Situering van de tekst
- Het tiende hoofdstuk van Johannes belicht de persoon van Jezus met behulp van beelden die in die dagen heel herkenbaar waren. Een schaapskooi kunnen we ons voorstellen als een omheind stuk grond, met een deur en een bewaker. Aan het eind van elke dag werden de schapen in de schaapskooi gedreven. De eigenaars van de kudden konden hun dieren daar laten overnachten. De ‘deurwachter-herder’ van dienst ging in de ingang staan en één voor één liet hij de schapen binnen. Zo kon hij ze tellen en controleren of ze gebreken hadden en of ze wel bij zijn schaapstal hoorden. De volgende dag kwamen de eigen herders ze dan weer verzamelen om er op uit te trekken. Tussen schapen en herder bestond een hechte verbondenheid: over en weer kenden en herkenden zij elkaar, en daarbij was ‘de stem’ van de herder cruciaal. ‘His Masters Voice’ zorgde er voor dat elk schaap tijdig zijn goede herder kon vinden…
- Vanouds is in de Schrift de Heer zelf de Herder (psalm 23). In Jesaja 40,11 wordt Hij degene genoemd die zijn kudde verzamelt, koestert en rust geeft. De schapen van Israël moeten luisteren naar Zijn stem. Doen ze dat niet, dan zullen ze Zijn rust niet binnengaan (psalm 95,7). Het is de bedoeling dat de bewaarders van de schaapstal des Heren het herderschap van de Heer ‘naspelen’ en zelf in hun tijd en hun historische situatie goede herders zijn. Maar we kennen de klachten van Ezechiël en Jesaja: de meeste herders in Israël zijn huurlingen geworden. De Heer werpt zich dan op als degene die het zelf zal komen doen (Ez. 34,23).
In Joh. 10,8 zijn het ‘allen die vóór Mij gekomen zijn’ bedoeld: degenen die ten onrechte pretendeerden te ‘herderen’ maar valse herders waren, regelrechte huurlingen dus, zoals ze door Ezechiël en Jesaja eerder beschreven werden. In Zacharia 11,13 wordt de messiaanse koning als een herder aangeduid die voor dertig zilverlingen zal worden verkocht, waarna de schapen verstrooid worden. Deze tekst zal door de evangelisten worden gebruikt om het verraad, in de eigen kring der leerlingen, van Judas te benoemen. Dezelfde Judas die (alleen bij Johannes) een ‘dief’ wordt genoemd. - Altijd is in de Schrift het verlangen blijven leven naar een nieuw en authentiek herderschap, in de stijl van koning David, de koning-herder bij uitstek. Altijd is er ook de droom van een herderschap dat verzamelt, niet verstrooit. Leiderschap en groepsvorming die eerder inclusief werken dan exclusief. De diepste lagen van die verwachting worden aangeboord in Micha 2, 12-13, waar de Heer belooft dat het hele volk Israël, inclusief de verloren stammen, als kudde van de messiaanse koning zal worden samengebracht binnen de omheining, en’…het zal daar gonzen van de mensen. Hij die een bres slaat gaat voorop, ze breken uit, ze trekken door de poort, ze gaan erdoor naar buiten. Hun koning gaat hun voor, de Heer gaat aan het hoofd…'
- De toespraak van Jezus waaruit de liturgie vandaag citeert komt nà het verhaal van de blindgeborene, en zet de polemiek tussen ‘de Joden’ en Jezus verder: wie is de ware herder, en wie zijn de dieven, de rovers, de huurlingen..? Zij die zich eerder bekommeren om de ritus en de voorschriften van ‘de Wet’, maar niet om de kudde zélf, zijn alleszins geen goede herders. Zij laten zoveel schapen verloren lopen! Wee hen: de schapen zullen van hen wegvluchten, en zij worden herders zonder kudde. Jezus echter ‘is gekomen opdat zij leven zouden bezitten, en wel in overvloed…’ (Joh. 10,10). Wie deze herder volgt, kan zelf ooit herder worden…
- Het goede herderschap houdt een radicale overgave in, met als het nodig is, de inzet van het eigen leven. Van Jezus wordt door Johannes gezegd dat Hij zo zijn levensopdracht ziet: Zijn leven te geven voor Zijn kudde en alle schapen in één kudde samen te brengen. Johannes beschrijft Jezus als degene die werkelijk binnenleidt in de nieuwe wereld van het Koninkrijk Gods en Zijn schapen ook uitleidt naar de werkelijke vrijheid.
- De tekst werkt als een televisiecamera. Eerst werd een panorama getoond van de herder-deurwachter en het hele beweeglijke gebeuren rond schaapstal en kudde. Nu zoomt de camera ineens in op de deur. Omdat er met zoveel nadruk staat, dat wie door deze deur binnengaat, ‘gered’ zal worden, mag men er van uitgaan dat het hier om een beslissende en belangrijke doorgang gaat. Het is erop of eronder, ‘het gaat om leven in overvloed’ of uitsluiting en (sociale) dood.
