Een verre God kwam ons nabij. In Jezus is zijn woord vlees geworden. Dat wil zeggen: Jezus lijkt sprekend op Hem. En de kerk, de gemeenschap waarin Jezus verder leeft, moet lijken op haar stichter. Maar daar lijkt het vaak niet op. Nu niet, maar ook toen al, in de eerste jaren, was er ook al eens meningsverschil en zo nu en dan bonje.
De christenen die uit het jodendom kwamen, mopperden. Ze voelden zich achtergesteld bij de christenen van Griekse komaf. Allemaal import vonden ze, allemaal allochtonen die als er gedeeld werd het meeste kregen. Onenigheid dus en om die op te lossen werden er diakens aangesteld. Een soort armenzorg van heel lang gelden.
De apostelen moesten het woord verkondigen, onderricht geven en de diakens zouden de zaken regelen; het waren geen prekers maar doeners.
Al vanaf het begin zijn er verschillende taken in de kerk, verschillende ambten, gegroeid uit de behoefte van die tijd. En vanaf het allereerste begin van de kerk zie je drie belangrijke aspecten in het kerk zijn met elkaar. Er moet worden geleerd, er moet worden gevierd en er moet worden gediend.
Er moet worden geleerd. Dat betekent: hoe komen we tot inzicht in ons geloof. Je kunt immers niet houden van wat je niet kent.
Er moet worden gevierd. Er moet worden gezongen, gedankt, gebeden; de handen moeten worden gevouwen.
En, er moet worden gediend. Wat je gelooft en hebt geleerd, wat je zegt en zingt, wat je bidt moet ook worden gedaan. Dus ook: de handen moeten uit de mouwen.
Alle drie zijn ze even hard nodig: leren, vieren, dienen. Eenzijdigheden verschralen de kerk.
Wie alleen maar leert en les geeft, wordt na verloop van tijd een ervaren maar vervelende soort bovenmeester.
Wie alleen maar vieren wil, krijgt al gauw het verwijt dat hij met zijn bidden en zingen buiten de werkelijkheid staat; vlucht in mooie liturgie.
En wie alleen maar dient loopt het gevaar een oppervlakkige doe-mens te worden, een actieveling die ‘opdroogt’ omdat hij de inspiratie mist.
Bij deze driedeling horen terecht verschillende ambten en bedieningen. Laat de apostelen maar vooral leraar zijn, dan hebben de diakens de tijd om te dienen. En als Filippus, een diaken, aan het preken slaat (volgende week vertelt de zondagslezing daarover) dan is dat misschien wel om zijn eigen taak te beschermen tegen eenzijdigheid. Laat de pastoraal werk(st)er of assistent(e) maar preken als de tijd dat vraagt, Filippus was er ook niet voor benoemd.
Als de kerk wil lijken op het huis van de Vader, moet er ook plaats voor velen zijn en dus blijven we vragen om ruimte voor diverse ambten en bedieningen door mannen en vrouwen. En dat vraagt een ruimhartig vertrouwen van ieder van ons van hoog tot laag, van links en rechts…