Alle andere evangelisten, Marcus, Lucas en Matteüs, gebruiken het beeld van Jezus de herder. Vóór hen was dat beeld al gebruikt voor God in het Hebreeuwse Testament. De beeldspraak is dus niet nieuw als we die hier bij Johannes tegenkomen. Wat wel nieuw is, is dat Johannes het vooral heeft over de onderlinge verhouding tussen de schaapherder Jezus en ieder individueel schaap. In de Hebreeuwse bijbel wordt al verteld hoe God de naam van het hele volk Israël in Gods handpalm heeft gegrift (Jes. 49,16). Maar bij Johannes gaat het niet meer om het hele volk: het gaat om iedere individuele persoon. Het is die persoonlijke liefde van God voor eenieder die in Jezus aan het licht komt. Jezus drukt bij Johannes die persoonlijke relatie op verschillende manieren uit. Een ervan is dat Jezus ieder schaap, dus ieder van ons, bij naam kent.
Dat bij naam kennen en noemen duidt op intimiteit. Dat doet het nog steeds, met uitzondering wellicht van hier in Noord-Amerika, waar het eerder tot een soort van oppervlakkige familiariteit leidt. Een van de eerste moeilijkheden die ik na aankomst in de Verenigde Staten had, was juist die kwestie van het gebruik van voornamen. Amerikanen vragen bij een kennismaking niet alleen je familienaam, maar ook je voornaam, en ze beginnen die dan meestal terstond te gebruiken. Als ik zeg dat ik Sjef heet, vragen ze waar die naam vandaan komt. Als ik dan antwoord ‘van Jozef, besluiten ze praktisch steeds allemaal om mijn naam te veranderen, en me Joe te noemen. Iets waar ik de eerste jaren - en ook nu nog wel - echt wel last mee had. Er was een tweede moeilijkheid.
Ik moest brieven beantwoorden. Als ik een brief kreeg van een zekere Mary Jones - om maar een voorbeeld te geven - schreef ik in de aanhef van mijn antwoord Dear Madam of Dear Ms. Jones. Maar al spoedig kreeg ik te horen, dat dit niet paste, het diende Dear Mary te zijn. Als ik dan zei dat ik dat niet kon doen, omdat ik haar helemaal niet kende, werd er wat gegrinnikt om die Europese verlegenheid.
Dit alles kwam bij mij nog gevoeliger aan, omdat ik direct uit Afrika kwam, waar vooral de meer traditionele mensen heel voorzichtig waren met het geven van hun namen. Als je de naam van iemand kent, dan heb je over zo iemand invloed. Als je je naam weggeeft, geef je iets van jezelf weg. Hoe meer weet je hebt van de bijna magische macht van woorden, hoe voorzichtiger je wordt bij het gebruik van namen. De Ierse schrijver en woordkunstenaar James Joyce geloofde zozeer in de geheimzinnige kracht van een naam, dat hij die in zijn correspondentie met zijn vrouw Nora niet gebruikte, toen hij haar van ontrouw met een ander beschuldigde. De naam van die ander bleef onvermeld. Hij bleef ‘de ander’ heten.
Iedereen heeft wel weet van die toverkracht. Iedere keer als je voornaam genoemd wordt, is het voor de meesten van ons, alsof er in ons een gevoelige snaar aangeslagen wordt. Het met naam genoemd worden geeft je een warm gevoel, vooral natuurlijk als het gedaan wordt door iemand van wie je houdt, of die in je eigen ogen om de een of andere reden belangrijk is. Dat gevoel is er vaak al, als zo iemand zich je naam herinnert. ‘Herinner je je mijn naam…?'
Het is dit soort intimiteit, die hier door Johannes bedoeld wordt, als hij zegt dat Jezus ons bij naam kent en bij naam noemt. Hij heeft het niet alleen maar over Jezus’ verhouding tot ieder van ons, maar ook over onze verhouding tot hem als hij daar aan toevoegt dat wij Jezus’ stem terugkennen. Het is een intimiteit die lijkt op de liefde die de vader voor Jezus heeft, en die ons daarom ook met die vader verbindt. Het is een liefde die ons niet alleen maar met hen verbindt, maar ook met elkaar, zoals Johannes wat later in ditzelfde hoofdstuk opmerkt (10,16).
Maar Johannes maakt het heel duidelijk dat voor wat hem betreft, die individuele vriendschapsbanden vóór de ‘kudde’-verbanden komen. In de tekst is er alleen maar een indirecte verwijzing naar die ‘kudde’, of naar iets dat op de ‘kerkgemeenschap’ lijkt. Er kan - volgens Johannes - van zo’n communiteit geen sprake zijn vóórdat die persoonlijke banden met Jezus gesmeed zijn. Het is onze liefde voor Jezus, die in onze liefde voor de ander tot uiting komt. Alles loopt over onze band met Jezus…