Die ‘deur’ is ingang en uitgang tegelijkertijd. Een kans én een opgave, want ze is maar smal. Zo wordt ook bijbels gezien de poort tot het ware leven gezien als een smalle, moeilijk toegankelijke weg. Een goede, betrouwbare herder weet zijn kudde daar doorheen te loodsen. - Dan gaat het ineens ook over een schaapstal waar men soms al of niet op slinkse wijze naar binnenklimt. Wie niet via de deur binnenkomt, is een dief of een rover, wordt er bij gezegd. Die sluit zichzelf buiten, al denkt hij dat hij binnen is, en hij alleen. Belangrijk hierbij is dat na deze passage van vandaag in Joh. 10, 22-42 een hele discussie volgt tussen Jezus en ‘de Joden’ over geloof en ongeloof, over wie in de Tempel van Jeruzalem thuishoort en wie niet. Dat loopt uit op het besluit om Jezus te stenigen (Joh. 10,31). Uiteindelijk moet Jezus onder die druk uitwijken naar de overkant van de Jordaan, in zekere zin naar ‘het buitenland’ dus, vanuit het religieuze centrum Jeruzalem gezien, en ‘Hij keert terug naar de plaats waar Johannes eerder gedoopt had…’ (Joh. 10,40). Terug naar af dus, een hele afgelegde weg schijnbaar teniet gedaan. Van uitsluiting gesproken, van een ‘pastorale roeping’ die door dieven en rovers wordt afgepakt, van ‘deuren’ die dichtklappen en levenskansen die van mensen afgesneden worden!
- Bijna onopvallend staat het er in vers 7: ‘Ik ben de deur’. Je zou er gemakkelijk overheen kunnen lezen. Toch is deze uitdrukking ‘Ik ben’ een signaal. Ze staat in een hele rij van andere ‘Ik ben’-woorden in het Johannesevangelie.
Uitgerekend zeven maal zal Johannes Jezus die woorden in de mond leggen. Zo laat hij Jezus zin-spelen met de heilige Naam van God: ‘Ik ben die ben…’, zoals die in Exodus 3 werd bekend gemaakt aan Mozes vanuit het brandende braambos. - Door ‘Ik ben’ te zeggen blijkt Jezus de Schriften te vertolken. In het Eerste Testament vat die uitdrukking ‘Ik ben’ het geheim van God samen en ís ze Diens Naam zelf. Johannes wil aangeven hoe we bij deze mens Jezus van Nazareth raken aan het geheim van God. ‘Niemand heeft ooit God gezien - de eniggeboren Zoon, die is in de schoot van de Vader - Hij heeft Hem aan ons uitgelegd’ (Joh. 1, 18). ‘Geëxegetiseerd’, staat er letterlijk in het Grieks: al doende uiteen gelegd, voorgedaan, voorgeleefd. In zijn evangelie zet Johannes Jezus neer als een praktische uitlegger, als een doener en uitvoerder van de Godsnaam.
- In het Jodendom geldt: wat in de Schrift over God gezegd wordt, is altijd meteen ook bedoeld als opdracht voor de mens. De Bijbel geeft aan God altijd zulke namen, dat zij tegelijk ook programma en wegwijzers zijn voor de mens…’ (Han Renckens). Logisch, want de mens is immers gemaakt naar Gods beeld en gelijkenis. Die zeven ‘Ik-ben’-woorden zijn eigenlijk meteen ook “programma” en “agendapunt"voor de lezers van het evangelie en dus voor Kerkmensen vandaag. Het ‘Ik ben’-woord van vandaag zegt overduidelijk: wie Jezus wil navolgen in Zijn herderschap en in Zijn ‘deur-zijn’, moet dat “Ik ben de deur’-woord leren te verbuigen en vervoegen in alle wijzen en alle tijden.
Mensen en gemeenschappen moeten continu en in ieder generatie en situatie op-nieuw nadenken en zoeken hoe zij heel concreet en op de plaats waar zij staan ‘herder’ en ‘deur’ kunnen zijn voor anderen. Met andere woorden: zij moeten telkens weer ‘hun eigen Schrift, hun eigen evangelie, hun eigen pastoraal verhaal schrijven’(Han Renckens). Alle waarachtig herderschap, zeker in een multiculturele maatschappij, moet van harte, ‘par coeur’ geleerd worden, als ‘pastorale’ vaardigheid en levenskunst ingeoefend en uitgeoefend. Een kwestie van permanent leren, en een bestendige opdracht tot herscholing, om te kunnen inspelen op steeds nieuwe situaties. - Met een variante op die uitspraak van het Jodendom kunnen we stellen: ‘Al wat het evangelie over Jezus zegt, is tevens opdracht voor de Kerk.’ Logisch, want de Kerk is immers het ‘Lichaam van Christus’.
