger’ of ‘wie weet wie je nog ontmoet’ of ‘het leven gaat verder, ga toch weer eens wat doen’
Dat troost niet. Het is een reactie die het verdriet van de ander wegwuift.
De vrienden van Job zoeken er zelfs plaatsvervangend een verklaring voor.
“Je zal wel iets gedaan hebben, Job; het zal wel een straf zijn, Job “…
Het hele boek is een discussie tussen Job en de vrienden en ze komen geen stap dichter bij elkaar; “jullie troosten mij met lege woorden”, zegt Job,
Het komt zelfs zover dat Job voor zijn vrienden moet bidden en het hen vergeeft,
Zoals mensen met verdriet vaak zeggen: ach, ze bedoelen het goed denk ik maar…
Wat niet helpt weten we wel. Wat helpt?
Jezus gaat terug naar zijn Vader, weg van de aarde. Hij zal straks niet meer lijfelijk aanwezig zijn bij z’n discipelen. Ze zitten er over in hoe het verder moet. Hij had hen veel geleerd, met hen geleefd. Met hen opgetrokken en nu laat hij ze in de steek?
Nee, Jezus vertelt zijn leerlingen dat hij ze niet als wees achter zal laten.
Integendeel. Hij belooft “ik zal jullie een trooster te geven, die altijd bij je zal zijn”
Jezus zegt dat God de Heilige Geest zal zenden om bij ze te zijn, en Hij noemt die Geest: de trooster.
En waarom is de Geest van God een trooster: in het Grieks staat er: de parakleet, van het werkwoord parakaleo: erbij roepen.
Ook wel vertaalt als: de advocaat, degene die je erbij roept, die jou bijstaat in je zaak.
Hij neemt het niet van je over; Hij neemt het wel voor je op.
Of : ZIJ neemt het voor je op. De Geest is vrouwelijk.
En misschien het meest troostend zijn de woorden van Jezus dat degene die het voor je opneemt tot in eeuwigheid bij je zal zijn.
Elie Wiesel schreef onlangs een boek dat gaat over een groep mensen die toevallig met elkaar in een sneeuwstorm een vliegramp overleven. Maar dan ze komen terecht in een afgesloten huis, waar blijkt dat er een gruwelijk spel met hen wordt gespeeld. Er is één figuur, de rechter, die niets anders doet dan vragen stellen over de levens van de mensen. En langzaam wordt duidelijk dat er een offer gebracht moet worden; dat één van hen zal moeten sterven. En het oordeel daarover moeten ze zelf voltrekken.
Een gruwelijk verhaal, dat alles zegt over de eenzaamheid waarin een mens verstrikt raakt als hij geconfronteerd wordt met zijn leven en niemand meer op de bres springt. Maar precies daar doet Gods Geest van zich horen. Juist wanneer een mens geconfronteerd wordt met zichzelf en denkt er alleen voor te staan. Een mens is niet alleen. In alle momenten van het leven is de adem van God de aanwezige kracht.
Troost is aandacht. Aanwezigheid helpt. Zeker als je opgegroeid bent in een omgeving waar gezocht wordt naar een verklaring en gewerkt wordt met begrippen als straf, zoals de vrienden van Job.,
Is lijden voor sommige mensen iets waar je je voor moet schamen?
En dat is de reden dat mensen zich niet willen en kunnen vertonen onder de mensen.
‘Wat zullen ze van me denken?” Ik kan hun vrolijkheid niet aanzien, waarom gaat het hen wel goed, wat heb ik fout gedaan? "
Vreselijk zulke gedachten, maar wij zijn er mee behept en troosten is: niet uit elkaars aandacht vallen en daarmee het lijden veranderen tot iets dat gezien wordt door anderen, jij - met je verdriet- jij wordt gezien.
Is dat niet het meest ontroerende van alles wat van Jezus staat geschreven, déze 3 woorden: “en Jezus weende..”
De troost voor Martha en Maria als hun broer gestorven is, is dat Jezus zijn reis onmiddellijk afbreekt en zo gauw als mogelijk is naar hen toekomt.
Dat helpt ook.
Als mensen ziek zijn, niet weglopen omdat je niet weet wat je zeggen moet.
Als er iets ernstigs is gebeurd: ga er heen, je aanwezigheid is zo belangrijk, want je bevestigt dat de ander belangrijk voor je is.
En bij al het gemis is het belangrijk te weten dat mensen om je geven, daarom wordt er ook gezegd: we hadden zoveel kaarten gekregen of er waren zoveel mensen op de begrafenis.
Troost, troost mijn volk - bekende woorden uit Jesaja, ze vormen de ouverture van The Messiah van Händel.
De profeten kondigen een omkeer aan. Het oude verdriet is niet weg, het blijft het verhaal van je leven en van het volk Israël, maar het is niet het laatste.
Zoals het volk niet eindigt in de ballingschap, zo is er een weg vooruit, er is een toekomst voor wie verdriet heeft.
Niet door het verdriet te ontkennen. Niet doordat je er ‘overheen’ komt. Maar doordat je het meeneemt naar een nieuw bestaan.
Je kunt alleen troosten, als jezelf getroost bent. Want dan kun je het ook uithouden bij de ander in nood.
Om terug te komen op de woorden uit de Heidelbergse catachismus. Wat is je enige troost in leven en in sterven?
Die vraag zet ons leven in een bezield verband, in de ruimte van Gods oneindige liefde.
Voor allen die treuren, die niet weten hoe verder geldt het woord en belofte van Jezus:
Dat hij zijn leerlingen en ook ons niet als wees achter zal laten. Hij zal ons een Trooster geven die het voor je op neemt.
En het meest belangrijke mag zijn dat degene die het voor je opneemt tot in eeuwigheid bij je zal zijn.
AMEN.