Dat betekent, dat de vraag naar de betekenis van Jezus Christus in het begin van de eenentwintigste eeuw niet zomaar een interessant academisch theologisch vraagstuk is, zoals er zoveel zijn, waar je objectief intellectueel over kunt stoeien of redetwisten. Het gaat in deze veeleer om een vraag die alles te maken heeft met de identiteit van de Kerk op vandaag. Het gaat om onze deelname aan het komen van de Messias, aan het proces van verlossing, als een door God geschonken menselijke mogelijkheid. Dat te beseffen is van groot belang voor de identiteit en het zelfbewustzijn van de Kerk; en dus ook voor haar toekomst en betekenis in de hedendaagse samenleving. In de bezinning op deze vraag ligt dan ook een geweldige kans om ‘herboren’ uit de huidige kerkelijke malaise of pastorale identiteitscrisis tevoorschijn te komen.
Oriëntering
Zeven namen voor Jezus van Nazareth…
Wie was Jezus? Wat weten wij eigenlijk over Hem? Hoe zag Hij er uit? Op niet één van dit soort vragen bestaat een ondubbelzinnig antwoord. Het evangelie is geen levensbeschrijving, noch een schets van Zijn psyche, maar een geloofsgetuigenis, dat dit éne probeert te zeggen: dat Hij “het” is. Wat is?
Nu moet je niet te veel vragen, want je kunt “het” alleen maar begrijpen als je “het” zelf hebt meegemaakt. Ik wil wel proberen, zegt Johannes, de auteur van het vierde evangelie, jou er iets van te vertellen. Maar dan heb ik grote woorden nodig, oude beelden en verhalen uit Zijn en mijn en jouw geloofstraditie. Die beelden zullen in het verhaal dat ik over Hem schrijf tot namen en parabels worden (parabolische spiegels als het ware) voor Hem en voor ieder mens die het leven kiest zoals Hij dat deed. In die beeldspraak kan ik je misschien laten beluisteren wie Hij was voor mij persoonlijk en voor ons als christengemeente tegen het einde van de eerste eeuw. En zo kan je tegelijk horen en daarvan leren wie jij kunt zijn als zijn leerling en volgeling, bijvoorbeeld voor hier en daar een ander mens…
Voor de goede verstaander is het evangelie een bundel veelzeggende en vaak hartroerende memoires van mensen die door Jezus van Nazareth geraakt zijn en stamelend iets over Hem proberen te zeggen. Wat we in het Johannesevangelie te lezen krijgen, is niet het verslag van Jezus’ eigen woorden. Hij heeft zichzelf bijvoorbeeld nooit titels of ‘benoemingen’ gegeven. Dat hebben de mensen gedaan - achteraf - die in Hem geloofden. Dat geloof inspireerde hen onder andere tot het geven van namen, waarmee ze Hem wilden noemen met woorden die tot onze verbeelding spreken.
Onder die namen zijn er zeven, die van deze Johannesgemeente als het ware een speciaal merkteken krijgen: zij worden Jezus rechtstreeks in de mond gelegd. Die zeven worden allemaal ingeleid door de formule ‘Ik ben…’ : ‘Ik ben het brood des levens…’ (6,35 en 51) - ‘Ik ben het licht der wereld…’ (8,12 en 9,5) - ‘Ik ben de deur van de schaapstal…’ (10,7 en 9) - ‘Ik ben de ware herder…’ (10,11 en 14) - ‘Ik ben de opstanding en het leven…’ (11,25) - ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven…’ (14,6) - ‘Ik ben de ware wijnstok…’ (15,1 en 5).
‘Ik ben…’ - het zijn karakteristieke woorden bij Johannes. Dit zijn echter geen definities of dogma’s. Ze vormen tezamen geen visitekaartje of paspoort. Het is veeleer alsof wij iedere keer op-nieuw Gods eigennaam uit de bijbel horen, zoals die voor het eerst opklonk uit de vlammen van de brandende braamstruik in de woestijn van Midjan, vóór de uittocht uit Egypte. Die struik uit de woestijn gaat zoveel eeuwen later in het Johannesevangelie opnieuw oplichten, keer op keer, tot zeven maal toe. En als de evangelist die zeven namen bij Jezus in de mond legt, dan drukt hij daarmee uit dat deze Jezus volgens hem en zijn gemeente de vervulling, de concrete invulling is van de Godsnaam ‘Ik ben die ben…'
Het zijn er zeven. Natuurlijk ‘zeven’: het getal der volheid en volkomenheid. Evenveel als er scheppingsdagen zijn. Alles wat voldragen en afgerond is - zeker bij Johannes - is altijd ‘zeven’. De gemeente rond Johannes heeft al mediterend over de zin van Jezus’ leven en leer deze zeven woorden en namen herkend als titels en beeltenissen van wie Hij was. In Hem, zeggen zij, is dit allemaal in vervulling gegaan. Hij heeft dit allemaal gedààn, zichtbaar en tastbaar gemaakt voor ons. Dank zij Hem weten wij voorgoed wie de God van Israël is, Hij die vanouds heet: ‘Ik ben…'
Beelden uit het verleden, met perspectief op de toekomst…
Wat het eerst opvalt in die zeven ‘Ik ben-woorden’ uit het Johannesevangelie is: dat zij allemaal ontleend zijn aan centrale verhalen uit het Eerste Testament. Het ‘brood des levens’ is de dagelijkse proviand voor de woestijntocht (Ex. 16), het ‘licht der wereld’ schijnt al op de eerste bladzijde van het scheppingsverhaal (Gen 1), de ‘deur’ is een onontbeerlijk gegeven van de ark uit het zondvloedverhaal (Gen. 6), de ‘herder’ komt voortdurend voor in het Eerste Testament, van Abel tot David; de ‘weg’ wordt door God zelf gebaand door woestijn en zeeën heen; het ‘leven’ stamt van de zesde scheppingsdag en de boom des levens in het Oost-land (Gen. 2 en 3), en de ‘wijnstok’ werd opgericht onmiddellijk na de zondvloed en wordt later kenmerk van het Beloofde Land (Gen. 9,20; Num. 13). Die zeven woorden stammen dus alle uit verhalen van den beginne, oerverhalen over God en Zijn mensen.
De gemeente van Johannes, doorkneed in die oude verhalen en door de eerbiedwaardige getuige in haar midden onderricht, ziet, al mediterend over de zin van Jezus´ leven en leer, nieuw perspectief in al die begin(sel)verhalen, en gaat ze steeds meer hanteren als ‘verbeeldingen’ van Jezus. De in die zeven beelden uitgedrukte profetie is, zegt zij, in Hem in vervulling gegaan. Het licht van de eerste dag, het brood van de woestijntocht, de deur van de reddende ark, de wijnstok van het Beloofde Land, de weg doorheen de zee, de herder vóór de trekkende kudde uit, de leven gevende adem van de schepping, - het zijn allemaal spiegels waarin de ware betekenis van Jezus van Nazareth te herkennen valt. Wil je weten wie Hij was, luister dan naar die eerste verhalen van toen, en vervang de namen van de hoofdrolspelers iedere keer door Zijn Naam. Tezamen alle zeven vormen zij de parabel van wat gedaan en niet gedaan moet worden om de nieuwe wereld van God waar te maken.
Waarschijnlijk is de gemeente van Johannes, nadat deze woorden op papier gezet waren, gewoon overgegaan tot de orde van de dag. Daarvoor waren immers al die woorden geschreven: opdat ze in de praktijk zouden worden omgezet…
Zeven woorden om te doen…
Voor westerlingen als wij zijn formules als ‘Ik ben…’ misleidend. Wij zeggen: ‘Ik ben die of die, ik ben de dochter van, ik ben van beroep…’ Bij ons gaat het dan eigenlijk om gegevens uit de databank. Een soort ‘is-gelijk-aan’ tekens uit de wiskunde of administratie.
In de Hebreeuwse denk- en gevoelswereld, waaruit al deze namen stammen, schuiven ‘Ik ben’ en ‘Ik doe’ echter altijd helemaal over en door elkaar heen. Ik ben wat ik doe, en wat ik niet doe, ben ik niet. Wij zeggen: ‘Wat je zègt dat ben je zelf!’ Maar een Jood zegt: ‘Wat je doèt, dat ben je zelf!’ ‘(Er) zijn’ is in die taal een waarachtig werkwoord, en drukt dynamiek uit. ‘Er zijn’ is handelen-naar-iemand-toe. Geen absoluut, abstract, metafysisch of filosofisch ‘zijn’, maar een relatief (dat wil zeggen: verwikkeld in een relatie!), concreet ‘Er-zijn-voor-een-ander’, betrokken op, begaan met en aan de lijve voelbaar dank zij mensen…
Daarom zijn de ‘Ik-ben woorden’ bij Jezus ook altijd verbonden met wat Hij doèt. Hij is wat Hij doet, en omgekeerd: Hij doet wat Hij is. In al deze uitspraken ís de Messias wat hij geeft: bij de broodverdeling is Hij het brood, in Kana de wijn, bij de genezing van de blinde het licht, bij het bereiden van een plaats in het vaderhuis is Hij de weg en de deur.
Zijn namen zijn geen definities of mini-christologieën, maar wérkwoorden die alleen maar wààr zijn als ze vervoegd en verbogen worden in alle wijzen en in alle tijden.
Het gaat dus in die zeven ‘Ik-ben-woorden’ om veel meer dan vrome frasen of fraaie eretitels. Als ‘zijn’ gelijk staat met ‘doen in de bijbelse spraakkunst, dan wil dat zeggen dat er iets moet gebeuren (geboren worden!) in mensen; dat de Messias zichtbaar en herkenbaar moet worden in de manier waarop christelijke mensen en gemeenschappen met mensen omgaan.
Daarom zijn de ‘Ik-ben-woorden’ ook nooit ‘exclusieve’ titels en dilpoma’s. Neen, al die zeven woorden zijn bij Johannes per definitie ‘inclusief’: zij sluiten iedereen in, en dus ook ons. Johannes zegt: de Messias is niet wie Hij is, als jullie niet doen zoals Hij is.
De ‘Ik-ben -namen’ zijn zondermeer programma-punten, dag na dag te agenderen op de pastorale kalender van elke parochie of kerkgemeenschap. Het komt er op aan die geheimzinnige, onnoembare Naam-van-God dagdagelijks te beleven in zeven concrete doe-opdrachten, zeven ‘sacramenten’ van gods-ontmoeting als het ware; zeven (geloofs)praktijken die mensen van vandaag ‘heel’ kunnen maken en ‘heil’ kunnen schenken.
In die zin zijn deze zeven woorden dus niet alleen spiegels, waarin vanaf het begin de betekenis van Jezus weerkaatst wordt. Het zijn ook zeven zeer concrete opdrachten voor ons als kerkgemeenschap: zeven keer een oproep om als Kerk een sacrament te zijn van God, waarmerk en tastbaarheid van Zijn nabijheid en zorg; opdrachten ons opgelegd vanuit die ene Naam ‘Ik-zal-er-zijn-voor-jou…’ Zó zal Hij, God, er voor jou zijn, omdat ik, christen van vandaag, er zó voor jou wil proberen te zijn…
Herderlijk omgaan met mensen van alle slag in deze multiculturele en multireligieuze samenleving, betekent op vandaag: die zeven ‘Ik-ben’-woorden concreet invullen met ‘ortho-praxie’, met waarachtige pastorale praktijk in de Geest van de Goede Herder.
Via onze concrete invulling van al die ‘Ik ben’-woorden zullen mensen kunnen merken en ervaren dat Hij voor mensen van vandaag is: soms licht, soms een weg, soms waarheid, soms brood en wijn en leven. Hij is geen wondermiddel. Hij ‘is’ er alleen maar, als wij Hem de kans geven om ‘er te zijn’. Zonder broodvermenigvuldiging is Hij het brood niet, en zonder de opwekking van de arme Lazarus is Hij het leven niet. Als wij geen wegen banen, is Hij de weg niet; en als wij onszelf niet uitschenken als een beker wijn, dan is Hij de wijnstok niet…
Het zou boeiend zijn ons als Kerkgemeenschap bij elk van die zeven namen voor Jezus eens af te vragen hoe wij die proberen waar te maken voor mensen vandaag. Hoe doe je dat concreet (en gestructureerd, geïntegreerd in heel de pastorale werking van de parochie): in het spoor van Jezus van Nazareth ‘weg’ zijn, ‘licht’, herder, ‘brood delen’, ‘deuren openen’ enz…
Daar rond praten en zoeken - vooral naar wegen om dat nog concreter te doen en met meer pastorale betrokkenheid op ‘elk-ander’ - maakt deze namen voor Jezus plots heel levendig en concreet. En daar zal het de evangelist Johannes uiteindelijk wel om te doen geweest zijn..!
Meer specifiek: ‘Ik ben de deur…'
Wie in de eerste eeuw na Christus in Israël het woord ‘deur’ ter sprake bracht, kon er op rekenen dat er bij de toehoorders een waaier aan herinneringen en oude verhalen zou open gaan. Als Jezus zegt: ‘Ik ben de deur…’, dan klinken daar in mee: de vele deuren uit het Eerste Testament die toegang verlenen tot de Eeuwige, dat wil zeggen: tot het ‘Leven in overvloed’…(Joh. 10,10).
Daar was natuurlijk allereerst de deur van de Ark van Noach, waardoor ooit alle levende wezens twee aan twee waren in- en uitgegaan om te worden gered. Die deur die JHWH zelf achter al Zijn schepselen had dicht gedaan om ze te behoeden voor de zondvloed en de el-lende buiten (Gen. 7,16). Daar was deur van de tent van Abraham, waarin hij neerzat op het heetst van de dag. Die deur, waar gastvrijheid was en rust voor de drie vreemdelingen, en waardoor de drie mannen bij hem binnen konden komen, waarop zij hem een zoon, dat is: toekomst beloofden (Gen. 18). Daar was bovenal de deur van de joodse huizen in de paasnacht bij de uittocht uit het land der verdrukking Egypte, die met het bloed van het paaslam moest worden bestreken en waaraan de engel van JHWH in de nacht der bevrijding reddend zou voorbijgaan (Ex. 12,23).
En onderweg naar dat Beloofde Land, tijdens de woestijntocht van veertig jaar, had het volk een bijzondere tent ingericht, de ‘tent van samenkomst’. De mensen stroomden bij die ‘deur’ samen wanneer Mozes daarbinnen met God sprak, zoals een mens spreekt met zijn vriend… (Ex. 33,7-10). En later, toen het volk binnen dat land gevestigd was, bouwde koning Salomo een tempel met gouden deuren (2 Kron. 3,7). Die deuren waren de zichtbare en tastbare toegang van het volk naar JHWH en omgekeerd, van JHWH naar Zijn mensen. Zonder al die deuren was JHWH niet te bereiken. Alleen daar doorheen kreeg de mens bij God gastvrij entree…
En dan is er nu dus, in het evangelie van vandaag, de deur van de schaapskooi, waarlangs alle schapen dagelijks in en uit konden gaan, thuiskomend van een vermoeiende tocht of hunkerend uitziend naar een nieuwe dag vol avontuur, op zoek naar ‘leven in overvloed’…
Het zou interessant zijn als predikant vooraleer je je toespraak definitief op papier zet, eerst even de volgende oefening/denktest te maken (liefst in samenspraak en overleg met de ‘gemeente’):
Het is onze ‘pastorale’ opdracht als Kerkgemeenschap, om “deuren” aan te brengen in onze samenleving, waardoor mensen vrij uit en in kunnen gaan en de toegang kunnen vinden naar ‘leven in overvloed’.
We kunnen ons als Kerkgemeenschap vandaag de vraag stellen: welke van die ‘deuren’ in ons kerkgebouw, in onze gemeenschap, in onze bijeenkomsten en beleidsorganen, in ons personeelsbeleid, in ons bidden en vieren… zijn reeds geopend voor vreemdelingen en mensen zonder papieren, voor mensen uit andere culturen en religies..?
Welke drempels, welke grenzen en barrières ervaren wij in onze contacten met vreemdelingen en mensen uit een andere cultuur of religie?
Hoe kunnen we nog meer ‘openingen’ maken naar die groep van mensen toe? Hoe maken we daar concreet werk van? Welke mogelijkheden zien wij om contact te nemen met hen, welke vaste afspraken voor een ontmoeting willen wij daartoe in onze pastorale kalender en agenda inbouwen?
S/Preekwijzer
Een deur is per definitie dubbel-zinnig. Elke deur is er om gesloten en geopend te kunnen worden. Je kunt wel met deuren slaan of met de deur in huis vallen, maar het enige wat je met een deur écht kunt doen is: haar openen of sluiten. Een deur is een toegang. Anders dan een ijzeren poort waar je alleen met geweld doorheen komt, of een valbrug over een slotgracht - die dienen om aanvallen af te slaan of de verdediging vol te houden. Maar een deur is terzelfdertijd ook méér dan alleen maar een open gat waar Jan en alleman door in- en uitloopt. Een deur is een zekere barrière, een grens-overgang. Je moet er aankloppen of een wachtwoord opgeven. En àls je aanklopt, wordt er gevraagd: wie is daar? En je zegt: Ik ben het! En ze laten je binnen, omdat ze jouw stem hebben herkend. Je hoeft dan ook de deur niet te forceren en je hoeft niet heimelijk door het raam binnen te sluipen. Je komt binnen langs de deur, omdat je herkenbaar bent, omdat die-van-binnen en die-van-buiten voor elkaar kiezen en in elkaar geloven…
Elke deur heeft een kant naar binnen en een kant naar buiten. Een kerkdeur of - poort markeert de overgang van binnen naar buiten, van kerk naar samenleving en omgekeerd.
Het komt er op aan die deur of poort ook open te zetten voor woe (nog) geen leven heeft, om voelbaar te maken dat achter die deur ‘leven’ zit, en wel ‘in overvloed’ ( Joh.10,10).
‘Ik ben de deur’, zegt Jezus. Zouden jullie als Kerk aan elkaar en de wereld in Mijn naam toegang kunnen geven tot die ruimte van leven die achter deze deur ligt? Dan zullen wij goede herders zijn, open deuren voor elkaar.
Veel mensen in het Westen zijn ten diepste bang voor de vreemdeling. Wat haal je in huis?
De angst voor het andere, het vreemde zit heel diep. Om duidelijkheid te krijgen worden de verschillen benadrukt. Dan klampt men zich vast aan eigen traditie en vanuit die positie beoordeelt men de vreemdeling. Die beoordeling wordt dan al gauw een véroordeling. Het Latijnse woord ‘hostis’ betekent zowel vreemdeling als vijand. De vreemde: degene die op een afstand van je staat (of liever gezegd: jij staat op een afstand van hém). De vijand: degene die tegenover jou staat (of beter gezegd: jij staat tegenover hém). Angst voor en verachting van de buitenstaander gaan hand in hand.
In zo’n sfeer van afweer kan het zondebokmechanisme welig tieren. De vreemdeling krijgt dan de schuld van alles wat er mis gaat. Inbraken? ‘Het was weer iemand met een donkere huid’. Werkloosheid? ‘Laten we eerst zorgen voor werk voor onze eigen mensen.'
De joodse denker Martin Buber heeft geschreven: ‘De mens vindt zijn eigen identiteit in de ontmoeting met de ander.’ Het is heerlijk en ontspannend als je ontdekt: de ander is precies zoals ik ben, met dezelfde angsten en verlangens. Daarom zegt de Talmoed: ‘Er bestaan geen vreemdelingen. Er zijn alleen maar mensen die elkaar nog niet echt hebben ontmoet.’ En de grote kerkleraar Augustinus heeft in één van zijn brieven ooit gerept over het sacrament van het gesprek en het sacrament van de ontmoeting. Inderdaad: waar mensen kiezen voor mekaar is dat een heilig, heilzaam teken, dat alles te maken heeft met God en Zijn verbond. Niet alleen de zogeheten zeven sacramenten zijn een vindplaats voor Gods aanwezigheid in deze wereld. Al wat mensen in liefde en zorg voor elkaar samenvoegt is dat al evenzeer…
Ons pastoraal bezig zijn, ons herderen wordt ingegeven door een geloof dat al ons doen en laten bezielt: ‘Ik heb voor u een deur opengezet die niemand sluiten kan…’ (Apoc. 3,8).
Dus: laten wij kiezen om zoveel als mogelijk ‘herder’ en ‘deur’ te zijn voor elkaar…
En dan nog iets: er zijn op dit moment miljoenen vluchtelingen op de wereld, mensen die uit hun thuisland vertrokken zijn omdat ze geen menselijk bestaan meer hadden, geen brood voor hun maag en geen brood voor het hart. Achter de rug: een verwoest verleden. Voor de ogen: een vage onzekerheid. In het hart: de angst die je nooit kwijt kan raken, hoeveel duizenden kilometers je ook van de onheilsplaats verwijderd bent. Een mens wiens verleden kapot geschoten is, krijgt heel veel moeite om te bouwen aan de toekomst. De ervaring van versplintering maakt van hem een ontworteld mens, voor wie elke blik of ieder gebaar van afweer een continuering is van dat verschrikkelijke verleden. Waar moet hij heengaan als hij nergens welkom is? ‘Ik wou vluchten, maar kon nergens heen’ stond er in de oude berijming van Psalm 142, een zin die voor velen vandaag de dag nog steeds actueel is: mensen worden van hot naar her gestuurd, als pingpongballen die geen rust wordt gegund.
Zowat de helft van al die vluchtelingen bestaat uit kinderen. Niemand vlucht voor zijn plezier. Vluchten doe je uit een onveilig land, uit een spookstad waar alles verwoest is en niemand meer kan wonen. Wie op de vlucht slaat, kan geen ballast gebruiken. Slechts één gedachte neemt hij mee, één hartenwens, één hartenkreet: ‘Ik zoek een plek waar ik veilig kan zijn, ik zoek een deur die plots opengaat, ik zoek koortsachtig naar leven in overvloed…'
Het is een luxe een mens te mogen zijn voor wie alle deuren opengaan! En het is super de luxe als de bewoner van het huis, de deur-wachter van binnenuit zegt: nu staat mijn deur altijd voor je open, hier is mijn sleutel. Je mag altijd vrij in- en uitgaan. Het ongeluk is, dat de meeste westerse mensen deze luxe vanzelfsprekend vinden…
Misschien moeten we aan zoiets denken als we vandaag Johannes lezen. Het moet voor de verworpenen en de uitgestotenen een feest zijn geweest als iemand die pure betrouwbaarheid was, hen binnenliet en zei dat ze zelf ook als betrouwbaar werden beschouwd. Ze mochten meteen vrij in en uitgaan! Zoiets is zeker op vandaag ongehoorde droomtaal voor vele mensen op aarde. Zij wachten nog steeds op de eerste stem die ‘welkom’ zegt. Zij durven er zelfs niet meer van dromen. Zij zijn de ‘buitenstaanders’, de uitgeslotenen, de ‘schapen zonder herder’… Misschien vinden ze de woorden uit Johannes 10, 1-10 wel ijle frasen van een andere planeet…
Vandaag, op Roepingenzondag, gaat het niet alleen over letterlijk goede ‘pastors’ voor de Kerk. Het gaat om een gelovige ‘pastorale’ houding van onze hele gemeenschap. In de tijd tussen Pasen en Pinksteren zaten de leerlingen van Jezus lange tijd achter gesloten deuren. Zoals wij opgesloten kunnen raken in kerkelijke bekrompenheid, politieke machteloosheid, angst voor al wie anders en vreemd is, ons veilig wanend achter de gesloten deuren van het eigen grote gelijk. Het is de Geest die Petrus straks de moed en het vertrouwen zal geven om de deuren open te gooien en naar buiten te komen. De Geest van Pinksteren zegt: het nachtslot van de angst moet dringend van jullie kerkdeuren af, omdat jullie weten van ‘Ik-zal-er-zijn’. God zelf houdt de deur open voor ieder die buiten staat te wachten en klopt om binnen te mogen. En wij, die binnen zijn, haast vanzelfsprekend binnen, wij worden naar buiten geroepen, uit het graf van onze vooroordelen, uit de kerkers van haat, onbegrip, angst en dood. Uit de gesloten deuren en gesloten harten van ‘Jij komt er bij ons nooit vanzeleven in…'
Moeten wij christenen niet véél dringender gaan leven in huizen met herdersdeuren, die weten open en dicht te gaan op Jezus’ wijze, zodat wij bevrijdend ruimte en toegang kunnen maken voor het leven van ontheemde mensen? Moeten onze kloosters, kerken, pastorieën, katholieke instellingen allerhande, en ook de huizen van christelijke gezinnen, zich niet dringend voorzien van herkenbare en betrouwbare herders-deuren?
Zoiets horen wij vandaag op roepingenzondag in de lezingen die de liturgie ons aanreikt..Wij worden geroepen om te herderen in een multiculturele samenleving. Het is ons aller roeping om mensen bij hun naam te noemen en ze de weg te wijzen naar waar het goed leven is.
‘Ik ben de deur’, zegt Jezus. Zouden jullie als Kerk elkaar en de wereld in Mijn Naam aan vele van Mijn mensen toegang kunnen geven tot die ruimte van het volle leven? Dan zijn jullie pas goede herders, met open deuren voor jan en alleman, voor vriend en vreemdeling…
Zou dat niet de boodschap kunnen zijn van deze zondag? Dat wij, die ons christenen noemen, geroepen zijn om mensen van overal de kans te geven om langs de grote poort het leven binnen te gaan?
Wanneer men één van de oefeningen die hierboven in de ‘Oriëntering’ van deze S/Preekwijzer zijn gesuggereerd, persoonlijk of samen met mensen uit de kerkgemeenschap heeft gemaakt, kan men op deze plaats in de toespraak een aantal elementen die daar zijn aangebracht ter sprake (laten) brengen…
Die huizen en plaatsen met gastvrije herdersdeuren waar het evangelie vandaag van droomt: ze zijn er al! Ze zijn zelfs talrijker dan we zouden denken. Een aantal mensen en organisaties hebben gelukkig niet op een bevel van hogerhand gewacht om het evangelie te herontdekken en heel concreet toe te passen. Toen ze hoorden kloppen hebben zij meteen hun deuren wijd open gegooid. Het is goed zo! Ook God is nu eindelijk weer op Zijn gemak in de Kerk, Zijn eigen huis. Onder Zijn deurbel hangt nu weer op heel wat plaatsen Zijn mooiste Naam: ‘Immanuel, Ik-zal-er-zijn-voor-u’. Dat is vertaald in pinkstertaal: Illegale kleine-mensen-God, Vader van de uitgeslotenen, Moeder van de mensen zonder papieren, Vluchtelingenkind, Mensenvriend…
Kijk maar even om je heen, vlakbij en veraf: het is al begonnen.Op heel wat plaatsen zijn mensen van binnen en buiten de Kerk reeds bezig met te kiezen voor mekaar, en de deuren van hun woonplaats en hun hart open te zetten voor al wie op zoek is naar ‘leven in overvloed’. God zij dank! Amen.
S/preekwijzer:het A jaar in intercultureel perspectief de derde editie van de S/preekwijzer in intercultureel perspectief voor het liturgisch jaar A ligt ter uwer beschikking. Deze editie omvat een bijdrage rond het Matteüsevangelie (Eric Ottenheijm) en gaat heel concreet in op bijzondere passages uit de lezingen van de A-cyclus (Arseen De Kesel, Geert Dedecker, Frans Van Steenbergen (BME), Jean-Paul Vermassen (ACW-pastor)). Paul De Greef sj. blikt in Bijbel en Koran op de figuur van Zacharias. Huub Oosterhuis is een bijzondere gastschrijver voor deze editie. In een afsluitend interview gaat Bisschop Jozef De Kesel (Brussel), Paulus missionair achterna.In de ‘S/Preekwijzer in intercultureel perspectief’ proberen de auteurs van de uitdaging en opdracht om zinvol te s/preken in een interculturele realiteit creatief te combineren. Zij nemen daarbij het lezingenaanbod van de weekendliturgie als leidraad en openen enkele nieuwe deuren in de teksten. Zo krijgt de lezer zicht op het intercultureel perspectief van de Bijbel en worden tekstpassages een eerlijk uitgangspunt om overtuigend te s/preken.
Deze derde editie in een reeks van drie, geeft een bundel inspiratie en spiritualiteit voor een wereld die beweegt op de tonen van de wereldwijde migratie. In bezinningsgroepen, jeugd- en volwassenenpastoraal, in de kerk in Vlaanderen wordt meer en meer gezocht naar wegen en antwoorden op de vragen die het nieuwe samenleven in de culturele en levensbeschouwelijke diversiteit ons stelt. De homilie in de weekendliturgie of de predicatie in het kader van een bezinning rond Gods’ woord is een gelegenheid om met een nieuwe blik naar die vragen te kijken en er mee om te gaan. Het is een pastorale sleutel voor kerkopbouw in intercultureel perspectief.
De S/Preekwijzer is er voor pastores en begeleid(st)ers van bezinnings- , liturgie- en bijbelgroepen.
Verkoopprijs editie A, B of C afzonderlijk: 8 €
Voor de drie edities samen (B-C-A) (400 pagina’s): 15 €
Prijzen exclusief verzendingskosten.
Bestellen: [bestellingen@kms.be](mailto:bestellingen@kms.be?subject=Bestelling (S)Preekwijzer via website www.preken.be) of 02/5021128.